Meditaties

Eigentijds credo

Eigentijds credo

Wij geloven in een werkelijkheid waarin ieder mens mag doen wat zij of hij wil, mits zij of hij een ander niet schaadt. De bijbelse taal draagt aan die vrijheid bij, doordat zij ons eraan herinnert tot meer in staat te zijn dan we dachten. Als de grenzen van ons zelfverstaan door ‘Gods woord’ worden verlegd, en het ons uitdaagt capabel te zijn, dan hebben we geloof nodig om onszelf te overtreffen.

Wij mensen beschikken over de geestkracht ons voorstellingen te maken. Ook van datgene wat ons overstijgt, God, maken we beelden, verzinnen we kaders en bedenken we invullingen voor datgene wat daar eigenlijk niet in past. God is onbeheersbaar, onbepaalbaar en opereert geheel naar eigen inzicht. De beste manier om God te naderen, is misschien nog wel met lege handen, totdat God een mens roept, en hij zich ‘hoogstpersoonlijk’ aan haar of hem openbaart.

Soms loopt een mens tegen een grens op en ontdekt dat het summum van haar of zijn leervermogen is bereikt. In het onderscheid dat we maken tussen God en mens erkennen we ons mens-zijn en identificeren ons niet met kenmerken die we niet aan onszelf kunnen toeschrijven. Het onderscheid tussen God en mens beschermt ons voor overmoed en onbedachtzaamheid onszelf of een ander schade toe te brengen in naam van wie wij niet zijn.

Opgewekt en in een feestelijke stemming vieren wij dat wij vrije mensen zijn, en losgemaakt van relaties die ons niet opbouwen. Wij leven in het volste vertrouwen voor Gods aangezicht en lijken in die zin op kinderen, die speels en dartel zandkastelen bouwen op het strand, wetende dat hun bouwsels, door de zee weer meegenomen, niet eeuwig zijn.

Velen gingen ons voor: geloofsgetuigen, individuen die in hun tijd en op hun plaats vormen van vrijheid realiseerden – en, vooruit, een paar heiligen. Wij vinden God niet opnieuw uit, er zijn lijnen in de geschiedenis te ontwaren waarin we aan de hand van de criteria van vrijheid, gelijkheid, veiligheid en vrede, verlichting, emancipatie en kritiek ‘God’ zien.

Als personen maken we deel uit van een mensengemeenschap die allen dezelfde rechten delen. De mens die ik mijn naaste noem, is een belichaamd persoon, bezield met geestesvermogens. Het is ons te pover ons enkel tolerant op te stellen ten opzichte van de ander. We proberen ook te begrijpen wat de talenten en verlangens van haar of hem zijn, en zoeken naar mogelijkheden om daar een steentje aan bij te dragen.

Naast al wat ons van elkaar onderscheidt, zoeken wij onderlinge verbondenheid. Het is de geest van de liefde, die ons in staat stelt de ander in een mooi licht te plaatsen. In allerlei vormen van relatie: vriendschap, partnerschap, een huwelijk of samenlevingscontract geven mensen te kennen dat ze verrukt van elkaar zijn en elkaar met tederheid willen bejegenen.

Van wat we in overvloed hebben, delen we ruimhartig en belangeloos zodat geen mens tekort komt en zich genoodzaakt ziet een hand op te houden of een delict te plegen. Wij erkennen dat we ons welzijn en voorspoed veelal te danken hebben aan gunstige omstandigheden en de gulheid van anderen.

Met taal kan een mens, vaak op onbedachte ogenblikken, het leven van een ander stukbreken. Omdat wij ons binnen de religie tot elkaars welzijn en luister verzamelen, maken we van onze tong geen scheermes, maar zeggen we elkaar woorden aan waarmee we elkaar ondersteunen.

Wij gunnen de ander het allerbeste – wat dat voor een ieder ook moge betekenen –, proberen een sfeer van vertrouwen te scheppen, elkaar uit te dagen en de verbeelding te stimuleren om creatief te zijn en iets van ons leven te maken.

Amen

Ds. Suzan ten Heuw

Dorpskerk Zandvoort, 18 december 2016

Meditatie naar aanleiding van Lied 501 Als een ster in lichte luister uit Het Nieuwe Liedboek voor de adventsviering op zondag 18 december 2016 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse gemeente te Zandvoort

Buiten, het is pikkedonker, aardedonker, het luchtruim ziet gitzwart, het firmament hult zijn gelaat in onzichtbaarheid. Zelfs geen wolkje drijft voorbij. Tegen die achtergrond schittert, flonkert een hemellichaam met de kracht van een meteoriet die onverwachts langs de aarde scheert. Die gasbol kruipt niet heel voorzichtig, geleidelijk door de nevel van nacht om haar met een zachtjes priemend schijnsel te doordringen. De ster in het vers van de dichter is een blinkende ster die met heel zijn glans en intensiteit het uitspansel in lichter laaie zet. Het doet de nacht, symbool voor wezenloosheid, uitzichtloosheid en verschrikking, sidderen en verbleken. Wat geen toekomst heeft moet wijken voor wat schielijk oprijst.

Ook uit de tweede strofe blijkt dat de dichter dicht bij de natuur stond en beelden uit deze bron gebruikt om uit te drukken wat eigenlijk onmogelijk is. Fijn, opstuivend zand cirkelt rond, lijkt te dansen boven heuveltoppen. Zo’n onmetelijke ruimte als de lucht boven de aarde, zo weids, uitgestrekt en eindeloos is de woestijn. Een boomloze, kale vlakte, dor, droog en desolaat, een mens kan er uren, dagen in rondzwerven zonder een levende ziel tegen te komen.

Gure, stramme winden waaien er in de woestijn, zinderende hittes die, als je niet uitkijkt tot uitdroging leiden of je een zonnesteek bezorgen. Geen neerslag, geen vegetatie, onherbergzaam, onbewoonbaar en onvruchtbaar land. Iedere waaghals die in dit barre oord oog in oog zou staan met de opengaande knoppen van een roos zou paf staan.

De oorsprong van de hoop zou nog wel eens daar kunnen zijn waar geen mens haar verwacht. Maar voor het ontstaan, het uitbotten en gloren van wat boven ons uitstijgt, wat groter is dan mijzelf, het ongeziene, ongedachte, dat wat er nog niet is, daarvoor is iets nodig dat onze stoutste dromen overtreft. Iets dat in aantocht is en dat de wetten van de natuur op hun kop zet, die haar tart, verbaasd en versteld achterlaat. Een gebeuren waar ons verstand niet bij kan. Een mens strekt zich er naar uit, een altoos wijkend perspectief – wat lijkt het veraf, vreemd en onherkenbaar, maar wat is het dichtbij, het omsluit ons meer dan de eigen huid. Ongekende liefde die overstelpt, je het hoofd op hol brengt en dronken laat worden van passie.

Dit ‘onverwachte bezoek’, het kind dat tot je komt en waar een mens helemaal niet mee heeft gerekend is niet een eendagsvlieg. Die ingewikkelde, als de doornen op de stengel van de roos prikkende en tegelijkertijd mierzoete, andere werkelijkheid die open bloeit laat zijn sporen in ons achter en omzwachteld ons in een duurzame beschermlaag waardoor onze angsten het veld ruimen. De nieuwe mens, ontwapend en tot de tanden toe gewapend met genegenheid, wijst wanhoop en ontsteltenis heldhaftig en twinkelend hun plaats.