Driehoorne Alphen aan den Rijn, 24 juli 2016

Preek naar aanleiding van Jesaja 65:17-25 en 1 Tessalonicenzen 5:12-24 uit Bijbel in Gewone Taal voor de viering op zondag 24 juli 2016 om 19.00 uur in Driehoorne te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Op een dag zat Jesaja achter zijn piano en luisterde naar de harmonieuze stilte in het vertrek. Hij kon een speld horen vallen, keek uit het raam, liet zijn vingers over het klavier glijden, wachtte en aarzelde voor hij een eerste noot zou aanslaan. Na de verschrikkingen van de Syro-Efraïmitische oorlog liep hij niet meer zo hard. Hij leefde in een tempo zoals je een rustige sonate speelt. Tijdens de oorlogsterreur had de tijd vaak stilgestaan.

Jesaja was een religieus schrijver en had leiding gegeven aan een groot orkest. Hij componeerde klezmermuziek, schreef liedteksten, bruiloftsmuziek, danspartituren voor huwelijksceremoniën, natuurliturgieën, messiaanse hymnen, kaddisj-gebeden voor joodse studenten en rouwgedichten. Totdat hij werd opgeroepen als soldaat in het leger te gaan. Alle voorwendselen die hij had aangewend de oorlog te ontlopen hadden weinig uitgehaald.

Als hij door de bezetter gevangen wordt genomen en in een krijgsgevangenenkamp wordt geplaatst is het dit keer niet het geweld dat in die wereld de boventoon voert, maar het geschreeuw van volwassenen en het geween van kinderen. Baby’s worden in het kamp geboren, gezinnen gesticht, mensen worden er oud. Ook nu zou Jesaja de gang van de wijzers van de klok met een laatste oordeel onderbreken.

Het begrip ‘oordeel’ komt in de logica voor alsook in de jurisdictie. Met een oordeel doet iemand in de eerste persoon al dan niet met de klap van een hamer een definitieve uitspraak. In de theologie heeft het laatste oordeel vanouds een eschatologisch profetische betekenis. Met inzet van een nieuw perspectief creëert ze een begin nadat ze eerst de vergankelijkheid van de dingen heeft ingezien. Jesaja gaat het begrip ‘oordeel’ opnieuw betekenis geven en wel door de invloed van de geschiedenis langs de weg van de muziek in te tomen. In een ensemble dat bestond uit een pianist, cellist, klarinettist en violist repeteert hij zo vaak mogelijk.

Dagelijks zag Jesaja duizenden mensen in houten en golfplaten shacks op elkaar gepakt zitten, monsterde mannen die uitgeteerd op hun brits lagen te wachten op de dag van hun verlossing, raakte ontsteld van jonge vrouwen van wie het haar uitviel en in grote getale zuigelingen met ontbrekende ledematen in ranzige hoeken ter wereld brachten. Met artsen of speciale diensten was dit oord niet uitgerust. Jesaja realiseerde zich dat het menselijk leven hier wel verder ging, maar spoedig behoefte had aan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Het probleem was dat de mensen die straks oorlogsoverlevenden zouden zijn voor hun toekomst niet meer konden putten uit de restanten van het verleden. In al de jaren dat ze hier vertoefden kroop de tijd, er gebeurde vrijwel niets, velen leden aan lethargie, sliepen dagen achtereen, voelden zich lusteloos en klaagden over pijn. Door gebrek aan activiteit en verandering gingen herinneringen verloren. Bedlegerige mensen kampten met geheugenverlies. Ingezetenen verloren hun belangstelling, keken vanaf een afstand naar het leven en hadden geen motivatie naar iets te kijken. Over het leven voor de oorlog werd steeds minder gesproken. Het leek wel alsof dat bestaan zich in een andere wereld had afgespeeld. Jongemannen en grijsaards haalden hun schouders op en keken huzaren die formaliteiten afwikkelden onzeker aan. Als deze mensen nog in staat waren tot het vertellen van een verhaal dan zat het vol gaten. In het kamp werd niet geleefd, maar gevegeteerd. Mensen die ooit bezig waren mens te zijn verkeerden in een grote stilstand, veegden zichzelf gaandeweg uit.

Jesaja zag in deze situatie weinig heil in inkeer en verstilling. De kunstenaar in hem zou beroering veroorzaken en weelde vertolken. Met zijn geïmproviseerde muziekgroepje dat voornamelijk bestond uit amateurmuzikanten gaf hij die avond een openluchtconcert. De stoelen die er waren, werden bij elkaar gezet, de meeste mensen zaten met hun armen over hun knieën op de grond, wiegden zichzelf heen en weer. Twee gettoblasters stonden paraat.

Het gelegenheidsorkest begon op aftandse instrumenten te spelen en Jesaja schetste een wereld die de huidige muzikaal oversteeg. In een frivole melodie stak hij in materiële termen de loftrompet op een alles overkoepelende hemel van onsterfelijkheid en eeuwigheid. Hij had het niet over een werkelijkheid die intreedt na de fysieke dood. De mens is een belichaamd wezen tot en met. En wilde hij het lijden transformeren dan kon hij daar niet te lang mee wachten. De hemel duldde geen uitstel, liet zich niet situeren in een andere wereld dan die waarin wij leven.

In Jesaja’s visionaire wereld wordt niet gerekend met tijd. In geen mens komt het er op te vragen naar je geboortejaar. Leeftijd speelt geen rol. Het is geen bovenaardse ruimte die bevolkt wordt door etherische figuren, engelen die voor zichzelf doorzichtig zijn en hun mond vol hebben van heiliging, een ongebroken of gerenoveerd paradijs waar een sereen moment tot het laatste toe wordt vastgehouden. In Jesaja’s hemel van vlees en bloed zeg ‘maatschappijvisie’ is het een drukte van belang. Wat een bedrijvigheid, ambitie en passie. Mensen die er wonen maken plannen. De een heeft nog grotere dromen en wensen dan de ander en zet vandaag nog stappen om die te realiseren. Kinderstemmen schallen over de pleinen. Bouwtekeningen voor nieuwe projecten liggen op de tekentafel. Stellen op de woningmarkt die een lening hadden aangevraagd konden die over honderd jaar zonder rente terugbetalen. Dertigers verbouwen hun eigen groenten en fruit in moestuintjes en eten daar iedere avond van. Niemand leert er denken in termen van kwaad simpelweg omdat niemand kwaad overkomt of elkaar iets aandoet. Mensen helpen elkaar waar nodig en met graagte. Kostgangers uit Afrikaanse landen, Noord-Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika leven eensgezind samen. In deze samenleving kan niemand zich nog voor de geest halen in wat voor milieu, klasse of beroepsgroep zij zich beweegt, welk hokje je aankruist bij ‘geslacht’ op een administratief formulier, wat je burgerlijke status is of welke successen je hebt geboekt. Alle inwoners beschikken over een groot adaptatievermogen: wijzigen omstandigheden dan pas je je aan. Je neemt er de ruimte van een ander niet in en als het je uitkomt deel je, zoekt podia voor je talenten en laat het beste in de ander naar voren komen. Dit verkondigde Jesaja in het kamp.

Na die avond stonden alle doden in het kamp op. Het leek alsof Jesaja een engel had geïntroduceerd die het einde van de tijd afkondigde en een nieuwe manier van leven inluidde. Er ging een golf van levendigheid door de gemeente. Op deze plaats gingen mensen vriendschappelijk met elkaar om, niet op basis van een gedeelde belangstelling of een andere vorm van wederkerigheid maar omdat je vervuld was van genegenheid en de ander een mens was die je een minder onaangename tijd in dit omheinde, afgeperkte bestaan gunde. Ook in deze uithoek viel aan kwaliteit te winnen. En dus wasten geïnterneerden wat vuil was, verfristen wat droog was, maakten gezond wat ziek was, bogen wat star was, verwarmden wat kil was en corrigeerden wat krom was. Mensen spoorden elkaar aan, vermaanden en baden. Ongedisciplineerden kregen standjes en er werd met zorg omgegaan met mensen die buitenspel waren gezet of problemen veroorzaakten. Dankbetuigingen voor de positieve elementen in het kampleven vonden ingang. Geestelijke gaven werden niet langer onderdrukt maar er werd mee gewoekerd. Aan de praktijken die mensen dagelijks ten uitvoer brachten kon je zien dat ze weer geloofden. Ze namen op eigen initiatief deel aan een participatiemaatschappij. Voor hen die aan de rand leefden werd speciale zorg georganiseerd. Ieder nam naar draagkracht verantwoordelijkheden op zich. Beslissingen die eerder vooruit waren geschoven of van tafel geveegd werden opnieuw in overweging genomen. Bovenal riepen mensen de tijd weer in het leven. Kalenders en klokken werden aan de muur gehangen, horloges en wekkers gerepareerd en agenda’s gefabriceerd. De afwisseling van de seizoenen ging weer een rol spelen in het kamp.

Jesaja was inmiddels oud en bedaagd. Volgens een joodse traditie zou hij in 639 onder koning Manasse de marteldood sterven. Ik laat hem liever anders sterven en dat kan want met de volheid van de tijd zijn alle tijden gelijk, die laten zich met elkaar vermengen. Jesaja werd 54, strompelde, ondersteund door leden van de vrijwillige brandweer ter plaatse naar zijn heilige huis: de concertzaal in Jeruzalem waar die avond een Quatuor pour la Fin du Temps ten gehore zou worden gebracht. De klarinet zette in, de lucht vibreerde in een kristallen liturgie. Of hij het tot de onsterfelijkheid van Christus zou halen wist hij niet, wel dat hij zich zou laten beminnen in Abrahams schoot.

Amen                                                    

De Nicolaaskerk Krommenie, 17 juli 2016

Preek naar aanleiding van Joël 2:21-27 en Johannes 14:23-29 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op 17 juli 2016 om 10.00 uur in de Nicolaaskerk van de Protestantse Gemeente te Krommenie

Gemeente,

Wie het boekje op naam van de profeet Joël openslaat heeft met het genre eindtijdliteratuur van doen. Eindtijdliteratuur roept op tot een reflectie op de eigen tijd en de rol die we in het huidige tijdsgewricht aan geschiedenis toeschrijven. Wanneer in de Bijbelse taal, zoals in Joël 2 vers 21 tot 27, over een einde wordt bericht dan heeft dat weinig te maken met ´het vergaan van de wereld´. Een eindtijd in Bijbelse zin betekent de grens van het eigen leven onder ogen zien of over de grens van het eigen bestaan heen gaan. Zo wordt een begin gemaakt met een creatief leven. De profeet Joël stelt zich ten doel dat creatieve leven bij zijn lezers in gang te zetten. Aan een creatief leven ligt een verandering van blik ten grondslag en op die bliksverandering richt Joël zich in hoofdstuk 2 vers 21 tot 27. Hoofdstuk twee vormt het tweede deel van zijn drieluik.

In Joëls ideale mensvisie ontwikkelen zijn tijdgenoten zich tot creatieve geesten gebaseerd op een eenheid van zelfkennis en bekwaamheid. Lukt het hen om dingen te maken dan zal ook de materiële werkelijkheid waarop zij aangewezen blijven in die voleinding opgaan. Pas wanneer Joël zijn schrijversdoel heeft bereikt kan hij het tijdperk van de geest inluiden. De manier waarop Joël de creativiteit van zijn lezers wil bevorderen is door religieus fantasievol te overdrijven, te idealiseren en een vrijheid op te wekken. God bezit mogelijkheden ter activering van de menselijke vrijheid, ook voorbij de dood. Een mens neemt, bewust, onbewust of door verdringing, stelling ten opzichte van haar of zijn einde. Daarom is het einde voor haar of hem ook tegenwoordig en nog uitstaand. Op die wijze is het einde ook een opgave namelijk die van het echte menselijke begin waarin de mens de eigen vrijheid op haar of zich neemt, dat wil zeggen ´God lief te hebben´ en haarzelf als een geestelijk-persoonlijk wezen te kennen en vrij in bezit te nemen. Het opnemen van de eigen vrijheid kunnen we treffend een drama noemen omdat je je er als persoon door gaat ontwikkelen maar niet zonder weg te navigeren van vertrouwde schema´s, gewenning en opgebouwde routines. De aankondiging van de eindtijd kan een emotioneel gebeuren zijn doordat van je wordt gevraagd een besluit te nemen dat een conflict uitlokt. De eindtijd is de dag van ´het beslissende´ waarop je uit je comfortzone stapt en die het begin is van een nieuwe schepping.

In het boek Joël staat de opvatting centraal dat als God in het leven van een mens een rol gaat spelen er op een andere wijze dan voorheen tegen feiten wordt aangekeken. Joël laat je als lezer(es) allereerst terugkeren naar een natuurlijke ervaring van het leven zelf. Hij doet dat door details, trivia, zaken waar je in het alledaagse leven als snel aan voorbij kunt gaan te benadrukken. Aan kleinigheden hecht hij grote waarde: de kleur van het grondoppervlak, een dier op het veld, de vrucht aan de vijgenboom, regenval, de intrede van de zomer, een insect worden door Joël opgemerkt. Hij doet echter nog iets meer dan dat kleine dingen die deel uitmaken van een groter geheel voor hem bijzonderheden vormen. Hij interpreteert zijn observaties niet biologisch of natuurkundig maar theologisch, in het bijzonder binnen het raamwerk van een apocalyptiek. Het juichende kind op straat, het verschil tussen herfstregen en lenteregen, de sprinkhaan en de vrucht aan de boom leest hij als tekens, voorbodes van gebeurtenissen die een nieuwe tijd aankondigen. Joël wil met zijn duiding van de tijd aan de hand van details laten zien dat je ´de tijd´ niet slechts historisch kan benaderen maar ook apocalyptisch waardoor de attitude van de mens tegenover de eigen tijd een andere wordt.

We staan nu kort stil bij de apocalyptiek van Joël. De term ´apocalyps´ betekent ´onthulling´ en is een aanduiding voor een theologisch literatuurgenre waarvan de inhoud om een einde draait. In het kader van Joods en christelijk geloof staat de apocalyptiek in contrast met de traditionele hoop op een reddend ingrijpen van God in de geschiedenis die de nood van individuele mensen keert. Apocalyptiek beoordeelt de huidige tijd als negatief en verwacht dat aan die negativiteit een einde wordt gemaakt. Kenmerkend voor apocalyptiek is literaire fictie waarin oproepen tot ommekeer en waarschuwingen worden gedaan. In veel apocalyptische teksten is de hoop op vooruitgang in de geschiedenis opgegeven. Beschrijvingen van catastrofes aan een einde domineren. We komen bij Joël geen reddingsfiguren tegen zoals een mensenzoon of een Messias die beloftes vervult.

Verplaatsen wij ons nu naar hoe er specifiek christelijk over apocalyptiek wordt gesproken dan stuiten wij op de overtuiging dat de invloed van oude werelden waarin een mens ooit leefde van zijn macht is ontdaan. Het verband tussen apocalyptiek en de pneumatologie van Johannes is dat als een mens is opgewekt uit haar of zijn doden een mens het verleden overstijgt, zichzelf te buiten gaat. Naar christelijk begrip kunnen apocalyptische onthullingen inhoudelijk gezien niets toevoegen aan geloofsopenbaringen. We doen er dan ook goed aan om ze in pedagogische zin als beelden op te vatten die houdingen van hoop en vertrouwen niet teniet durven te doen. Die bescherming geldt ook de vrede en het geloof van de gelovigen tot wie Johannes zich richt. Het is een vrede die je weet te bewaren ongeacht wat er in de buitenwereld plaatsvindt omdat ´de geestelijke mens´ geleerd heeft in meerdere dimensies tegelijkertijd te leven en zich niet concentreert op slechts één dimensie van het leven. Johannes 14 vers 23 tot 29 is te karakteriseren als een afscheidsgesprek waarin hij zijn lezers geruststelt. Langs de weg van de genegenheid van Jezus voor de leerlingen probeert Johannes iets door te laten klinken van zijn liefde voor de gemeente, die hij spoedig zal verlaten. Ook Johannes´ aanpak is pedagogisch doordat hij Jezus uitspraken laat doen die de leerlingen stimuleren tot het stellen van vragen waarop hij vervolgens antwoord geeft. De vragen van de leerlingen zijn de pastorale vragen die gemeenteleden aan Johannes zelf stelden en die hij via een omweg probeert te beantwoorden. Als wij zijn evangelie lezen dan doen we er goed aan de grondhouding van een pastoraal geïnteresseerd lezer aan te nemen aangezien zijn evangelie geschreven is met het oog op de pastorale noden van zijn gemeente.

Het Johannesevangelie geeft je als lezer(es) een indruk van de geloofsproblemen in de Johanneïsche gemeente waarvoor Johannes met zijn evangelie een oplossing biedt. Ook in Johannes 14 vers 23 tot 29 zegt Johannes zijn lezers goede woorden aan om mensen te bevrijden van alle invloeden die ´het eeuwige leven´ bedreigen. De term eeuwig leven betekent bij Johannes dat ongeacht de externe omstandigheden een gelovige op basis van een geloofshouding leven in overvloed heeft. Een gelovige is iemand die mogelijkheden ziet, kansen schept, openingen biedt en ruimte creëert, ook, of misschien juist, in een naderend einde. Voor Johannes wordt die ´opgewekte, levenscheppende attitude´ zichtbaar door de ervaring van de geest. Die ervaring van de geest vindt plaats in het midden van de eigen geschiedenis. Johannes reproduceert dan ook niet een historisch verleden en loopt ook niet op de toekomst vooruit. Jezus heeft geen voorgangers en ook geen opvolgers. Om echter de geschiedenis niet helemaal te laten verdampen en te voorkomen dat de ervaring van de geest ´slechts´ een droombeeld is, schenkt Johannes nog wel aandacht aan het aardse leven van Jezus. Maar hij doet dat op een specifieke manier namelijk door de focus van zijn protagonist te richten op de praktische kennis van de geest. Johannes neemt de historische Jezus met die move op in de nieuwe realiteit van de geest. Dat is wat we van Johannes kunnen leren: niet meteen van slag zijn als onheilsberichten je bereiken en je erdoor laten absorberen zodat je je blindstaart op één prikkel of dimensie, maar een gebeurtenis met het oog van de geest bekijken zodat je de gebeurtenis in een breder perspectief kunt plaatsen en dientengevolge voeling houdt met alle levensgebieden en je eigen leven in balans blijft.

Amen

De Veenkerk Amersfoort, 10 juli 2016

Preek naar aanleiding van Deuteronomium 10:12-21 en Efeziërs 4:17-25 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering op 10 juli 2016 om 10.00 uur in de Veenkerk te Amersfoort

Gemeente,

Wie een bepaald gedachtegoed wil verspreiden kan zich tot de politiek, religieuze organisaties, scholen en de media wenden om een denkbeeld of systeem ingang te doen vinden in de hoofden van mensen. Bij veel ingangen van gebouwen vind je promotiemateriaal dat jou als mens van een bepaalde visie wil overtuigen. In menig hotelkamer is een nachtkastje te vinden waarop een boek van een religieus instituut ligt dat de hotelgast tot lezen wil aanzetten. Het toenmalige lezerspubliek van Deuteronomium 10 vers 12 tot 21 staat op het punt onbekend terrein te verkennen. Het was nog maar zeer de vraag of zij in de nieuwe omgeving die zij betraden konden terugvallen op de hun bekende bronnen. De auteurs van het boek Deuteronomium waren een situatie voor waarin een groep mensen in een nieuw land met lege handen zouden staan. In een oratorische stijl stelden zij wetten op die leken op vermaningen voordat reizigers de Jordaan overstaken. Die vermaningen vormden geestelijke reisbagage die de transitie van de ene naar de andere omgeving begeleidde.

Wie op de drempel staat van een nieuwe situatie kan verschillende strategieën toepassen om in een nieuwe omgeving te integreren. Twee voorbeelden daarvan zijn aan te knopen bij de lokale cultuur door deel te nemen aan plaatselijke activiteiten en het ontwikkelen van initiatieven op basis van de eigen expertise die voorzien in een behoefte van de lokale bevolking. De gemene deler tussen de teksten die vanochtend centraal staan is dat de auteurs hun lezers aansporen niet te participeren in de omringende cultuur met als doel de eigen identiteit te bewaren. De auteurs van Deuteronomium roepen de groep nieuwkomers op om zich, ook wanneer zij zich eenmaal in hun nieuwe woonplaats hebben gevestigd, oude en enigszins herziene voorschriften te handhaven om assimilatie te voorkomen. Ik zie het behoud van de eigen cultuur als zorg van een stad of dorp in Nederland vaak voorkomen waar de sociale cohesie van de oorspronkelijke inwoners sterk is en er weinig ruimte wordt geboden aan andere culturen er te wortelen en op een eigen manier vorm te geven aan het leven.

Nu kunnen we de perikoop Deuteronomium 10 vers 12 tot 21 historisch en geografisch lezen. Allerlei details in de tekst geven ook aanleiding tot die vormen van documentatie en oriëntatie. Een andere leeswijze is de tekst met betrekking tot het eigen geestelijk leven te interpreteren. We zullen dat doen door in te zoomen op een verschil tussen de tekst uit het Oude Testament en die uit het Nieuwe Testament. Het verschil is het laten voortbestaan van een oude levensstijl door eraan vast te houden en op die manier de eigen positie in een groep te verzekeren aan de ene kant. En, de oproep jezelf los te maken van een levensstijl waarin je volhardt en die je eigen ontwikkeling in de weg staat aan de andere kant. We houden daarin vooral halt bij het moment van overgang waarin mensen veelal niet weten wat te doen.

Voor het betreden van een onbekende omgeving kunnen mensen routes uitstippelen, methodes verzinnen, overgangsrituelen in het leven roepen en voorschriften bedenken om de stap te kunnen maken van de ene naar de andere wereld. Een doordacht plan moet ervoor zorgen dat we een bepaald doel bereiken. In onze tijd worden er heel wat schema’s geproduceerd, roosters opgesteld en beleidsplannen geschreven om sturing te geven aan een reorganisatie. Het zijn concrete kaders die onze vrijheid structuur kunnen verlenen maar als onze vrijheid eraan ondergeschikt wordt gemaakt ervaren we ze als beklemmende middelen. Ze kunnen de genadeslag geven aan de spontaniteit van de levende ervaring of, religieus geformuleerd, een mens vervreemden van het leven van God.

Behalve dat in het boek Deuteronomium de grondslagen van het recht worden gelegd, herinnert de auteur ook aan de periode in Egypte. Egypte kun je allegorisch lezen als een plaats waar je niet kunt terugvallen op wat je tot dusver hebt geleerd en in praktijk hebt gebracht. Het is een woestijn waar je de herhaling van vertrouwde gedragingen en patronen afremt. Na het stoppen met draven vormt de woestijn een oase van rust die om die reden een bron van meditatie kan zijn. De structuren en ruimtes waarin je gewend bent te denken en te bewegen komen open te liggen. In Egypte wordt je weer even vreemdeling en herinnert aan een oorsprong die voorafgaat aan het denken en willen.

Het is misschien wel de grootste verzoeking aan de mens dat open midden niet weer te bestormen met planningen en programma’s die erop gericht zijn ons vooral bezig te houden. Egypte symboliseert het grote nietsdoen in de zin dat het je de gelegenheid biedt ergens rustig voor te gaan zitten, afstand te nemen van externe invloeden en jezelf terug te vinden wanneer je jezelf onderweg bent kwijtgeraakt en wellicht vergeten bent. In dit grensgebied vast de mens van activiteit, maakt zichzelf leeg en wordt stil. De ontvankelijkheid die dan ontstaat kan je bepalen bij een onafhankelijke kern die je ‘God’ kunt noemen. ‘God’ ademt een sfeer van vrijheid waarin jij als mens in je element bent en misschien juist dan jezelf kunt zijn. De wind in deze ruimte kan nog alle kanten opwaaien. Zo minimalistisch als de woestijn is ingericht zo maximaal kun je er nieuwe creativiteit en een onafhankelijke kern ervaren. Egypte fungeert niet als oversteekplaats met markeringen en haaientanden waarbij je een oude bestemming verlaat en via een uitgestippelde weg – lees een set voorschriften – kunt laat staan moet volgen. Het representeert veeleer een levenshouding van wachten, een blijven waar je bent of niets doet totdat er iets gebeurt dat je niet zelf in gang hebt gezet.

In het fragment uit de brief aan de Efeziërs vindt er een omkering plaats van de verhouding tussen de eigen bepaling van het zelf en wat ik zal noemen de verlossing van het zelf. In Egypte kom ik tot de ontdekking wie ik ook alweer was. Als ik vervolgens besluit weg te trekken uit Egypte omdat ik mijzelf weer enkele concrete doelen heb gesteld of simpelweg omdat er noodzakelijke behoeften zijn die samenhangen met mijn mens-zijn die mij nopen uit Egypte weg te gaan dan kan ik aan het proces van zelfwording weer gestalte geven. Voor ik het weet begeef ik me dan weer in de ratrace van aspiraties. In de rite van de doop echter ontvangt een mens het zegel van de geest die een soort egodood inluidt. Tegen de achtergrond van een zedeloze cultuur spoort de auteur de lezer aan zichzelf los te maken van vroegere levenswijzen en sociale banden. Het is een nogal rigoureuze oproep die je als een besnijdenis van het hart kunt typeren. In Efeze wordt je weer uitgenodigd tot een basale zachtheid.

Word je in Egypte uit de verbrokkeling van het leven weggeleid en opnieuw bij jezelf verzameld, in Efeze wordt je weliswaar verlost van den boze, maar ook uit balans gebracht. Het kopje ondergaan in dit bad waarin jij niet langer heer en meester bent over je eigen leven kun je het afleggen van je oude natuur noemen opgevat als participatie in de dood en opstanding van Christus. Je stapt dan bewust in een beweging waarin jij het niet langer voor het zeggen hebt en die velen voor en met jou al gemaakt hebben. Het lidmaatschap van deze beweging vroeg volgens de auteur van de brief aan de Efeziërs om exclusieve toewijding. Het kwam er na de doop toch wel op aan de betrekkelijkheid van de eigen gedachten en redeneerstijlen in te zien wanneer die niet doorbloed waren met gevoelens van genegenheid en bewuste keuzes te maken: dit wel en dat niet. Je kunt een dergelijke metamorfose uiterlijk onderstrepen met het uittrekken van oude kleding of het niet langer dragen van symbolen en het jezelf aanmeten van een nieuwe kledingstijl of look. De doop is geen kleinigheid. Door God gedoopt worden dat wil zeggen een nieuwe gezindheid in praktijk brengen is werelds gezien een grote stap terug en niet een stap vooruit. De geboorte van de nieuwe mens is een vorm van zelfverlies. Alsof je blijft zitten in groep drie in plaats van een klas overslaat, en toch is dit de manier om echt vooruit te komen.

Amen

Grote Kerk Oosthuizen, 26 juni 2016

Preek naar aanleiding van Exodus 34:27-35 en 1 Korintiërs 13:1-13 uit de Leidse Vertaling voor de viering op de tweede zondag van de zomer op 26 juni 2016 om 10.00 in de Grote Kerk te Oosthuizen

Gemeente,

Het boek Exodus is geschreven tijdens de glansjaren van twee koningen in de tiende eeuw voor Christus. Exodus bevat volksliteratuur waarin de auteurs met gevoel voor drama tal van gebeurtenissen uitvergroten. De drama-literatuur in Exodus biedt tegenwicht aan de praktijk van het vasten dat beoogt een mens innerlijk en fysiek te reinigen van gif-en afvalstoffen. Na de uittocht uit Egypte, het land van de afhankelijkheid, waar een mens de eigen vrijheid aan een ander heeft verkocht, de doortocht door de Rode Zee, symbool voor de ‘plaats’ waar een mens geen vaste grond onder de voeten heeft, de beproeving van ervaringen die een mens bitter kunnen maken en de strijd tegen de Amalekieten ofwel mensen die ons met hun verwachtingen terugdringen in oude rollen waarin we niet kunnen leven, na dat alles is het tijd voor een verheerlijking op een berg. Verheerlijking betekent dat een mens ontvankelijk wordt, zich openstelt voor inzichten van buitenaf.

In het boek Exodus staan zowel het loskomen van patronen die een mens onderdrukken als het optrekken naar een groots festijn centraal: beide breukmomenten zijn samengevat in de geloofservaring van Israël. De uittocht van het volk Israël kunnen we begrijpen tegen de achtergrond van uitbuiting. Mensen waar ook ter wereld wordt in Exodus de mogelijkheid voor ogen gesteld om pogingen van medemensen tot manipulatie te ontmaskeren en daar geen genoegen mee te nemen door op een plaats te gaan leven waar men wel een humaan bestaan kan opbouwen. Wie buiten de oevers van Exodus treedt kan zien dat de beweging van een uittocht en een intocht een schema is dat in veel bijbelse verhalen terugkeert.

Volksliteratuur kan nauwelijks zonder een held. In het boek Exodus is Mozes de held aan wiens geboorte de status van een Hebreeuwse verlosser wordt toegeschreven. Zijn jeugd wordt beschreven en op zijn leidersrol wordt gezinspeeld. Hij is vooral een bemiddelaar, wordt geportretteerd als een intermediair die openbaart wat het verstand niet kan begrijpen. Mozes leefde voor het volk Israël, droeg de last ervan en ontwikkelt een visie op hun welzijn. Hij zal het grote vertrek van een groep geknechte mensen begeleiden, hun uittocht gestalte geven, hen helpen zich los te scheuren uit de tichelbakkerijen van de farao, maar niet voordat er een theofanie, dat is een manifestatie van een godheid aan een mens, bij de Sinaï heeft plaatsgevonden.

Nadat Mozes veertig dagen op de berg vast, glanst zijn gezicht van licht. De berg staat voor enige plek waar het helemaal stil is en een mens vrij is van plannen, gedachten, zorgen, problemen en moderne slavendrijvers die je opjagen, onderwerpen aan eisen waar je niet aan kunt voldoen. Op de bergtop, hoog verheven, staat Mozes in het midden van zijn leven, houdt de ogen vast gericht op het land dat voor hem ligt. Mozes leeft alleen in de bergen, ver weg van de agitatie van de stad, het tumult op de markt en het spektakel van de cultuur. In de wildernis zorgt hij voor zijn schapen. In de stilte en gereinigd van enige emotie en lichamelijke zorg, wordt Mozes iets duidelijk. In de ‘wetteloosheid’ van de natuur staan hem enkele inzichten helderder voor ogen dan wanneer hij aan de voet van de berg, aan de rand van de samenleving geconfronteerd wordt met mensen die, moe en leeg, vanuit ontevredenheid hun beklag doen. Voor Mozes behelst dat inzicht dat ‘het goddelijke’ naar zijn eigen aard een grens heeft. Na twee perioden van veertig dagen en nachten gaat Mozes zijn opvatting van het goede uithouwen in een nieuw stel stenen tafelen. Dat is Mozes ten voeten uit: hij schrijft goddelijke karakters in tabletten, geeft vorm aan een ethiek en test zijn ideeën daarover met behulp van de instrumenten in zijn handen. Nu zou iemand kunnen opwerpen dat Mozes er verstandig aan had gedaan een beetje in de pas te lopen met de geschiedenis om te harmoniëren wat hij op de berg van de godskennis had ervaren. Mozes echter is de man met de staf en de beitel: hoeder, leider en ambachtsman die laat zien dat zijn opvattingen over ‘hoe te leven’ en ‘wat te doen’ bewerkelijk zijn. Mozes de kunstenaar en wetgever ineen moet ze kunnen uithakken en met het grootste gemak ook weer kapot kunnen gooien.

Wat Mozes je leert is dat degene die zich intiem associeert met God voorbij moet gaan aan al wat zichtbaar is en geloven dat God daar is waar het begrip of de rede niet toe reikt. In de contemplatie van een transcendente natuur ontving Mozes de goddelijke ordinanties. De weg die Mozes daartoe bewandelt is die van de zuiverheid van het lichaam besprenkeld met ‘religieus wijwater’. Hij vast. Mozes doet nog iets meer: voordat hij de berg beklimt wast hij zijn gewaad. Aangezien kleding bij het maken van een bergtocht of bergbeklimming gauw vuil wordt en een vlek de gang naar God niet belemmert, denk ik niet dat we de term ‘gewaad’ letterlijk moeten opvatten. Het gewaad vertegenwoordigt de uiterlijkheden van het leven waarin een mens zich kan hullen. Met de kleren om het lijf van Mozes worden zijn bezigheden bedoeld die samenhangen met zijn rollen. Wil God aan hem kunnen verschijnen dan is een voorwaarde dat hij al zijn dagelijkse functies neerlegt. Pas in zijn naaktheid kijkt Mozes niet in een wazige spiegel naar zichzelf in alle ambten die hij bekleedt, maar wordt een scherpomlijnd, betrouwbaar beeld van hem weerkaatst. En dit is het Adamskostuum, de schone lei-conditie waarin God een mens kan naderen. De mens die vervolgens overschaduwd wordt door Gods geest herstelt het ongebroken karakter van de eigen zijnswijze, wordt als het ware onsterfelijk door de letters geschreven met een geestelijke pen.

In 1 Korintiërs 13 vers 1 tot 13 gebruikt Paulus het exodusmotief om de beperkingen van het mozaïsche verbond aan te wijzen. Hij doet dat op basis van zijn eigen apostolische ervaring en het is verankerd in zijn autobiografie. Met het oog op het doel de restricties van de stenen tafelen naar voren te brengen refereert Paulus aan de straling van Mozes’ huid. Mozes neemt een lichtverschijning waar, doet een ervaring van verblinding op, op het ogenblik dat God hem passeert. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Mozes de plaats zag waar God zich eerder bevond. In het voorbijgaan ontstaat er een flikkering die onzichtbaar, ontoegankelijk is voor de mens die God recht in het gezicht wil kijken. Dat Mozes zijn gezicht met een sluierdoek moest bedekken en er een gloed op zijn gezicht verschijnt wil zeggen dat hij in de toepassing van de wet vaak een oogje moet dichtknijpen. De stenen platen zijn gemaakt van aardse materie en Mozes kon ze als een document doorsturen naar ‘de Ene’ die er zijn stempel op zou achterlaten. Een mens echter kan de wet in letters van steen bij zich dragen, dat wil nog niet zeggen dat zij of hij begrepen heeft wat genade kan betekenen. Gratie, kwijtschelding, vergeving of volledige absolutie in het toepassen van de wet is een act waarin verbittering kan omslaan in zachtmoedigheid. De tafelen waarin Mozes de wet uitbikte waren van steen. Zonder liefde echter heeft geen enkele wet enige waarde: liefde is de conditie waaronder een wet kan gedijen. Liefde is voor Paulus als een uit te voeren opdracht en einddoel. Met het concreet beoefenen van de liefde tijdens het eigen leven laat de liefhebber de wet in Godwaartse richting opgaan.

Wat je van de apostel Paulus leert is dat in het geval van de liefde er slechts één grens is en dat is dat er aan liefde geen grens zit. Het goede, deugd heeft een limiet in zichzelf. Goed doen houdt een keer op, maar liefde wordt niet afgebakend door beperkingen. De apostel leert je een begrip van het ‘perfecte’ leven voor de mens. Het pad van de liefde is een voortreffelijke weg die niet begaanbaar is zonder gratie en daadkracht. Wie haar praktiseert maakt wat gebroken is heel en kan een nieuw perspectief bieden op mensenlevens.

Amen

Grote Kerk Oosthuizen, 12 juni 2016

Preek naar aanleiding van 1 Koningen 19:1-14 en Jakobus 2:1-18 uit de Naardense Bijbel voor de dienst van Schrift en Tafel op de derde zondag na Trinitatis op 12 juni 2016 om 10.00 in de Grote Kerk te Oosthuizen

Gemeente,

Wij hebben allemaal wel opvattingen over de verhouding tussen overheid en religie. Wij hebben ideeën over welke kennis, vaardigheden en ervaring een landsbestuurder in Nederland dient te beschikken wil zij of hij die functie vervullen. Wij kunnen onze stem uitbrengen als er landelijke verkiezingen zijn. En als wij gekozen politici via de media volgen dan letten we er ook op of zij in woord en daad de belangen vertegenwoordigen van hun achterban.

De tekst uit 1 Koningen 19 vers 1 tot 14 is te lezen als de beschrijving van een politieke verkiezingsperiode waarin twee partijen te weten koningen en profeten een machtsstrijd voeren. Die strijd om verschillende regeringsvormen – monarchie of profetendom – voert terug op de bron van het gezag dat beide figuren aanwenden. De koning in ons verhaal ontleent zijn positie aan God ten behoeve van de bevolking. Het gedrag van de koning werd geobserveerd en bekritiseerd door profeten. Telkens wanneer een koning de godsrelatie op de tocht liet staan en van een religieus gemotiveerde monarchie een dictatuur dreigde te maken dient een profeet zich aan om hem te herinneren aan een geleend en voorwaardelijk gezag. En dat was wellicht de grote uitdaging voor een koning: dat hij het vertrouwen dat in hem was gesteld een invloedrijke positie uit te oefenen niet beschaamde en zich, zolang hij op de troon zat, bleef realiseren dat zijn functie hem was verleend namens een ander en in dienst stond van het welzijn van allen in de samenleving. Om kort te gaan, de wijze waarop koning en profeet hun ambt legitimeren verschilt niet van elkaar: beide  beroepen zich op de openbaring, wel hoe zij zich in de loop van de uitoefening van hun ambt ontwikkelen.

Nu vinden we bij de auteurs van 1 Koningen geen uitgesproken voorkeur voor een bepaalde staatsvorm, maar de koningen krijgen het in het gelijknamige boek wel zwaar te verduren. De verhalen over het koningschap van bijvoorbeeld Achab zijn geen succesverhalen: veeleer portretteren de bijbelschrijvers de koningen als mislukkelingen van wie het koningschap op een fiasco uitloopt. Bovendien schetsen de auteurs de relatie tussen koning en profeet als een waarin de profeet de koning kan aanspreken op diens functioneren. Onze tijd kunnen we anders typeren aangezien een koning weliswaar als staatshoofd is aangesteld, maar ministers besturen het land en zijn bovendien verplicht verantwoording af te leggen aan de volksvertegenwoordiging.

In het optreden van de profeet lees je dat de auteurs het van belang vonden dat de godsrelatie een rol speelt in de vormgeving van de samenleving en een verband leggen tussen de relatie die een invloedrijk persoon al dan niet onderhield met zijn God en het welzijn van een maatschappij. Welzijn en niet welvaart. En ook dat is een belangrijk verschil, dat profeten werden ingezet om een koning primair te herinneren aan de geestelijke, lichamelijke en sociale gezondheid van de bevolking. Als die kwaliteit hoog werd gehouden, zo leek een voorwaarde, dan ontwikkelde zich een economie die aan die kwaliteitsstandaard parallel liep.

Wij bevinden ons vanochtend in Oosthuizen, een dorp in de gemeente Edam-Volendam waarvan het college van B&W gevormd wordt door het CDA, Lijst Kras, de VVD en Zeevangs Belang. Waarom kan het van belang zijn na te denken over de relatie tussen overheid en religie? Omdat de invulling van grondwettelijke rechten zoals de vrijheid van vereniging, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting afhangen van de wijze waarop het principe van de scheiding tussen kerk en staat wordt ingevuld. Het maken van een regeling tussen overheid en religie schept een kader voor maatschappelijke tolerantie.

En, waarom is het belangrijk als individuele burgers onze opvattingen over de verhouding tussen overheid en religie met elkaar in gesprek brengen? Omdat de verhouding tussen overheid en religie op verschillende manieren kan worden georganiseerd. Er zijn niet enkel diverse bestaande modellen en theorieën over de verhouding tussen overheid en religie waar je bijvoorbeeld vanuit een seculiere, christelijke, humanistische of islamitische achtergrond al dan niet mee instemt. Uw visie op de relatie tussen overheid en religie en in het bijzonder de religieuze opvattingen die daar eventueel een rol in spelen kunnen nuances aanbrengen in bestaande theorievorming en zorgen voor het bedenken van nieuwe modellen. In het aangaan van dat gesprek oefen je je in de rol van profeet doordat je leidende ideeën confronteert met hoe jij tegen een maatschappelijke verhouding aankijkt en kun je tot de ontdekking komen welke grenzen en mogelijkheden geloof kan hebben voor de politieke praktijk. Wat je in die act kunt ervaren is dat overheid en religie geen vaststaande, onwrikbare maatschappelijke structuren zijn waar je eventueel kritiek op kunt hebben maar dat politiek een samenspel is van visies, een denkbeeld dat gepaard gaat met handelingen en geloofshoudingen waaraan wij zelf vorm kunnen geven.

Dat is tevens de gemene deler met de tekst uit Jakobus: geen genoegen nemen met een zogenaamde ‘gevestigde orde’ van hoe aan religieuze ideeën gestalte wordt gegeven. In de Jakobusbrief gebeurt er echter nog wel iets anders dan dat Jakobus geen voldoening haalt uit de religieuze status quo, en een verklaring daarvoor is gelegen in het geloofsleven van Jakobus zelf.

Jakobus’ geloofsleven behelsde ooit een burgerlijk religieus geloof dat sociaal onrecht gedoogde en veranderde ingrijpend in een kritisch geloof waarin hij als individu elke regeervorm ter discussie stelt. Dat burgerlijk religieuze geloof wekte in hem een vertrouwen waar hij zich gaandeweg steeds minder gemakkelijk bij was gaan voelen. Sociaal onrecht kon zijn geest in toenemende mate radeloos en rusteloos maken. Vind je op andere plaatsen in het Nieuwe Testament een waardering voor attitudes als zachtmoedigheid en vredelievendheid, Jakobus lijkt bezield van een heilige woede ten aanzien van de betogen over spiritualiteit in zijn tijd en tegelijkertijd het tolereren van allerlei misstanden in de samenleving. Hij zou er vast een voorstander van zijn de geïnstitutionaliseerde religie te laten varen ten faveure van het engagement ten aanzien van mensen in onze samenleving die problemen ondervinden. In onze samenleving zijn dat vluchtelingen of liever immigranten. De term ‘vluchteling’ staat van oorsprong voor een persoon die van huis en haard verdreven is en een toevluchtsoord zoekt vanwege een verrichte daad of een politieke opinie. Veel van de vluchtelingen echter die Nederland binnenkomen hebben geen daad verricht en houden er geen radicale opinies op na. Ze hebben hun huis verloren en daarmee ook de vertrouwdheid van het alledaagse leven. Velen van hen arriveren in Nederland zonder middelen, zijn volledig afhankelijk van sociale standaarden en moeten geholpen worden door vluchtelingenorganisaties. Indien de samenleving hen niet toelaat verliezen zij het vertrouwen in zichzelf.

Wat we van Jakobus kunnen leren is door te handelen van Edam-Volendam een gemeente te maken die voor immigranten de moeite waard is om een nieuw leven op te bouwen, Nederland een land te laten zijn dat het waard is om hen te huisvesten, zij zo snel mogelijk de status van vluchteling verliezen en zij zich met anderen kunnen mengen in de samenleving. In de Protestantse Gemeente Zeevang en Oudendijk proberen we daar vorm aan te geven door maandelijks samen te komen met gevluchte Afrikaanse vrouwen en activiteiten met hen te ontwikkelen.

Wij keren tot slot terug naar Jakobus in wiens kerk diaconie en pastoraat speerpunten van het gemeenteleven vormen. Jakobus denkt holistisch dat wil zegen dat zijn vroomheid zich niet beperkt tot ruimtes waarbinnen bij ons veelal godsdienstig gedrag tot uiting komt. Hij staat een sterk ethisch gekleurd geloof voor dat de wijze waarop de mens er in de wereld is geheel doortrekt. Dat kan vandaag de dag betekenen, ik noem maar een voorbeeld, dat ik mijn stem laat horen op een gemeentevergadering en handelingen verricht op momenten waarop een ander mens slachtoffer wordt van politieke besluitvorming.

Jakobus’ geloof motiveerde hem tot liefdedaden en in het bijzonder daden van barmhartigheid waarin hij zich belangeloos ontfermde over de behoeftige ander. Jakobus wilde het koninkrijk van God niet afwachten, maar probeerde dagelijks op zijn manier gestalte te geven aan sociaaleconomische gelijkheid. Die activistische attitude had van een bekoorlijk uitziende aristocraat een onaanzienlijke knecht gemaakt. De uitwendige mens werd vernietigd, de innerlijke mens vernieuwd met elke geloofsdaad, waarvan Jakobus begreep dat die als een goede gave van boven kwam en die hij in dank volbracht. Hij staat te boek als een apostel maar is evengoed een profeet doordat hij ijvert voor recht, en geloof voor hem vraagt om de betrokkenheid bij politiek en maatschappij. Stelde iemand Jakobus de vraag of dat koningschap van God nog wat werd dan antwoordde hij: “Vandaag nog.”

Amen