Zondag 29 mei 2022, Johanneskerk Leersum, zondag 3 juli 2022, boerderij De Hoef Leidsche Rijn, zondag 10 juli 2022, Waterstaatskerk Schagerbrug, zondag 17 juli 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 24 juli 2022, Houtrustkerk Den Haag, zondag 31 juli 2022, De Ark Berkel & zondag 7 augustus 2022, Protestantse Wijkgemeente Holy Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Sefanja 3:12-20 en Romeinen 6:3-11 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 29 mei 2022 om 10.00 uur in de Johanneskerk te Leersum, op zondag 3 juli 2022 om 10.00 uur in boerderij De Hoef van de Protestantse Gemeente Leidsche Rijn, op zondag 10 juli 2022 om 10.00 uur in de Waterstaatskerk te Schagerbrug van de Protestantse Gemeente Zijpe, op zondag 17 juli 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 24 juli 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 31 juli 2022 om 10.00 uur in Gereformeerde Kerk De Ark te Berkel en op zondag 7 augustus 2022 om 10.00 uur in de Protestantse Wijkgemeente Holy te Vlaardingen

Gemeente,

In de Zweedse film De grote stilte die Ingmar Bergman in 1963 produceerde, staat de leegte in het leven van mensen centraal. Tijdens een reis die twee zussen maken, wordt een van hen ziek, waarna zij met een zoontje van een van de zussen in een hotel in een Noord-Europese stad verblijven. In dat grote logement voelen de zussen zich lusteloos. Ze raken gedesinteresseerd, verveeld, worden hangerig en ergeren zich aan elkaar.

Bergmans De grote stilte is het laatste deel van een trilogie over geloof. De zussen in Bergmans film hadden een doel voor ogen, een reisbestemming in gedachten. De vaart van hun leven zat er goed in. Als dat ‘levenstempo’ onvoorzien en ongewenst wordt vertraagd, is een vraag hoe elk van beide vrouwen met die onderbreking omgaat. Beide vrouwen ontwikkelen een vorm van alcoholisme en pikken willekeurig een man in een bar op. Het is de beleving van de tienjarige jongen die naar wegen zoekt om zich te vermaken, waardoor op de ‘holle tijd’ die de volwassen vrouwen ondervinden de nadruk komt te liggen.

Binnen de religie vallen er verschillende soorten stiltes te ontwaren. Tijdens het brengen van een offer is er sprake van een liturgische stilte. Eerbiedige stiltes worden in acht genomen bij het uitvoeren van rituelen. Mensen zijn massaal stil als er een bepaalde dag aanbreekt en voor het uitspreken van een religieus oordeel zijn hoorders stil. Aan het moment waarop Sefanja had besloten de stilte te doorbreken was een periode voorafgegaan waarin er geen profetische stem meer had geklonken. Jesaja en Micha waren de laatsten geweest die nog visionair optraden, visies uitsponnen waarin ze hoorders perspectieven voorhielden om hen uit te dagen iets te doen waarvan ze niet wisten dat ze ertoe in staat waren.

Nadat Jesaja en Micha zich niet langer in de openbaarheid vertoonden en stierven, was het stil geworden. Die stilte vormde een groot contrast met de alarmerende signalen die doorklonken in de kreten van de profeten. Er werden geen idealen meer geproclameerd, dromen niet gerealiseerd en mensen toonden niet veel ambitie. Na een periode van turbulentie in een samenleving kan een stilte heilzaam werken. Maar in de tijd van Sefanja kwam het leven er zelf door stil te liggen. Er heerste een rust en onbeweeglijkheid die onvrijheid verrieden in plaats van vrijheid die te herkennen is aan bedrijvigheid en drukte. Wat Sefanja met zijn visie doet, is antwoord geven op de monotonie, de eentonigheid van zijn tijd die problemen zoals een gebrek aan voedselvoorziening en oorlogsvoering met zich meebrachten. Zo zet hij ingrijpende religieuze hervormingen in gang. Sefanja probeert de motoren van het leven zelf weer aan de praat te krijgen door op te roepen handelingen te verrichten in een tegenovergestelde richting dan de wijze waarop mensen in zijn omgeving dat gewend waren. Het afleren en aanleren van een levensstijl, zo hoopte hij, zou resulteren in een continue stroom van voedselproductie, vrede en veiligheid.

Net als Sefanja is ook Paulus te karakteriseren als een profeet, omdat hij een beroep doet op de innerlijke verandering van zijn adressanten. En er is nog een overeenkomst te noemen tussen profeet en apostel. Zoals Sefanja oproept tot tegennatuurlijk handelen, beweert Paulus dat een religieus gelovige die gedoopt is in de geest niet langer onder de wet valt. Paulus staat voor de taak te laten zien dat de wet, die slavernij in de hand werkt, geen betrekking meer heeft op de geestelijke mens die in vrijheid leeft. In de sfeer waarin de gelovige zich beweegt, denkt, voelt en handelt zijn de geboden niet langer van toepassing. Daarmee diskwalificeert Paulus de mogelijkheid van overtredingen en de invloed van vormen van controle en handhaving die een mens ontmoedigen. De bindende regels van de wet en de ongebondenheid van de geest bedienen zich van een ander taalveld, belichamen een andere denkwereld. Maar Paulus, in tegenstelling tot Sefanja, legt ook met behulp van theoretische reflecties uit en haalt symboliek aan om door middel van beelden te beschrijven hoe de geestesdoop van de gelovige in het heden plaatsvindt.

Zowel Sefanja als Paulus waren figuren die zich geconfronteerd zagen met het probleem dat mensen niet in staat waren zichzelf te bevrijden van hun gewoontes, routines, rituelen en wetten. De impact van herhaling en gehoorzaamheid werkte als een verslaving waar mensen dermate door ‘gedrogeerd’ waren dat ze zich er geestelijk en lichamelijk niet van konden distantiëren. Voor de oplossing van dat probleem treedt Paulus op als een idealistisch schrijver.

Dat idealisme van Paulus kun je lezen als een reisbeschrijving van de dood naar het leven, waarin hij voluit in gesprek is met heidense en joodse tijdgenoten. Leven met God, dat wil zeggen je verenigen met wat je optilt, je uittilt boven wat je terneerdrukt, lam slaat, betekent tegelijkertijd sterven voor alle negatieve invloeden. Een totale en definitieve scheiding, een breuk zoals de dood dat is. Die breuk kun je ‘sterven met Christus’ noemen en maakt je los van datgene wat je van God scheidt. In de vorming van het nieuwe mens-zijn, waarin je wordt verenigd met ‘je betere zelf’, kan een lange stilte vallen. Iets in je wordt teniet gedaan. Dood, dat wil zeggen manieren van doen waaruit de bezieling is verdwenen, transformeert in doop.

De gelovige is dan niet langer belast met bijvoorbeeld overgeërfde handelswijzen, gekopieerde manieren van doen, maar leeft in eenheid met het levende en in openheid naar de toekomst. Dan kan het aan de oppervlakte van een mens’ voorkomen stil lijken, doodstil, terwijl er ‘ondergronds’ van alles woelt. De vrome zegt over dat proces: “God is in de mens aan het werk.” Er vindt een ‘strijd’ plaats, waarin de geest wil zegevieren over al die invloeden die een mens naar beneden halen en die, als de overwinning daar is, de mens in staat stelt wilsbekwaam en capabel op te treden. In die acten van vrijheid toont een mens dat zij of hij boven de wet staat.

Amen

Donderdag 26 mei 2022, Maartenskerk Protestantse Gemeente Doorn

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 26 mei 2022 om 9.00 uur in de Maartenskerk van de Protestantse Gemeente Doorn

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid.

Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen een vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen

Zondag 8 mei 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 15 mei 2022, Pietermankerk Zwijndrecht & zondag 22 mei 2022, Oecumenische Vereniging de Zendingskerk Ermelo

Preek naar aanleiding van Ruth 2:1-17 en Matteüs 12:1-9 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 8 mei 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 15 mei 2022 om 9.00 uur in de Pietermankerk te Zwijndrecht en op zondag 22 mei 2022 om 10.00 uur in Oecumenische Vereniging de Zendingskerk te Ermelo

Gemeente,

Het boek Ruth, of Roeth, is de tweede rol in de Tenach, de joodse bijbel. Ruth lijkt welhaast verscholen te staan tussen Rechters en Samuël. Het verhaal in het boek Ruth staat niet op zichzelf, maar vangt aan in de tijd van de rechters. Ruth is een feestrol die met het Wekenfeest, in het Hebreeuws Sjavoeot, wordt gelezen. Vanaf het begin van de oogsttijd, de Pesach-week, tellen joodse lezer(es)s(en) af en vieren op de vijftigste dag feest op een locatie in Bethlehem, dat ‘Broodhuis’ betekent.

Het boek Ruth bevat in grote lijnen een oogstverhaal. De naam Ruth betekent ‘vrouwelijke metgezel’ en Ruth doet haar naam eer aan, want of ze zich nu bij haar schoonmoeder Noömi vervoegt of bij de jonge vrouwen die bij Boaz in dienst zijn, Ruth is een reiziger, iemand die met een ander meegaat, haar of hem begeleidt. Ruth is een Moabitische vrouw die voor een Israëliet in eerste instantie een vreemdeling is. In het boek Ruth echter getuigt Ruth van de wil zich te voegen bij het joodse volk. Met dat getuigenis geeft ze ook te kennen de Thora in z’n geheel te omarmen.

Ruth en haar schoonmoeder Noömi zijn beiden weduwe. Alle mannen in hun leven zijn overleden. Uitgerekend Ruth zal later de stammoeder van David worden. Maar eer het zover is, moet de liefde in gang worden gezet. En dus speelt schoonmoeder Noömi op de achtergrond de rol van regisseuse. Zij is de persoon die vanachter de schermen relaties en arbeidgerelateerde zaken vormgeeft.

Wanneer wij Ruth twee vers een tot zeventien lezen, dan lezen we een dagboekfragment dat als titel heeft meegekregen “Een dag op het veld”, zoals je kunt berichten over een werkdag en de bijzondere voorvallen die zich daarop hebben voorgedaan. Ruth heeft het recht achter de maaiers aren te lezen en maakt van dat recht gebruik. Ruth leidt een buitenleven. Ze is niet iemand die in de huiselijke sfeer tot haar recht komt en rust niet voordat er, letterlijk, brood op de plank komt. Ruth wordt kostwinner, een eenverdiener die na de dood van haar geliefde niet de hort op gaat, achter de jongens aan die bij Boaz in dienst zijn, maar zich mengt bij de jonge vrouwen die eveneens bij Boaz werkzaam zijn. Ze legt zich toe op de voedselvoorziening voor zichzelf en Noömi, sprokkelt dagelijks haar kostje bij elkaar. De emancipatie van Ruth vormt een belangrijke sociale kracht: zij neemt deel aan maatschappelijke arbeid.

Ruth is niet onopgemerkt gebleven. Boaz, die jegens Ruth familieverplichtingen heeft, heeft zijn oog op haar laten vallen. De overleden echtgenoot van Ruth was familie van Boaz en op basis van die verhouding als naaste familielid heeft Boaz de plicht Ruth te huwen en voor nageslacht te zorgen. Deze familieplicht vormde een sociale regeling in ‘Israëls verzorgingsstaat’, een vangnet en te vervullen belofte om wie in sociale zin statusverlies zou lijden alsnog toekomst te geven. Maar dat is niet de manier waarop Boaz naar Ruth kijkt: hij beschouwt haar niet primair als een kinderloze weduwe die voor hem een potentiële huwelijkspartner vormt. Hij beschouwt haar evenmin als een vreemdelinge, maar als iemand die de moed en daadkracht had zich tot een cultuur te wenden die zij voorheen niet kende. En dat is de pointe van het betoog van de auteur: er kan pas iets nieuws ontstaan wanneer mensen met hun tradities breken. Ruth doet dat door haar geboorteland te verlaten en te integreren in een onbekende cultuur. Boaz door niet te gehoorzamen aan traditionele, ongeschreven regels.

Om te begrijpen met welk mechanisme Boaz breekt, schets ik kort een voorgeschiedenis. De Moabieten waren een aan Israël vijandig volk. Toen het volk Israël door de woestijn trok op zoek naar een eigen gebied, onthielden de Moabieten hen water en brood conform een regel onder nomaden. Vervolgens werd er een bepaling in de Thora opgenomen dat zolang het joodse volk leefde het nimmer vrede en het goede voor de Moabieten moest zoeken. Boaz zet deze vorm van wraak zelf op z’n nummer. Boaz overwint de vooroordelen die hij wellicht had wanneer hij ziet hoe trouw Ruth is jegens haar schoonmoeder Noömi, die gevlucht was vanwege een hongersnood. Ruth belichaamt de openbaring. Zij is de verrassende ontdekking die Boaz doet, de correctie op de wetsclausule. Als Boaz door Ruths optreden íets heeft begrepen, dan is het dat er een voorschrift is dat alle wetten te boven gaat en dat is: de liefde. Boaz is krachtig, doortastend en viriel. Hij neemt de rol van losser op zich. Door Ruth te huwen, verbindt hij zich een leven lang met een persoon. En op die wijze eindigt het verhaal Ruth met een huwelijk tussen een Moabitische vrouw en een Israëlitische man.

Ook Matteüs twaalf vers een tot negen wordt gemotiveerd door het verschil tussen banden die gebaseerd zijn op affectie als drijvende kracht en de instandhouding van structuren op basis van gewoonten. De eerste negen verzen van Matteüs twaalf bevatten een verhaal dat de rigiditeit thematiseert die tot uiting komt in het vasthouden aan de wet die samenhangt met de sabbat. Er waren vormen van arbeid, zoals oogsten, waarvoor op de sabbat een verbod gold. De farizeeën zagen het plukken van graan als een vorm van oogsten. Nu kent de auteur van het Matteüsevangelie zijn joodse bronnen. Hij heeft veel van het Oude Testament geërfd en heeft weet van geschriften buiten de Hebreeuwse bijbel. Met die voorkennis laat hij Jezus de invloedssfeer van de farizeeën betreden door hem de synagoge te laten binnengaan. Met zijn onderwijs richt de auteur zich via Jezus tegen een concentratie op de wet. In de dialoog die hij opzet, confronteert hij de farizeeën met een nieuwe didactiek, die uitgaat van ruimdenkendheid op basis van sociale zin als vervulling van de wet.

Welke invloed hadden de wetsbepalingen nu op het idee van de sabbat? De sabbat is een woord dat ‘ophouden’ betekent, je arbeiden en bedrijvigheid staken, met als doel bevrijd te worden van enige vorm van slavernij en jezelf rust te gunnen. Dat kan op ieder moment. De sabbat is niet voorbehouden aan een dag. Maar in plaats van dat wetgeving ten dienste stond van de vervulling van menselijke behoeftes, leken ‘wetsbeijveraars’ de bepalingen zelf van belang te vinden. Zij spiegelden een gebruik dat omwille van het gebruik zelf in stand werd gehouden, zelfs al belette de naleving ervan de honger van menig mens te stillen. Wetten waren in plaats van instrumenten doelen op zich geworden. Matteüs twaalf vers een tot negen is dus ook een verhaal over onbegrip en groeiende weerstand van wetsdenkers tegenover religieus anarchisme. Het religieus anarchisme dat Jezus en de discipelen voorstaan, wordt gevoed door de centrale gedachte dat God heerst. Dat God heerst wil zeggen, in staat zijn te begrijpen wat het doel is van een wet en die wet tussen haken te plaatsen als het de behoeften van mensen frustreert. Ook op de sabbat staat compassievol handelen centraal. De wet? Die staat in je hart geschreven, en toch, aldus de auteur, is begrip van sociale situaties waarin tegemoet wordt gekomen aan de fysieke en psychologische noden en verlangens van concrete individuen belangrijker dan het volgen van rituelen. Rituelen stellen zelf ‘weinig’ voor. Het zijn herhalingen die in het teken staan van iets anders.

Onze wereld staat vermoedelijk ver af van de arenlezers die de achtergebleven korenaren na de oogst bijeenzamelen. Wij plukken geen graan langs de randen van een akker. Ook zijn we wellicht geen wetslezers die zich bezighouden met het interpreteren en handhaven van wetten. Wij zijn echter wel mensen die zoeken, vinden, oprapen, verzamelen, recyclen en leven van het nalatenschap van anderen. Wij lezen en interpreteren teksten, elkaar en situaties, spellen woorden uit, herlezen en worden op die wijze bij onszelf bepaald.

Het kan gebeuren dat je niet begrijpt hoe een enkele mens in je bestaan komt, maar dat uitgerekend deze mens je redt van patronen en een leven dat omringd wordt door allerlei ge- en verboden. Of dat je in de stappen die je zet je omgeving zo beïnvloedt dat mensen erdoor groeien. Het aanbreken van het hemelse koninkrijk kan betekenen regelgeving in het licht van nieuwe ontwikkelingen bij te stellen of met losse structuren te werken. Dan neem je deel aan een nieuwe manier van denken en doen die zowel je geestelijke, intellectuele als existentiële honger stilt en wordt Gods rijk hersteld.

Amen

Zondag 24 april 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 24 april 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen, waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes alles uit de kast, of liever, uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar Johannes mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte. De realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in een keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geestoproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het Johannesevangelie is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord “wereld” tegenkomt, dan duidt “wereld” op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, hij deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting. Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door polemiek, noch door identiteiten, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in onszelf, zingt binnen de lichte muziek ook Andra Day met haar Rise Up.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.

Amen

Zondag 20 maart 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 27 maart 2022, Gereformeerde Kerk Dinteloord, zondag 3 april 2022, Protestantse Gemeente Wormerveer & zondag 10 april 2022, Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Exodus 34:27-35 uit de Naardense Bijbel en 1 Korintiërs 13:1-13 uit de Herziene Statenvertaling voor de kerkdienst op zondag 20 maart 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 27 maart 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Dinteloord, voor de kerkdienst op zondag 3 april 2022 om 10.00 uur in de Kerk aan het Noordeinde van de Protestantse Gemeente Wormerveer en uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 10 april 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Het boek Exodus is geschreven tijdens de glansjaren van twee koningen in de tiende eeuw voor Christus. Exodus bevat volksliteratuur, waarin de auteurs met gevoel voor drama tal van gebeurtenissen uitvergroten. De drama-literatuur in Exodus biedt tegenwicht aan de praktijk van het vasten, dat beoogt een mens innerlijk en fysiek te reinigen van gif-en afvalstoffen. Na de uittocht uit Egypte, het land van de afhankelijkheid, waar een mens de eigen vrijheid aan een ander heeft verkocht, de doortocht door de Rode Zee, symbool voor de ‘plaats’ waar een mens geen vaste grond onder de voeten heeft, de beproeving van ervaringen, die een mens bitter kunnen maken, en de strijd tegen de Amalekieten, ofwel, mensen die ons met hun verwachtingen terugdringen in oude rollen waarin we niet kunnen leven, na dat alles is het tijd voor een verheerlijking op een berg. Verheerlijking betekent dat een mens ontvankelijk wordt, zich openstelt voor inzichten van buitenaf.

In het boek Exodus staan zowel het loskomen van patronen die een mens onderdrukken, als het optrekken naar een groots festijn centraal: beide breukmomenten zijn samengevat in de geloofservaring van Israël. De uittocht van het volk Israël kunnen we begrijpen tegen de achtergrond van uitbuiting. Mensen waar ook ter wereld wordt in Exodus de mogelijkheid voor ogen gesteld om pogingen van medemensen tot manipulatie te ontmaskeren en daar geen genoegen mee te nemen door op een plaats te gaan leven waar men wel een humaan bestaan kan opbouwen. Wie buiten de oevers van Exodus treedt, kan zien dat de beweging van een uittocht en een intocht een schema is dat in veel Bijbelse verhalen terugkeert.

Volksliteratuur kan nauwelijks zonder een held. In het boek Exodus is Mozes de held aan wiens geboorte de status van een Hebreeuwse verlosser wordt toegeschreven. Zijn jeugd wordt beschreven en op zijn leidersrol wordt gezinspeeld. Hij is vooral een bemiddelaar, wordt geportretteerd als een intermediair die openbaart wat het verstand niet kan begrijpen. Mozes leefde voor het volk Israël, droeg de last ervan en ontwikkelt een visie op hun welzijn. Hij zal het grote vertrek van een groep geknechte mensen begeleiden, hun uittocht gestalte geven, hen helpen zich los te scheuren uit de tichelbakkerijen van de farao, maar niet, voordat er een theofanie, dat is een manifestatie van een godheid aan een mens, bij de Sinaï heeft plaatsgevonden.

Nadat Mozes veertig dagen op de berg vast, glanst zijn gezicht van licht. De berg staat voor enige plek waar het helemaal stil is en een mens vrij is van plannen, gedachten, zorgen, problemen en moderne slavendrijvers die je opjagen, onderwerpen aan eisen waar je niet aan kunt voldoen. Op de bergtop, hoog verheven, staat Mozes in het midden van zijn leven, houdt de ogen vast gericht op het land dat voor hem ligt. Mozes leeft alleen in de bergen, ver weg van de agitatie van de stad, het tumult op de markt en het spektakel van de cultuur. In de wildernis zorgt hij voor zijn schapen. In de stilte en gereinigd van enige emotie en lichamelijke zorg, wordt Mozes iets duidelijk. In de ‘wetteloosheid’ van de natuur staan hem enkele inzichten helderder voor ogen dan wanneer hij aan de voet van de berg, aan de rand van de samenleving geconfronteerd wordt met mensen die, moe en leeg, vanuit ontevredenheid hun beklag doen. Voor Mozes behelst dat inzicht dat ‘het goddelijke’ naar zijn eigen aard een grens heeft.

Na twee perioden van veertig dagen en nachten gaat Mozes zijn opvatting van het goede uithouwen in een nieuw stel stenen tafelen. Dat is Mozes ten voeten uit: hij schrijft goddelijke karakters in tabletten, geeft vorm aan een ethiek en test zijn ideeën daarover met behulp van de instrumenten in zijn handen. Nu zou iemand kunnen opwerpen dat Mozes er verstandig aan had gedaan een beetje in de pas te lopen met de geschiedenis om te harmoniëren wat hij op de berg van de godskennis had ervaren. Mozes echter is de man met de staf en de beitel: hoeder, leider en ambachtsman die laat zien dat zijn opvattingen over ‘hoe te leven’ en ‘wat te doen’ bewerkelijk zijn. Mozes de kunstenaar en wetgever ineen moet ze kunnen uithakken en met het grootste gemak ook weer kapot kunnen gooien.

Wat Mozes je leert is dat degene die zich intiem associeert met God voorbij moet gaan aan al wat zichtbaar is en geloven dat God daar is waar het begrip of de rede niet toe reikt. In de contemplatie van een transcendente natuur ontving Mozes de goddelijke ordinanties. De weg die Mozes daartoe bewandelt, is die van de zuiverheid van het lichaam besprenkeld met ‘religieus wijwater’. Hij vast.

Mozes doet nog iets meer: voordat hij de berg beklimt, wast hij zijn gewaad. Aangezien kleding bij het maken van een bergtocht of bergbeklimming gauw vuil wordt en een vlek de gang naar God niet belemmert, denk ik niet dat we de term ‘gewaad’ letterlijk moeten opvatten. Het gewaad vertegenwoordigt de uiterlijkheden van het leven waarin een mens zich kan hullen. Met de kleren om het lijf van Mozes worden zijn bezigheden bedoeld die samenhangen met zijn rollen. Wil God aan hem kunnen verschijnen, dan is een voorwaarde dat hij al zijn dagelijkse functies neerlegt. Pas in zijn naaktheid kijkt Mozes niet in een wazige spiegel naar zichzelf in alle ambten die hij bekleedt, maar wordt een scherpomlijnd, betrouwbaar beeld van hem weerkaatst. En dit is het Adamskostuum, de schone lei-conditie, waarin God een mens kan naderen. De mens die vervolgens overschaduwd wordt door Gods geest herstelt het ongebroken karakter van de eigen zijnswijze, wordt als het ware onsterfelijk door de letters, geschreven met een geestelijke pen.

In 1 Korintiërs 13 vers 1 tot 13 gebruikt Paulus het exodusmotief om de beperkingen van het mozaïsche verbond aan te wijzen. Hij doet dat op basis van zijn eigen apostolische ervaring en het is verankerd in zijn autobiografie. Met het oog op het doel om de restricties van de stenen tafelen naar voren te brengen, refereert Paulus aan de straling van Mozes’ huid. Mozes neemt een lichtverschijning waar, doet een ervaring van verblinding op, op het ogenblik dat God hem passeert. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Mozes de plaats zag waar God zich eerder bevond. In het voorbijgaan ontstaat er een flikkering die onzichtbaar, ontoegankelijk is voor de mens die God recht in het gezicht wil kijken. Dat Mozes zijn gezicht met een sluierdoek moest bedekken en er een gloed op zijn gezicht verschijnt, wil zeggen dat hij in de toepassing van de wet vaak een oogje moet dichtknijpen.

De stenen platen zijn gemaakt van aardse materie en Mozes kon ze als een document doorsturen naar ‘de Ene’ die er zijn stempel op zou achterlaten. Een mens echter, kan de wet in letters van steen bij zich dragen, dat wil nog niet zeggen dat zij of hij begrepen heeft wat genade kan betekenen. Gratie, kwijtschelding, vergeving of volledige absolutie in het toepassen van de wet is een act waarin verbittering kan omslaan in zachtmoedigheid. De tafelen waarin Mozes de wet uitbikte waren van steen. Zonder liefde echter heeft geen enkele wet enige waarde: liefde is de conditie waaronder een wet kan gedijen. Liefde is voor Paulus als een uit te voeren opdracht en einddoel. Met het concreet beoefenen van de liefde tijdens het eigen leven laat de liefhebber de wet in Godwaartse richting opgaan.

Wat je van de apostel Paulus leert is dat in het geval van de liefde er slechts één grens is, en dat is, dat er aan liefde geen grens zit. Het goede, deugd heeft een limiet in zichzelf. Goed doen houdt een keer op, maar liefde wordt niet afgebakend door beperkingen. De apostel leert je een begrip van het ‘perfecte’ leven voor de mens. Het pad van de liefde is een voortreffelijke weg die niet begaanbaar is zonder gratie en daadkracht. Wie haar praktiseert maakt wat gebroken is heel en kan een nieuw perspectief bieden op mensenlevens.

Amen

Zondag 20 februari 2022, Gereformeerde Kerk ’s Gravenmoer, zondag 27 februari 2022, Bethlehemkerk Scharendijke en Pauluskerk Lisse, zondag 6 maart 2022, Vredeskerk Den Helder & zondag 13 maart 2022, Gereformeerde Kerk Woubrugge

Preek naar aanleiding van Genesis 12:10-13:11 en Filippenzen 2:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 20 februari 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te ’s Gravenmoer, op zondag 27 februari 2022 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk te Scharendijke van de Protestantse Gemeente Schouwen aan Zee en om 19.00 uur in de Pauluskerk te Lisse van de Protestantse Gemeente Lisse, op zondag 6 maart 2022 om 10.00 uur in de Vredeskerk te Den Helder en op zondag 13 maart 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge

Gemeente,

In de filosofie, de retorica en theorievorming over gespreksvoering is een ‘regel’ terug te vinden die lezer(e)s(sen) en sprekers kan helpen bij het interpreteren van een tekst of gesproken taal. Ik doel op het ‘liefdadigheidsprincipe’, waarbij je de statements van een spreker voor redelijk houdt en die je in de interpretatie ervan op hun best neemt en in geval van een argumentatie op hun sterkst ‘leest’. De interpreet weerspreekt een statement niet, gaat er niet over in discussie, valt het niet af, maar probeert het statement allereerst zo duidelijk mogelijk voor het voetlicht te brengen en bij te vallen. Op die liefdadige wijze gaan we ook de perikoop uit Genesis benaderen.

Hoofdstuk 12 van het boek Genesis begint met een familieportret, dat antwoord geeft op vragen van joodse kinderen naar hun specifieke voorgeslacht en meer in het algemeen op vragen naar de komaf van de mens, hoe zij is ontstaan en uitgegroeid tot een familie, stam, volk en mensheid. Voor de beschrijving van dat ontstaans- en groeiproces hadden de auteurs een oud en gewaardeerd mythologisch verslag in hun tekst verweven dat de status zou krijgen van een geliefd volksverhaal, waarin de algemene inzichten werden verwoord over menselijk gedrag in relatie tot God en diens vermeende bedoelingen met mens en wereld.

Abram doet een poging zijn toekomst veilig te stellen en illustreert in zijn handelwijze de tweeledige structuur van het mens-zijn. De Abramitische mens is een nomade die leeft in het heden, met z’n opgeslagen tent als bestaanszekerheid, en beweegt zich al reizende naar een toekomst die hij zelf al wel voorzien had, maar waarvan hij niet wist hoe die uit ging pakken. Sarai en Abram hebben de zegen ontvangen en zijn als aartsmoeder en aartsvader op weg naar een onbekend land, waar een vreemde koning de scepter zwaait. Abram heeft keuzes gemaakt, een onderneming in gang gezet, goedkeuring gekregen voor zijn ‘bedrijfsplan’ en gaat nu alles in het werk stellen om dat te realiseren. Hij gaat de zegen ‘uitwerken’, probeert de slagingskans ervan te vergroten. Het diepe vertrouwen waarmee hij zijn levensweg aanving en de stadia waarmee hij zijn leven doorliep, komen, nu hij met een andere cultuur kennismaakt, op losse schroeven te staan.

Oog in oog met andere denkwijzen en gebruiken is Abram uit z’n ‘comfortzone’ en gelooft hij niet meer zo rotsvast in de voorspoed die hem is toegezegd. In een act van ongeloof, een proeve van zwakheid wordt hij als door een tegenlicht verblind en brengt Sarai’s leven in gevaar. De patriarch van het Oude Testament wordt een bange man en in die angst neemt hij voorzorgsmaatregelen en is hij uit op eigen voordeel om zijn toekomst veilig te stellen.

Als je vanuit de 21e eeuw naar de schets van Abrams handelen kijkt, dan kan dat heel vanzelfsprekend en herkenbaar lijken. Op tal van terreinen – ik denk aan de psychologie, de hulpverlening en de levenskunst – wordt de gedachte van zelfcontrole gepromoot. Allerlei adviezen, initiatieven en interventies zijn erop gericht te stimuleren dat een mens ‘bewust’ leeft, zelf vorm geeft aan het leven, ‘erbij is’, zodat je eigen leven je niet door de vingers glipt. Die moderne westerse waarden van zelfaffirmatie en autonomie waren de gelovige, waar Abram model voor stond, in beginsel vreemd. Als er een boodschap is die dit verhaal wil uittekenen, dan is het het contrast tussen geloof en ongeloof of liever wat het betekent te geloven. Met een leugentje om bestwil wil Abram de kloof dichten tussen de tegenstellingen in het bestaan namelijk, die tussen leven en dood, de feminiene en masculiene kant van de mens, welvaart en tegenslag. Abram wil die tegenstellingen graag voor zijn.

Het gat tussen die polen echter, is precies het gat waarin de gelovige mag staan en waarin zij of hij het moet hebben van geloof. Als het een mens, zoals Abram in het verhaal, ontbreekt aan geloof kan zij in een soort paniekreactie allerlei uitspraken doen en activiteiten ondernemen om een verschil zo dicht te timmeren dat er niets meer kan doorkieren. Het idee van ‘alles onder controle hebben’, zou een gelovige Hebreeër doorgeslagen vinden, omdat een mens dan geen openingen meer biedt die vragen om een houding van geloof. In dit verband is er een belangrijk woordpaar dat het hele Oude Testament doortrekt en dat ook bepalend is voor het godsbeeld en het mensbeeld in onze tekst namelijk, dat van chesed en emed.

Het woord chesed betekent ‘genade’ of ‘bestendige liefde’ en duidt op stabiliteit en de verbondstrouw tussen mens en God. Emed staat voor waarheid. Zij vormen twee kanten van dezelfde medaille: het zijn eigenschappen die aan God worden toegekend en die moeten voorkomen dat de mens in een levenshouding van ongeloof haar of zijn toekomst zeker wil stellen.

Want, die toekomst zeker willen stellen, volstaat dat om als mens te leven? Een Jood zou die vraag negatief hebben beantwoord vanuit de overtuiging dat een mens een niet al te gevestigd bestaan leidt. Hij leeft van weinig, bouwt geen complete koninkrijken, staat klaar om zijn tent vandaag nog af te breken en weer verder te reizen. De gelovige jood verlaat zich op een oerintuïtie en leeft los. Je ziet die instelling terugkeren in de Joodse levensstijl die een antipathie heeft ten aanzien van ‘bewaren en oppotten’ en die leeg wil maken en ruimte scheppen. Ik denk in het bijzonder aan het vieren van Pesach, het Joodse paasfeest, dat symbool staat voor ‘het ongerezen, ongegiste leven’. Chesed en emed staan garant voor ‘een juist midden’, waarin je het als gelovige uithoudt met het streven naar autonomie, hartstochten die soms moeilijk te beheersen zijn, grenzen waar een gelovige tegenaan kan lopen en het voeren van competitie in haar verhouding tot de medemens.

Voor Abram hield geloof in dat hij niet kon terugvallen op eigen slimheid en zich ‘in den vreemde’ over diende te geven aan andermans leiding. Abram zal ‘de kunst van het loslaten’ uiteindelijk leren en Sarai door zijn vermetelheid toch niet tot een lotgeval maken. Want als hij op een tweesprong staat en groot profijt kan hebben door zelf het voortouw te nemen en zich als eerste een stuk land toe te eigenen, laat hij zijn eigen belangen varen. Lot als eerste te laten kiezen en hem voor te laten gaan kun je als een daad van geloof lezen. Nu Lot een rijke en vruchtbare vlakte uitzoekt, blijft voor Abram de westelijke helft van Palestina over: een bergrug en een zeekust. Later worden de verhoudingen weer omgedraaid. Lots toekomst ziet er veel minder rooskleurig uit dan op het eerste gezicht leek. Zijn eerste keus wordt in twijfel getrokken.

Het thema of liever ‘de religieuze moraal’ die in de eerste tekst centraal staat en ook doorklinkt in de brief van Paulus, is dat wie zich gelovig verhoudt tot een nieuwe werkelijkheid soms een stapje terug mag doen. De gemeente waartoe Paulus zich in de brief aan de Filippenzen richt, heeft een andere ordening dan de joodse geloofsgemeenschap en heeft daarom Paulus’ aansporingen nodig om de verhoudingen binnen de gemeente te herstellen. De brief is een proeve van gemeenteopbouw. De verhoudingen in Filippi waren scheefgegroeid, doordat te vaak een kleine kern het voortouw nam en bepaalde mensen niet uit de verf kwamen. Christus is voor Paulus het prototype van de ideale mens, zijn favoriete voorbeeld en rolmodel voor het mens-zijn. Die mens is een paspop waarnaar Paulus de gemeente modelleert en haar gewaad passend maakt. Hij beschrijft houdingen die deze godmens aanneemt, die in dienst staan van herstel. Een voorbeeld van een dergelijke houding is afstand te nemen van ‘succes’ en de weigering om van gunstige resultaten te profiteren. En in die act is een mens bijna goddelijk. Mens-zijn? Dan groots!

Paulus is zo in de wolken van die meesterlijke zet, dat hij haar bezingt in een christologische hymne die in twee coupletten uiteenvalt. In het eerste couplet heft hij een loflied aan op de ontlediging. Je ontdoet je van jezelf, doet afstand van invloed, bent afwezig, geeft iets op en dan kun je ‘werelds gezien’ flink omlaag kelderen. Dieper kun je soms niet zinken en lijkt alles voor je verloren. Een existentieel nulpunt is bereikt. En dan komt ‘hemels gesproken’ het tweede couplet: de verhoging. Want lang zal de mens leven in de gloria. Dit is precies de zet waardoor de mens op de religieuze ranglijst met stip stijgt naar nummer één.

De ideale mens is er voor Paulus één die de eigenschap en deugd van het opgeven van het eigen streven in praktijk brengt. Die mens verkrijgt een goddelijke status en beantwoordt aan haar twee naturen. Het is een neergaande en opgaande beweging, waarin een mens die haar of zijn eigen belangen goed kent en zichzelf weet te verkopen zich kan oefenen, om op die wijze ruimte te creëren voor een ander.

Amen

Zondag 16 januari 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 30 januari 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 6 februari 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 januari 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 30 januari 2022 om 9.00 uur in de Johanneskerk van het Open Pastoraat Gorinchem en op zondag 6 februari 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging of stichting verbonden. Zo ook aan Nieuwkoop. Het Historisch Genootschap Nieuwkoop, dat in 1987 werd opgericht, stelt zich ten doel belangstelling voor de geschiedenis van de drie kernen van de gemeente Nieuwkoop, dat zijn Nieuwkoop, Noorden en Woerdense Verlaat, te bevorderen. Het genootschap probeert dat doel te bereiken door historisch-culturele voorwerpen en documenten tentoon te stellen, alsook karakteristieke gebouwen, monumenten en dorpsgezichten te behouden. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘het historisch genootschap’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Het vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is. 

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een zingevingstaal, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies, doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve één die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, er het eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van de auteur van het Lucasevangelie heeft een mens die zichzelf wil zijn het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en houden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen. Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral één die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen, om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, autonomie laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.   

Amen                                       

Zondag 26 december 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 2 januari 2022, Pauluskerk Breukelen

Preek naar aanleiding van Lucas 2:1-20 en Johannes 1:1-18 uit de Naardense Bijbel voor de viering van kerst op zondag 26 december 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk te Soesterberg en voor de viering van Nieuwjaar op zondag 2 januari 2022 om 10.00 uur in de Pauluskerk te Breukelen

Gemeente,

Het Romeinse Rijk kende jaren van vrede, waardoor keizer Augustus door tijdgenoten wel als bovenmatig ontzagwekkend werd gezien. We kunnen ons afvragen hoe politici, waaronder keizers en presidenten, aan de macht komen en vooral wat onze inschatting is van de gevolgen die hun machtsuitoefening zal hebben. Als we van tevoren de gevolgen van de heerschappij van Caesar, Hitler of Trump hadden ingeschat, hadden we dan voorkomen dat ze aan de macht zouden komen? Hebben we kennis van geschiedenissen niet nodig om patronen te herkennen en in het heden, met het oog op de toekomst, in te grijpen, als we kunnen voorspellen dat een herhaling van bijvoorbeeld een bepaald soort macht negatieve gevolgen heeft? De auteur van het Lucasevangelie, een evangelist, vindt van wel. Hij heeft weinig op met de verering van keizer Augustus, verafgoding haast, acht hem wreed in zijn optreden, hekelt de manier waarop hij met de wet omgaat, en er was dan wel vrede in het Romeinse Rijk, maar de zorg van deze auteur was een ander soort vrede in het Romeinse Rijk en mogelijk elders.

Als correctie op keizer Augustus laat de evangelist een mens geboren worden die staat voor zijn ideaaltype van een ander soort vrede. Jezus van Nazareth wordt niet in een Romeinse context geboren, maar in een joodse context, met zorgen werd hij omringd. Geen enkele vredestichter of vrijheidsdenker is op een andere manier begonnen. De onrust en de uiteindelijke vrede die Jezus als voorbeeld van de messiaanse mens, die u en ik ook kunnen zijn, zal stichten, geschiedt niet langs politieke, laat staan militaire weg, maar via bevraging, problematisering en afzwakking van harde structuren en overtuigingen.

Lucas houdt van het kleine, van spontaniteit, ongekunsteldheid, ongedwongen gevoelsuitingen, gebeurtenissen die onvoorbedacht geschieden, van op basis van eigen intuïtie handelen, dat zonder nadere overweging tot uiting komt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het verschil tussen het edict van keizer Augustus in Lucas 2 vers 1 en de aankondiging aan de herders, die vanuit een andere grondhouding wordt gedaan en daarmee verschillende sferen en effecten creëert. Het verschil tussen het afkondigen van een edict, het voorschrijven van rechtsregels in de vorm van een wet als onderdeel van het recht door een hoogwaardigheidsbekleder die vrees inboezemt enerzijds, en het brengen van goed nieuws dat een individu verlicht en vreugde schept aan een gemeenschap anderzijds, past in de lijn van het Nieuwe Testament om harde structuren af te zwakken.

In de context van Rome waarin keizer Augustus als een alleenheerser aan de macht was gekomen door geleidelijk diverse republikeinse magistraten te overrulen, waardoor hij macht over het Romeinse Rijk kreeg, projecteert Lucas zijn verrijzenisgeloof op het leven van Jezus door de geboorte van Jezus te zien als de manifestatie van een rijk van vrede en vrijheid op aarde. Als je jouw interpretatie van iemands leven wilt geven, waar kun je dan beter beginnen dan bij de aanvang ervan? Ook Lucas begint zijn biografie van Jezus in zijn evangelie bij de geboorte om uiteindelijk zijn interpretatie van Jezus’ leven te vertolken dat er een kind werd geboren die destijds voor mens en wereld een nieuwe tijd met andere denkbeelden, uitgangspunten en omgangsvormen voorstond dan de hiërarchisch geordende, wettische en wrede wereld van keizer Augustus. Wij lezen dus een bewust kinderachtig verhaal, een kindertijdverhaal, omdat Lucas zijn interpretatie van de identiteit van een persoon wil laten zien. Die interpretatie, waarin hij getuigt van iemands oorsprong en aard, is zijn subjectieve waarheid over Jezus.

Niet zonder reden laat Lucas Jezus in de nacht geboren worden. Hij ontleent het beeld van de nacht aan de Oudheid, waarin men dacht dat duisternis en niet-bestaan door het licht als levensprincipe werd verjaagd. Echter, terwijl deze strijd tussen licht en duisternis in de Oudheid vooral als een kosmisch treffen werd gezien, heeft deze strijd bij Lucas vooral een ethische betekenis. In dit kindheidsverhaal speelt Jezus de rol van degene die vormen van onderdrukking, vrees en knellende banden van de lokale bevolking binnen het imperium van keizer Augustus verbreekt. Stelt u zich voor, dat u lijdt onder een bepaalde regering en er zou een jongmens in de politieke arena verschijnen die deze regering ten val zou brengen en daarmee een einde zou maken aan uw lijden. O nacht dat deze mens komt! Terwijl de institutionele religie van die tijd haar vraagtekens plaatste bij de identiteit van Jezus van Nazareth, aangezien hij een vluchteling was die uitweek naar een herberg in een voor zijn ouders vreemd land, projecteerden velen hun wensgedachten op dit kind en herkenden in hem een messiaanse figuur. Bevrijder zou hij zijn van hun benauwdheid, helper van wie het niet langer op eigen kracht kon redden. In tijden van politiek kwaad was hun hoop op hem gevestigd.

Wanneer we vervolgens kijken naar de reacties van mensen op de geboorte van Jezus van Nazareth, dan valt op dat Lucas als didacticus en pedagoog drie typen beschrijft waartoe toehoorders en lezers zich konden verhouden, bijvoorbeeld door zich er al dan niet mee te identificeren. Het optreden van de herders illustreert het onmiddellijke, niet bereflecteerde geloof, waar Lucas een voorkeur voor heeft. Spontaniteit, niet lang nadenken bij hoe je reageert en wat je doet, laat staan te lang, ad rem antwoorden, daar is Lucas als pragmatisch arts van gecharmeerd. Maria delibereert over hetgeen zij ervaren en gehoord heeft, waarmee zij de reflexieve, gelovige mens uitbeeldt die vragen stelt, afwegingen maakt, analyseert, een situatie vanuit verschillende perspectieven bekijkt en evalueert. De meditatieve wijze waarop Maria met het nieuws van Jezus’ geboorte omgaat, is anders dan de wijze waarop de herders met dit nieuws omgaan. Zij aarzelen geen moment om het nieuws direct te gaan verspreiden. “Hej ’t al heurd?” De omstanders horen het geboortenieuws en reageren verrast, omdat voor hen deze gebeurtenis heel onverwachts komt. Zij spelen de rol van mensen die niet met of vanuit een specifieke verwachting leven, dat een tijd die door velen wordt ervaren als een van onheil op een dag wordt doorbroken door een persoon die een andere samenleving, een ander beleid, andere denkbeelden voorstaat. Oh, epifanie!

Kerst staat traditioneel voor de viering van de geboorte van Jezus van Nazareth. In plaats van deze geboorte te zien als een historische gebeurtenis die een enkeling betreft, zou je kerst ook kunnen zien als de viering van de nacht waarop jouw leven begint. In Johannes 1 vers 1 tot 18 vind je aanzetten voor momenten waarop dat eigen, echte leven aanvangt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen leven en dood. In het Johannesevangelie betekent leven een motiverende, transformerende kracht die je in staat stelt te doen wat je wilt doen. Dood heeft vooral de betekenis van verwijzen naar wetgeving, verboden instellen en voorschriften bedenken om te bepalen wat mensen moeten doen. Voor Johannes begint je leven pas wanneer je buiten de chronologische tijd geraakt door creatief op te treden binnen de chronologische tijd, op momenten waarop je je bronnen van leven aanspreekt, een voortdurende bereidheid cultiveert die aarzelingen, onzekerheden, twijfels, bezwaren en tegenargumenten ondervangt, waardoor je identiteit vorm krijgt. Leven vanuit wensen en niet vanuit plichten kunnen een levendigheid in een mensenleven brengen die zij die haar ervaren de irrelevantie van de dood doen inzien. In het Johannesevangelie spreekt de evangelist van een nieuwe geboorte van hen die dit perspectief aanvaarden. Kerst kan dus ook gaan over ieders vermogen weer een beetje als een kind te worden door vanuit geest als vertrekpunt te leven. Dan is er volheid van zijn. Alsof je zelf in een kribbe, wiegje ligt en opnieuw ter wereld komt. Oh dag, waarop jijzelf geboren wordt!

Volgens Johannes kunnen de effecten van de eigen transformatie niet uitblijven. Zelftransformatie, verandering heeft invloed op de taal die iemand spreekt en de handelingen die iemand verricht en nalaat. Een persoon die zich tot een andere, nieuwe, levenwekkende, persoonlijke levensoriëntatie richt, zal woorden spreken die getuigen van welwillendheid, compassie, mildheid, ongeveinsdheid en vrijgevigheid. De stem van Jezus van Nazareth die leven vanuit de eigen wensen verkoos boven leven door van buitenaf opgelegde voorschriften die zelfbevreemdend werken, is van een andere orde dan de dicterende, bevelende stem van keizer Augustus. Moge uw denken, wijsheid, geweten, geloof en geest leidend zijn voor uw leven, zoals dat tot uiting kan komen in de ideeën waar uw uitspraken van getuigen, de inzichten die u heeft opgedaan en ontwikkeld, opdat u zich niet laat beïnvloeden door de keizer Augustussen van onze tijd. Dan komen uw hemel en hymne bij elkaar. Oh nacht, dat uzelf geboren wordt!          

Amen    

Zondag 7 november 2021, De Hoeksteen Benthuizen, zondag 14 november 2021, Protestantse Kerk Limmen, zondag 21 november 2021, De Rank Katwijk, zondag 5 december 2021 Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 12 december 2021, Eben-Haëzerkerk Pernis & zondag 19 december 2021, De Morgenster Papendrecht

Preek naar aanleiding van Johannes 6:27-35 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 7 november 2021 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Hoeksteen te Benthuizen, op zondag 14 november 2021 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente te Limmen, op zondag 21 november 2021 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente De Rank te Katwijk, op zondag 5 december 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, op zondag 12 december 2021 om 9.30 uur in de Eben-Haëzerkerk van de Gereformeerde Kerk te Pernis en op zondag 19 december 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk De Morgenster te Papendrecht

Gemeente,

In het boek The singularity is near uit 2005 voorspelt de Amerikaanse artificial intelligence-expert Ray Kurzweil, dat we rond 2040 onsterfelijk zullen zijn geworden. Enige tijd later zal volgens hem de snelheid van technologische ontwikkeling de oneindigheid bereiken. Onsterfelijkheid en oneindigheid zijn twee begrippen die we ook in bijbelse teksten tegenkomen. Alle mensen zijn sterfelijk en wie bijvoorbeeld niet met dit feit kan leven, zou kunnen wensen onsterfelijk te worden en daarmee oneindig te leven. De dood en de nacht zullen niet meer zijn. Oneindigheid, in het Grieks ápeiron en in het Latijn infinitum, betekent zoveel als het grenzeloze, het onvoorstelbaar grote, dat wat zeer ver weg is of het Jenseitige. Oneindigheid als begrip tegenover het eindige, begrensde leven kun je denken als staande voor een totale potentialiteit en grenzeloze bestaansvolheid, waaruit het eindige in zijn concrete, actuele veelheid ontstaat. Door oneindigheid in een duidelijke betrekking of relatie te brengen, zou je oneindigheid tot een echt deel van jezelf kunnen maken.

In het Nieuwe Testament komen verwijzingen voor naar eeuwigheid, zoals in het Johannesevangelie, in Openbaring en in de eerste Johannes-brief. Eeuwigheid, en dat is het punt dat ik wil maken, is in deze contexten van het Nieuwe Testament geen oneindigheid. Sterker nog, het nieuwtestamentische begrip eeuwigheid lijkt een kritisch correctief te zijn op zowel het Griekse begrip oneindigheid als op het bijbels Hebreeuwse begrip olam, dat te vertalen is als onafgebrokenheid, haltloosheid, voortdurende beweging of stroming. In de omringende hellenistische wereld en in gesprek met veelal leidinggevende vertegenwoordigers van oudtestamentische denkbeelden over tijd en zijn, komt in het Johannesevangelie een nieuw begrip naar voren, dat de auteur in een eigen sfeer inbedt en met een meer subjectieve denktrant gepaard laat gaan. Eeuwigheid fungeert hier niet als een abstract begrip voor een eindeloze tijd. Eeuwigheid vormt veeleer een samenvoeging van twee ongelijksoortige zaken, namelijk het fysieke en het metafysische, zodat er een nieuwe kwaliteit ontstaat, in dit geval eeuwigheid.

De Jezus die wij in het Johannesevangelie leren kennen, is de spreekbuis van Johannes’ hoofdidee: het eeuwige leven. Met dit idee onderscheidt Johannes zich van de andere nieuwtestamentische evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas, aangezien zij Jezus vooral portretteren als de verkondiger van het idee dat het rijk van God spoedig zou aanvangen. De eeuwigheid waarvan in het Johannesevangelie wordt gesproken, staat voor de intensiteit van leven, die juist kan ontstaan door van een afstand naar het leven te kijken, en naar wat daarin een rol kan spelen. De aaneenschakeling van deze momenten van intens leven resulteert in een continuïteit die in het Nieuwe Testament eeuwig leven wordt genoemd.

De sleutel tot eeuwigheid, het eeuwige leven of leven in de eeuwigheid is een houding van geloof. Met geloof doel ik niet op inhouden, beweringen, uitspraken van bijvoorbeeld religieuze, metafysische aard, maar op een affirmatieve houding, waarin je via je reacties positief gedrag, gebeurtenissen en processen bevestigt. Je geeft je over aan opbouwende initiatieven en interventies die andere mensen plegen, zegt ja tegen gebeurtenissen, beweegt mee in processen en stemt in met besluitvorming. Deze houdingen van geloof, acten zijn het eigenlijk, kunnen in de tijdservaring zowel voor een vertraging als voor een versnelling zorgen. In de overgave aan het andere, dat wat jij niet hebt gewild, bedacht, gedaan en geoordeeld, speelt de tijd geen rol meer.

Geloof opgevat als een grondhouding van ja zeggen tegen wie of wat zich aandient, is een verlenging, een verrijking van levensduur in de zin van zinvolheid. Door geloof kun je op die manier deelnemen aan de eeuwigheid, aan eeuwig leven hier en nu. Eeuwigheid is in deze interpretatie geen chronologisch begrip, dat zich rekenkundig laat ordenen in een tijdsvolgorde, waardoor we kunnen rekenen met een verloop van tijd. In nieuwtestamentisch perspectief is eeuwigheid geen kwantitatief begrip, maar een kwalitatief begrip. Eeuwigheid staat voor de gelegenheid, het juiste moment om veel in, van, voor en met jezelf na te laten en verwachtingsvol, spannend haast, ruimte te creëren om te zien wat er gebeurt en jezelf daarin te laten meenemen, mee te gaan met wat er van de andere kant op je toekomt, mits het constructief is.

Doordat eeuwigheid in het Johannesevangelie een kwalitatief begrip is, een levenskwaliteit aanduidt, die wordt gekenmerkt door de ervaring van zinvolheid, kan ‘Johannes’ een onderscheid maken ten aanzien van hetgeen onderhevig is aan vergankelijkheid, aan eindigheid. Hij geeft voorbeelden van concrete zaken die ons tijdelijk voeden en die wij behoeven om in leven te blijven. Echter, ze bevredigen en verzadigen kortdurend, zijn van voorbijgaande aard en vragen om herhaling. Deze ondergrens of minimale vorm van bestaan wordt door ‘Johannes’ in bijvoorbeeld Johannes 6 vers 35 onder kritiek gesteld. Zijn grotere bezwaar is echter, dat ze ons weliswaar onderhouden, maar niet echt leven geven, niet waarlijk doen leven, zo niet doen ópleven. In het Johannesevangelie is een lage waardering te vinden voor kortstondige zaken. De geestelijke zaken, dat wil zeggen die acten van onze geest die intens en langdurig tegemoet komen aan onze existentiële, intellectuele en psychische verlangens, is wat in het Johannesevangelie hoog wordt gewaardeerd.

Uitgerekend de ervaringen van lijden, een gebrek aan motivatie en inspiratie, tegenslag en blijvend verlies, rouw en het begeleiden van stervenden in de pastorale praktijk hadden bij Johannes vragen over zingeving, spiritualiteit en ethische afwegingen opgeroepen en in hem een gerichtheid gewekt op dat wat onvergankelijk is, op dat wat niet voorbij gaat. Die gerichtheid zou zijn sporen nalaten in zijn evangelie. Het zou ook het motief worden voor de boodschap die in het Johannesevangelie te lezen is, namelijk dat de christenen voor wie Johannes schreef, zich in hun leven zouden richten op de dingen die ertoe deden, die bestendig zijn, eeuwigheidswaarde hadden.

Teruggrijpend naar het begin van de preek, als God een woord is voor de aaneenschakeling van momenten waarop wij intens, dat wil zeggen krachtig, diepgevoeld, aandachtig en met zorg leven, welhaast op zo’n manier dat nauwelijks iets ons ontgaat, dan kunnen we ervaren dat er in subjectieve, psychologische zin geen tijd meer is aan de hand waarvan we gebeurtenissen ordenen. Van dit kwaliteitsmoment dat Johannes het eeuwige in een mensenleven noemt, dacht hij, dat de pastoranten in zijn gemeente veelal op zoek waren, omdat ze pas dan voelden, dat ze volop leefden en gelukkig waren. Een oude manier waarop zij de wereld hadden leren kennen, ging dan voorbij, de wereld toonde zich opnieuw aan hen. De ervaring van het eeuwige vond veelal abrupt plaats, gebeurde plotsklaps, voor ze er erg in hadden, en zonder erop bedacht te zijn, vaak wanneer zij zichzelf vergaten en in verwondering en enthousiasme door wat zich in de buitenwereld bevond, werden meegenomen.

De zelfvergetelheid of het verlies van zelfbewustzijn als mogelijkheidsvoorwaarde voor het intreden van het eeuwige, als een ervaringsgebeurtenis in onze geest, lijkt haaks te staan op de geest van de tijd waarin wij leven. Naar aanleiding van de moderniteit met haar nadruk op autonomie en het belang van individuele subjectiviteit, zelfcreatie als kenmerk van de postmoderniteit en hedendaagse vertogen over zelfregie en eigen verantwoordelijkheid alsook de cultuur van self-branding als antwoord op nihilisme, kunnen we ons afvragen of het begrip van het eeuwige zoals we dat in het Johannesevangelie aantreffen, ons nog iets te zeggen heeft. Of wij zullen leven alsof we voor eeuwig leven, zal afhangen van de bewegingen die we op de plaats waar we ons bevinden in onze geest maken. Dan kunnen nieuwe inzichten vorm krijgen, komen we boven de tijd te staan, en worden we door elkaar verlicht.

Amen

Zondag 3 oktober 2021, Hervormde Kerk Rhenoy

Preek naar aanleiding van Genesis 37:5-10 en Handelingen 2:17-21 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 3 oktober 2021 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk Rhenoy van de Protestantse Gemeente Rhenoy-Gellicum

Gemeente,

Genesis 37 bevat de zogeheten Jozef-cyclus, die een mythologische verhaallijn neerzet, die begint met de dromen van Jozef, vervolgens de effecten van zijn dromen op zowel hemzelf als zijn omgeving beschrijft en eindigt met het leven van Jozef in waaktoestand. De verhaallijn staat in de context van bijbelse geschiedschrijving waarin gebeurtenissen vanuit een houding van geloof als heilzaam worden gezien. In het verleden is de tekst Genesis 37:5-10 wel uitgelegd als een heldenverhaal, waarbij de auteurs en tekstgebruikers uit leeskringen binnen de Semitische onderklasse Jozef, de elfde zoon van Jakob, uiteindelijk als een invloedrijke figuur en machthebber in Egypte afficheren. Daarmee construeren zij voor zichzelf, hun lezers en toehoorders een rolmodel, een persoonlijkheid die een voorbeeldfunctie vervult, waarmee zij zich kunnen identificeren.

Kunstenaars, goeroes, actrices, verzetshelden, politici en heersers kunnen de functie van rolmodel vervullen door de creaties die ze maken, door het aanspreken van mensen op hun transcendente vermogens, door de schoonheid en acteerprestaties die ze leveren, door hun geestelijke weerbaarheid en moed om tegen verordeningen in te gaan en door kundig te besturen. De mensen uit de Semitische onderklasse ambieerden het meeste invloed uit te oefenen. Wat echter in de werkelijkheid nog niet het geval is, kan via dromen worden ervaren als iets dat werkelijkheid kan worden. De machtsdromen en de uiteindelijk leidinggevende positie van Jozef geven uitdrukking aan het verlangen van de Semitische onderklasse om mee te regeren in een ondemocratisch politiek bestel. De figuur van Jozef representeert een bestuursvorm waarbij de Semitische onderklasse zich kan uitspreken en waarmee zij een democratisch beginsel uitdraagt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het gegeven, dat er nooit iets rechtstreeks aan Jozef wordt geopenbaard, maar de auteurs Jozef in de slaap gedachten laten hebben over wat zij heel graag willen en waarvoor zij in de werkelijkheid niet durfden uitkomen.

In de bijbelse literatuur spelen dromen bij  verschillende bijbelse en historische personen een rol, zoals bij Jakob, Daniël, Jozef en Paulus. Wat zijn dromen eigenlijk? Hoe kunnen we naar dromen kijken? Hoe moeten we ze, indien al, duiden? Zijn dromen misschien enkel herhalingen van herinneringen? Waarom dromen we? Heeft droomgedrag een doel? En wanneer we dromen of een verwijzing naar dromen in bijbelse teksten tegenkomen, wat kunnen we daar dan uit afleiden?

Dromen zijn ficties, fantastische beelden die tijdens de slaap in de neurale netwerken van ons lichaam ontstaan. Ze zijn hallucinatoir in de zin dat ze verdraaide concepten en percepties bevatten, die tendentieus of onrealistisch zijn. Dromen zijn ook narratief, in de zin dat het fabuleuze versies zijn van de gebeurtenissen die we in het echte leven kunnen tegenkomen, maar dan weergegeven als op een andere manier verbonden. In een droom kunnen we combinaties en patronen creëren, die we nog niet eerder hebben gemaakt. Dromen lijken vooral een manier om ons functioneren in het wakende leven te verbeteren. Wellicht dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot het irreële in ons wakkere leven. Het fenomeen van de droom is een geschikt experiment voor toekomstig gedrag, omdat je in de droom indirect en risicoloos verlangens en gedrag kunt uitproberen. Dromen zijn daarmee een manier waarop we onszelf nieuw gedrag kunnen aanleren, zonder de eventueel schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden.

We zijn tijdens het dromen niet alleen in staat om over de toekomst te fantaseren, maar kunnen ook gebeurtenissen creëren die niet zijn gebeurd. Ten tijde van de samenstelling van het boek Genesis huldigden de auteurs de opvatting dat men aan de hand van dromen de toekomst kon kennen. Dromen zouden op de non-fictieve-werkelijkheid vooruitlopen. Vele eeuwen later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, werden dromen, zoals u vast weet, door de psychoanalyticus Sigmund Freud heel associatief uitgelegd, door dromen te zien als deel van onze psychoseksuele ontwikkeling. Hij betoogde, dat dromen een uitdrukking zijn van onderdrukte verlangens die het gevolg zijn van traumatische ervaringen in het vroege leven. Veel van zijn ideeën zijn in diskrediet gebracht en vandaag de dag wordt binnen de studie van dromen, de zogeheten oneirologie, vooral gekeken naar de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan dromen. Lange tijd is nog gedacht dat dromen het gevolg zouden zijn van externe factoren, zoals het contact tussen ledematen en fysieke voorwerpen tijdens de slaap. De visie op dromen als voorkennis van de toekomst, de Freudiaanse opvatting van dromen en de zienswijze dat dromen het resultaat zijn van de aanraking van het menselijke lichaam met een fysiek voorwerp zijn drie traditionele visies op de interpretatie van dromen.

Vandaag de dag wordt eerder naar dromen gekeken als unieke fysiologische staten, waarin activiteiten die lijken op activiteiten die wij waarnemen als we wakker zijn, worden gefingeerd, terwijl gedrag inactief is gemaakt door chemische systemen die verlamming tijdens de slaap veroorzaken. Dromen zijn oefenplaatsen voor het leren van een nieuwe, moeilijke taak, om deze vervolgens uit te voeren als we niet slapen. Een nieuwe taak leren, zoals in het geval van Jozef leidinggeven, is dan niet vergelijkbaar met het opslaan van herinneringen op een computer, maar behelst het scherpstellen en verfijnen van een enorm, gelaagd netwerk van verbindingen die gebaseerd zijn op een beperkte serie voorbeeldgegevens, een oefen dataset.

Naast het benaderen van de droom als een veilige manier om nieuwe, complexe vaardigheden aan te leren, is er nog een aspect van waaruit we naar het droomgedrag van Jozef kunnen kijken. Iemand die een nieuwe vaardigheid leert, kan het gevaar lopen zo goed te worden in het leren ervan dat zij of hij zich te goed aanpast aan het dagelijks leven en de daarin voorkomende taken. In het geval een persoon te goed is aangepast aan het dagelijks leven of aan taken, of liever, wanneer een netwerk zo verfijnd is afgesteld op de bijzonderheden van een dataset waarvoor het is getraind, dan slaagt een persoon of een netwerk er vaak niet in om nieuwe bijzonderheden van een dataset te generaliseren. Dan is er sprake van zogenoemde overadaptatie, overaccommodatie, waarbij een persoon of netwerk te zeer overeenstemt met een taak of proces, dat het aanleren van nieuw gedrag er juist door bemoeilijkt wordt. Dromen, en dat is het tweede aspect, kunnen fungeren als een manier om dagelijkse overadaptatie te voorkomen door tijdens de slaap storingen in te brengen. Deze storingen hebben niet als doel om het geleerde tijdens het wakkere leven te handhaven of te bekrachtigen, maar om de overadaptatie die met dat leren gepaard gaat tegen te gaan. Dromen zijn dan zelfgegenereerde, corrumperende impulsen. De act van het dromen heeft dus het effect van één, het verbeteren van je functioneren en van twee, het generaliseren van nieuw gedrag in je dagelijks leven.             

Beide aspecten betekenen voor ons dat gebeurtenissen die we kunnen ervaren die aan een handeling gerelateerd zijn en die er tegelijkertijd in essentie van verschillen, behulpzaam kunnen zijn voor ons functioneren. Door dromen als oefenplaatsen voor te ontwikkelen gedrag en als verstoringen van te goed aangepast gedrag te beschouwen, kunnen we verder gaan dan de traditionele droomopvattingen en het proces van leren, doen zien als een serie van afwegingen die bij elkaar horen. Als dromen inderdaad deze functionele doelen hebben, dan kunnen we de kunstmatige dromen die we ficties noemen en die we ook in bijbelse teksten tegenkomen bevredigend waarderen als een wezenlijke vorm van zelfbestuur.               

Wellicht biedt deze nieuwe visie op dromen ook een verklaring waarom we kunst, films, romans en games prettig vinden, aangezien we ons constant aanpassen aan de realiteit. De verbeeldingrijke, gecorrumpeerde irrealiteit zoals die door kunstenaars, filmmakers, auteurs en gamedesigners naar voren wordt gebracht, helpt ons te voorkomen dat onze hersenen te gefixeerd raken in het ontwikkelen van dezelfde patronen. Zij breiden ons repertoire van handelingen niet alleen uit, maar doen dat op manieren die ons assisteren bij generalisatie en daarmee bij ons vermogen om te leren en te kennen.                                                               

Als ons dagelijks leven ten gevolge van de ontwikkeling van menselijke beschaving steeds complexer wordt, aanpassing aan dat dagelijks leven steeds gemakkelijker, wij zowel meer biologische dromen hebben als ons verdiepen in culturele producten zoals kunst, dan stelt de uitvinding van ficties ons mogelijk in staat baat te hebben bij de voordelen van dromen op het moment dat we wakker zijn.          

Amen