Zondag 7 april 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van 1 Koningen 19:1-14 en Jakobus 2:1-18 uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 7 april 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Kerk Castricum

Gemeente,

Wij hebben allemaal wel opvattingen over de verhouding tussen overheid en religie. Wij hebben ideeën over welke kennis, vaardigheden en ervaring een landbestuurder in Nederland dient te beschikken, wil zij of hij die functie vervullen. Wij kunnen onze stem uitbrengen als er landelijke verkiezingen zijn. En als wij gekozen politici via de media volgen, dan letten wij er ook op of zij in woord en daad de belangen vertegenwoordigen van hun achterban.

De tekst uit 1 Koningen negentien vers een tot veertien is te lezen als de beschrijving van een politieke verkiezingsperiode, waarin twee partijen, te weten koningen en profeten, een machtsstrijd voeren. Die strijd om verschillende regeringsvormen – monarchie of profetendom – voert terug op de bron van het gezag dat beide figuren aanwenden. De koning in ons verhaal ontleent zijn positie aan God ten behoeve van de bevolking. Het gedrag van de koning werd geobserveerd en bekritiseert door profeten. Telkens wanneer een koning de godsrelatie op de tocht liet staan en van een religieus gemotiveerde monarchie een dictatuur dreigde te maken, dient een profeet zich aan om hem te herinneren aan een geleend en voorwaardelijk gezag. En dat was wellicht de grote uitdaging voor een koning: dat hij het vertrouwen dat in hem was gesteld om een invloedrijke positie uit te oefenen niet beschaamde en zich, zolang hij op de troon zat, bleef realiseren dat zijn functie hem was verleend namens een ander en in dienst stond van het welzijn van allen in een samenleving. Om kort te gaan, de wijze waarop koning en profeet hun ambt legitimeren verschilt niet van elkaar: beide beroepen zich op de openbaring, wel hoe zij zich in de loop van de uitoefening van hun ambt ontwikkelen.

Nu vinden wij bij de auteurs van 1 Koningen geen uitgesproken voorkeur voor een bepaalde staatsvorm, maar de koningen krijgen het in het gelijknamige boek wel zwaar te verduren. De verhalen over het koningschap van bijvoorbeeld Achab zijn geen succesverhalen: veeleer portretteren de bijbelschrijvers de koningen als mislukkelingen van wie het koningschap op een fiasco uitloopt. Bovendien schetsen de auteurs de relatie tussen koning en profeet als één waarin de profeet de koning kan aanspreken op diens functioneren. Onze tijd kunnen we anders typeren, aangezien een koning weliswaar als staatshoofd is aangesteld, maar ministers besturen het land en zijn bovendien verplicht verantwoording af te leggen aan de volksvertegenwoordiging.

In het optreden van de profeet lees je dat de auteurs het van belang vonden dat de godsrelatie een rol speelt in de vormgeving van de samenleving en een verband leggen tussen de relatie die een invloedrijk persoon al dan niet onderhield met zijn God en het welzijn van een maatschappij. Welzijn en niet welvaart. En ook dat is een belangrijk verschil, dat profeten werden ingezet om een koning primair te herinneren aan de geestelijke, lichamelijke en sociale gezondheid van de bevolking. Als die kwaliteit hoog werd gehouden, zo leek een voorwaarde, dan ontwikkelde zich een economie die aan die kwaliteitsstandaard parallel liep.

Wij bevinden ons vanochtend in Castricum, nabij de stad Haarlem, waar het provinciebestuur van Noord-Holland plaatsvindt, en hebben net verkiezingen achter de rug. Waarom kan het van belang zijn na te denken over de relatie tussen overheid en religie? Omdat de invulling van grondwettelijke rechten zoals de vrijheid van vereniging, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en de vrijheid van meningsuiting afhangen van de wijze waarop het principe van de scheiding tussen kerk en staat wordt ingevuld. Het maken van een regeling over de relatie tussen overheid en religie schept een kader voor maatschappelijke tolerantie. En, waarom is het belangrijk als individuele burgers onze opvattingen over de verhouding tussen overheid en religie met elkaar in gesprek te brengen? Omdat de verhouding tussen overheid en religie op verschillende manieren kan worden georganiseerd. Er zijn niet enkel diverse bestaande modellen en theorieën over de verhouding tussen overheid en religie, waar je bijvoorbeeld vanuit een seculiere, christelijke, humanistische of islamitische achtergrond al dan niet mee instemt. Uw visie op de relatie tussen overheid en religie, en in het bijzonder de religieuze opvattingen die daar eventueel een rol in spelen, kunnen nuances aanbrengen in bestaande theorievorming en zorgen voor het bedenken van nieuwe modellen.

In het aangaan van dat gesprek oefen je je in de rol van profeet, doordat je leidende ideeën confronteert met hoe jij tegen een maatschappelijke verhouding aankijkt, en kun je tot de ontdekking komen welke grenzen en mogelijkheden geloof kan hebben voor de politieke praktijk. Wat je in die act kunt ervaren is dat overheid en religie geen vaststaande, onwrikbare maatschappelijke structuren zijn waar je eventueel kritiek op kunt hebben, maar dat politiek een samenspel is van visies, een denkbeeld dat gepaard gaat met handelingen en geloofshoudingen waaraan wij zelf vorm kunnen geven.

Dat is tevens de gemene deler met de tekst uit Jakobus: geen genoegen nemen met een zogenaamde gevestigde orde van hoe aan religieuze ideeën gestalte wordt gegeven. In de Jakobusbrief gebeurt er echter nog wel iets anders dan dat Jakobus geen voldoening haalt uit de religieuze status quo, en een verklaring daarvoor is gelegen in het geloofsleven van Jakobus zelf. Jakobus’ geloofsleven behelsde ooit een burgerlijk religieus geloof dat sociaal onrecht gedoogde en veranderde ingrijpend in een kritisch geloof, waarin hij als individu elke regeervorm ter discussie stelt. Dat burgerlijk religieuze geloof wekte in hem een vertrouwen waar hij zich gaandeweg steeds minder gemakkelijk bij was gaan voelen. Sociaal onrecht kon zijn geest in toenemende mate radeloos en rusteloos maken. Vind je op andere plaatsen in het Nieuwe Testament een waardering voor attitudes als zachtmoedigheid en vredelievendheid, Jakobus lijkt bezield van een heilige woede ten aanzien van de betogen over spiritualiteit in zijn tijd en het tegelijkertijd tolereren van allerlei misstanden in de samenleving. Hij zou er vast een voorstander van zijn de geïnstitutionaliseerde religie te laten varen ten faveure van het engagement ten aanzien van mensen in onze samenleving die problemen ondervinden. In zijn kerk vormen diaconie en pastoraat speerpunten van het gemeenteleven.

Jakobus denkt holistisch, dat wil zeggen dat zijn vroomheid zich niet beperkt tot ruimtes waarbinnen bij ons veelal godsdienstig gedrag tot uiting komt. Hij staat een sterk ethisch gekleurd geloof voor dat de wijze waarop de mens er in de wereld is geheel doortrekt. Dat kon, ik noem maar een voorbeeld, betekenen dat hij zijn stem liet horen en handelingen verrichtte op momenten waarop een ander mens slachtoffer werd van politieke besluitvorming.

Het geloof van Jakobus motiveerde hem tot liefdedaden, en in het bijzonder daden van barmhartigheid, waarin hij zich belangeloos ontfermde over de behoeftige ander. Jakobus wilde het koninkrijk van God niet afwachten, maar probeerde dagelijks op zijn manier gestalte te geven aan sociaaleconomische gelijkheid. Die activistische attitude had van een bekoorlijk uitziende aristocraat een onaanzienlijke knecht gemaakt. De uitwendige mens werd vernietigd, de innerlijke mens vernieuwd met elke geloofsdaad, waarvan Jakobus begreep dat die als een goede gave van boven kwam en die hij in dank volbracht. Hij staat te boek als een apostel, maar is evengoed een profeet, doordat hij ijvert voor recht, en geloof voor hem vraagt om de betrokkenheid bij politiek en maatschappij. Stelde iemand Jakobus de vraag of dat koningschap van God nog wat werd, dan antwoordde hij: “Vandaag nog.”

Amen