Media

“Fichte en Kierkegaard. De invloed van Fichtes theorie van het zelfbewustzijn op Kierkegaards notie van het zelf” in: A. Deddens (eindred.), ‘Soφie’, Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 9e jaargang nr. 3 juni 2019, pp. 44 t/m 49.

Potloodtekening van de Duitse zelfbewustzijnsfilosoof Johann Gottlieb Fichte (1762 Rammenau-1814 Berlijn).
Borstbeeld van Kierkegaard in het ‘Kierkegaard Research Centre’ te Kopenhagen, 2010.
Kierkegaards verblijf op het kruispunt van de Charlottenstraße en de Jägerstraße in Berlijn, waar hij in 1841/42, 1843, 1845 en 1846 woonde. Hij schetste hier de eerste ontwerpen van de geschriften ‘Enten-Eller’, ‘Gjentagelsen’ en ‘Frygt og Bæven’, januari 2019.

Interview voormalig voorzitter ‘Protestantse Kerk Castricum’ Arien Blees ‘‘t Eethuysje’ Castricum, 3 maart 2019

Op zondag 3 maart 2019 is Arien Blees ter gelegenheid van haar afscheid als voorzitter van de ‘Protestantse Kerk Castricum’ (PKC) in restaurant ”t Eethuysje’ in Castricum geïnterviewd over haar voorzitterschap van de PKC in de periode van 2014 tot en met 2018.

Arien Blees

“Het zelf. De reactie van Kierkegaard op Fichte”

Artikel “Het zelf. De reactie van Kierkegaard op Fichte” in: A. Deddens (eindred.), Sophie, Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, jaargang nr. 9 april 2019, p. 38 t/m 43.

De ‘Naardense Bijbel’. Een gesprek met vertaler ds. Pieter Oussoren

Gesprek met ds. Pieter Oussoren over de ‘Naardense Bijbel’ uit het meinummer van het kerkblad Over en Weer van de Protestantse Kerk Castricum

Introductie

In het essay In den beginne in de bundel Wie God verlaat heeft niets te vrezen. De Schrift betwist (1997) schrijft Maarten ’t Hart, dat de eerste vijf boeken in de vertaling van Pieter Oussoren, de Naardense Bijbel, de vertaling die dichter bij de grondtekst blijft dan alle voorgaande vertalingen, weinig minder dan “een ‘openbaring’” zijn, omdat ze hem doen inzien dat de Thora één lang episch gedicht is. ’t Hart leest alles wat er staat in een nieuw licht, mede doordat de tekst kolometrisch is gezet. Hij noemt de Naardense Bijbel “een revolutionaire vertaling”, ook vanwege de theologische implicaties van bijvoorbeeld de vertaling van de eerste woorden uit de Hebreeuwse Bijbel, “sinds den beginne” in plaats van “in den beginne”: geïmpliceerd wordt dat God nog steeds schept.                                                    

Ds. Pieter Oussoren begon in 1972 met een concordante vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de deuterocanonieke geschriften en het Nieuwe Testament, die later de Naardense Bijbel zou gaan heten. De eerste editie van de vertaling werd in 2004 bij Skandalon gepubliceerd. Ik ontmoet Pieter in restaurant Groeneveld in Zaandijk waar ik, tijdens een veganistische lunch, een gesprek met hem voer over de Naardense Bijbel.

Vertaling van ‘Genesis’ 1 in de ‘Naardense Bijbel’ uit 2010

Voorgeschiedenis

In de tweede helft van de twintigste eeuw klinkt de roep om een Nieuw Liedboek. Het is echter een tijd waarin dichters als Martinus Nijhoff, Willem Barnard en Muus Jacobse al zijn overleden. Naast een Nieuw Liedboek zal er ook een nieuwe bijbelvertaling komen, want Oussoren werkt, naast zijn beroep als fulltime gemeentepredikant, met collegae uit de Zaanstreek in diezelfde tijd aan een zo letterlijk mogelijke vertaling van in eerste instantie de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel. Wat uiteindelijk de Naardense Bijbel zal worden genoemd, heette destijds de ‘Zaanse Bijbel’. Het uitgangspunt zo dicht mogelijk bij de brontekst te blijven, levert soms een stroeve, hoekige vertaling op, maar daarin kunnen mensen veel schoonheid zien. Het motief om een nieuwe vertaling te maken was een latente onvrede met zowel de toenmalige vertalingen als over de uitspraak van collega-predikanten “dat er eigenlijk wat anders staat”. Bovendien leek iedereen toe te zijn aan een nieuwe vertaling. Met de uitgever Jan de Vlieger was Oussoren een oplage van tweeduizend à drieduizend exemplaren voor het komende decennium overeengekomen. Voor de eerste druk echter, waren alle exemplaren al uitverkocht.

De vertaalprincipes van de Naardense Bijbel

De Naardense Bijbel volgt ten dele de zogenaamde Amsterdamse school, een theologische stroming uit de zeventiger en tachtiger jaren die de bijbelse teksten zoveel mogelijk bestudeert in overeenstemming met hun eigen aard, een bijbelse theologie in de teksten zelf veronderstelt en in het vertalen aan de brontaal het primaat verleent. Enkele concrete uitgangspunten waarin de Naardense Bijbel overeenkomt met de Amsterdamse school zijn: het opsporen van woordherhalingen, eenheden eenheden laten blijven, verschillen als verschillen weergeven, ademeenheden zichtbaar maken in de typografische vormgeving (de kolometrische weergave), en zangtekens doen fungeren als regelbrekers, waardoor de aandacht van de lezer(es) geregisseerd wordt. Daarnaast heeft Oussoren samenhang gezocht met de tale Kanaäns zoals die in de Statenvertaling wordt gebezigd en met de taal van het Liedboek voor de Kerken uit 1973. Ook is er in de Naardense Bijbel gebruik gemaakt van de tegenwoordige tijd als verteltijd en waar mogelijk is er vertaald in de tegenwoordige tijd. Het vertaalprincipe om van een aoristus een praesens te maken en van een perfectum en een imperfectum een verleden tijd is afkomstig van de Frans-Algerijnse jood André Chouraqui (1917-2007) en heeft tot gevolg dat er een minder zware vertaling tot stand is gekomen. Voorts heeft Oussoren de vertaling van Buber en Rosenzweig geraadpleegd, maar is hen bijvoorbeeld niet gevolgd in de werkwoordstijl. Het voert dan ook te ver de Naardense Bijbel als het Nederlandse equivalent van Buber en Rosenzweig te zien. Verder zijn de meeste bijbelse namen gelijk gebleven en heeft Oussoren voor enkele bijbelnamen de woordenlijst van Henk Heikens ingezien, waarin alle woorden uit het Hebreeuws en het Jiddisch die het Nederlandse idioom telt, op basis van een systematische spelling zijn opgenomen.

Ds. Pieter Oussoren

Voorbeeld

In Matteüs 14 vers 21 staat: “Die hebben gegeten, dat zijn zo’n vijfduizend mannen geweest, afgezien van vrouwen en kinderen.” Waarom zijn de pluralia “mannen”, “vrouwen” en “kinderen” in deze passage niet inclusiever vertaald met ‘mensen’? Oussoren vindt een dergelijke vertaling te veel van de grondtekst af staan; het is wel inclusief, maar het staat er niet, hoewel hij de huidige vertaling wel voor verbetering vatbaar acht: “mannen (…) vrouwen en kinderen niet meegeteld” zou een betere vertaling zijn.” Hij vindt het van belang te zien, wat er in de tekst aan de hand is. Door inclusief te vertalen waar de grondtekst niet inclusief is, kun je als lezer(es) het zicht verliezen op dat wat er in de tekst gaande is. Waar de grondtekst echter zichtbaar inclusief is, daar probeert Oussoren inclusief te vertalen. Op dit punt kijkt hij ook in de Bibel in gerechter Sprache, een vertaling die bijbelse vrouwen zichtbaar maakt en discriminatie vermijdt, om te zien welke keuzes de vertaler Ulrike Bail en haar medevertalers hebben gemaakt.

Lezerspubliek

Oussoren had tijdens het vertalen niet een bepaald lezerspubliek voor ogen, behalve zijn eigen, eerste gemeente in Koog aan de Zaan en Zaandijk. Zij, alsook latere gemeenteleden uit de Evangelisch-Lutherse Kerk in Utrecht, Leeuwarden en Bussum, corrigeerden zijn vertaling. De Naardense Bijbel wordt vooral gelezen door theologen en ‘leerhuismensen’. In vergelijking met andere vertalingen, die eveneens brontaalgericht vertalen, zijn de woordherhalingen in de Naardense Bijbel zichtbaarder. De Naardense Bijbel maakt het de Nederlandse lezer(es) niet gemakkelijk, maar deze vertaling biedt haar of hem wel inzage in de structuren van de grondtekst.

Creativiteit binnen het vertaalproces

Oussoren liep tijdens de samenstelling van de Naardense Bijbel niet tegen vertaalproblemen op, hoewel de hapaxen (een woord dat éénmaal in een tekst voorkomt; een opzichzelfstaand woord) in het boek Job soms lastig te vertalen waren. Het vertalen bestaat voor Oussoren uit de vaardigheid concordante Nederlandse woorden te vinden voor compacte zinnen in het Hebreeuws en het Nieuwtestamentisch Grieks. Oussoren prefereert het gebruik van concrete woorden als het niet nodig is abstracte begrippen te gebruiken. Vertalen is de kunde van het al zoekende overzetten van woorden in een andere taal. Toch was er tijdens het vertaalproces van de Naardense Bijbel ook sprake van creativiteit die uitmondde in enkele neologismen. Oussoren vertelt dat er een trucje onder vertalers is om bijvoorbeeld specifieke vogelnamen waar het Nederlands geen woorden voor heeft te vertalen met “een of andere vogel” of met “allerlei vogels”. Voor Oussoren bieden dergelijke lacunes in de Nederlandse taal juist gelegenheid om nieuwe woorden te verzinnen. In deze gevallen bieden woordenboekaanduidingen vaak geen zinnige aanknopingspunten voor een vertaling en komt het erop aan zelf creatief met taal te puzzelen. In het boek Joël komen bijvoorbeeld vier typen sprinkhanen voor, terwijl het Nederlands er slechts één onderscheidt. Oussoren verzint er vier, ook wanneer het Nederlands ze niet heeft: springpaard, langpoot, knaagbek en korfhaan.

Vertrouwen in de ondergrond van dingen

Oussoren maakt een vergelijking tussen vertalen en de archeologische werkzaamheden die vooraf kunnen gaan aan het schilderen van een huis. Bij de aankoop van het huis in Utrecht dat Oussoren bewoont, bleek dat het hele huis in een crème witte teint was geschilderd. Hij heeft het huis ten dele zelf gerestaureerd, waartijdens de oorspronkelijke kleuren van het huis onder de verflaag vandaan kwamen. Dat kleurige huis met een oorspronkelijke charme sprak hem, in een latere tijd, wel weer aan. Zoals Oussoren als restaurateur zijn Utrechtse woning in de oorspronkelijke staat herstelde door het op een nieuwe manier weer op te richten, zo richt hij in de Naardense Bijbel de grondtekst ook weer op. Hij heeft vertrouwen in geschiedenis, bewondert teksten, gelooft in wat teksten te bieden hebben en wil daar niets aan afdoen. Het principe zo waarheidsgetrouw mogelijk te vertalen, maakt dat hij niet gesteld is op, als waren het verflagen, overtollige zinnen. Die keuze wordt gemotiveerd door een taalfilosofie en een kijk op de geschiedenis, namelijk het vertrouwen dat wanneer je als vertaler dicht bij de tekst blijft, de kaalheid van die tekst wordt beschermd, en dat het zinnig is om die te behouden als een kleur, een laag van de geschiedenis. Het tonen van de grondstructuren van een tekst kan ertoe leiden dat een lezer(es) gaat zien wat zij of hij in vertalingen met andere vertaalprincipes mogelijk niet ziet. Dit zien zorgt voor een besef van historie en continuïteit van een tekst in de tijd.

Gesigneerd exemplaar van de ‘Naardense Bijbel’

Nieuwe vertaling van de godsnaam

Oussoren werkt momenteel aan een herziening van de Naardense Bijbel, die waarschijnlijk in 2020 zal worden uitgegeven. Een nieuwe vertaling van de godsnaam in deze dertiende druk is “Die doet geworden.” Ik ben benieuwd hoe Maarten ’t Hart tegen die vertaling aankijkt.

Ds. Suzan ten Heuw