Tag Archives: Anti-schepping

Kerkelijk Centrum Zeist, 18 februari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op de eerste zondag van de veertigdagentijd op 18 februari 2018 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum van de Protestantse Wijkgemeente te Zeist-West

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een ‘schok’ die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets, waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen, lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De ‘zelfbezorging’ die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate voor zichzelf een vreemde.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een anti-schepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat ‘onding’ ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende uitwerking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door een nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belichten en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten. Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving  van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Adventskerk Aerdenhout, 5 maart 2017

Preek naar aanleiding van Maleachi 2:10-16 uit de Naardense Bijbel en Marcus 10:1-16 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering op zondag 5 maart 2017 om 10.00 uur in de Adventskerk van de Protestantse gemeente te Aerdenhout

Gemeente,

Heeft u, bijvoorbeeld toen u studeerde, ooit deel uitgemaakt van een dispuut of debating-club? Heeft u ooit bewezen in staat te zijn een standpunt waar u zelf niet achter stond zo sterk mogelijk te laten uitkomen en zo uw rol als discussievoerder en advocaat met verve te spelen? Hebben retorische technieken waarmee je een betoog en de voordracht ervan vormgeeft voor u ooit geleid tot toelating tot een bepaalde wereld?

Maleachi is het nakomertje van de profeten. Om zich een plaats te verwerven binnen het profetendom was hij door enkele dispuutleden uitgenodigd voor een ontgroening. De sociale test van de kennismakingsborrels was hij gepasseerd: hij had een driedelig pak van Dior gedragen, een postmoderne bril opgezet, zijn haar zat goed in het vet en uit een broekzak stak een koker met sigaren. Hij had op die avonden zijn Perzisch accent bijgeschaafd en netwerkte veel. Hij schudde handen, wist een gesprek te openen en te onderhouden, maakte grappen, haalde actualiteiten aan, spreidde zijn kennis tentoon, deelde sigaren uit en hief het glas terwijl hij de slogan van de vereniging uitsprak. Door jaarleden werd hij gezien als een geestig en aimabel jongeman. Na een periode van borrelen zou hij worden getest op zijn welsprekendheid en vermogen een theoretische discussie te voeren. Indien hij ook deze beproeving zou doorstaan dan stond hem een inauguratie te wachten en kon de novice zich scharen in de rij van kleine profeten zoals Hosea, Amos, Micha, Habakuk, Haggai en Zacharia.

De enkele teksten die wij in het boek Maleachi lezen, vormen de disputen die hij tijdens zijn kennismakingsperiode voerde en die in literair bewerkte vorm als dialogen bij elkaar zijn gezet. In totaal zijn het zes theologische disputen waarin de vaardigheid van het debatteren werd beoefend. Niet alleen de inhoud van beweringen en argumentatietechnieken stonden bij het debat centraal, ook een eloquente stijl deed een nieuwkomer in de achting van studiegenoten stijgen. Maleachi twee vers tien tot zestien vormt Maleachi’s derde dispuut waarin hij de bewering verdedigt dat gemengde huwelijken en echtscheidingen verboden dienen te zijn.

In zijn tijd was een deel van de disputen gemengd, maar het dispuut waar Maleachi lid van was, beschouwde gemengde disputen als een ondermijning van de masculiene cultuur van het dispuut. Het derde dispuut vormde voor de auteur een uitgelezen kans om bij monde van Maleachi de identiteit van de vereniging in het openbaar en in het bijzijn van opponenten te markeren. De vragen uit het publiek droegen bij aan de didactische structuur van het dispuut. Ze hielpen hem zijn vaardigheden op het punt van uitleg, redenatie, klachtformulering, bewijsvoering, oordeelsvorming, overtuigingskracht en bezwarenanticipatie te laten zien. De belangrijkste troef die Maleachi in handen had, was het behoud van de huidige identiteit van de vereniging.

Aan het slot van de enscenering zou vrijwel iedere toehoorder beseffen dat Maleachi, die beschikte over een grondige kennis van de geschiedenis van de dispuutvereniging en de kwaliteiten van de stijlleer beheerste, een onhoudbare stellingname verdedigde. Maleachi slaagde daarmee voor zijn debatersexamen en getuigde van profetisch pastoraal optreden. Hij ontketende namelijk een discussie over de uitgangspunten van de vereniging die zouden leiden tot een hervorming van haar beleid. Na 515 waren ook vrouwen gerechtigd toe te treden tot het dispuut, indien ze dat al ambieerden. De viriele, gender discriminerende vereniging werd alsnog een gemengde vereniging. Het was het laatste obstakel dat overwonnen moest worden om te zorgen voor meer horizontale structuren in Maleachi’s wereld. Vandaar dat hij wel de hekkensluiter van de profeten wordt genoemd. Na hem zou er binnen het jodendom niet nog een profeet komen die groter was dan hij. Met zes disputen was hij weliswaar kort van stof, maar als je kijkt naar de reformatie die het effectueerde dan kun je hem gerust naast Jesaja, Jeremia en Ezechiël plaatsen. In al zijn bescheidenheid zou hij niet zijn eigen naam aan het dispuut toeschrijven, maar cijferde zichzelf weg door als aanhef boven het dispuut te zetten: “Een woord van de Ene.”

De auteur van het Marcusevangelie is zowel een politiek als een theologisch debater. Op vergelijkbare wijze als Maleachi zal ook hij om veiligheidsredenen zijn gezichtspunten indirect naar buiten brengen. Je leert hem kennen via de discussies die hij opzet tussen Jezus en de farizeeën. Evenals ‘Maleachi’ is ook ‘Marcus’ geen pleitbezorger van homogeen samengestelde groepen. Zij zagen niets in het scheiden van verschillende mensen die samen goed gedijen. Het evangelie werd geschreven in Italië. De overlevering noemt Rome als de plaats waar het Marcusevangelie is ontstaan. De toehoorders van de auteur waren joodse en heidense christenen die vervolgd dreigden te worden en hun toekomst niet zeker waren. Deze mensen liepen gevaar in het Romeinse Rijk terecht te staan voor autoriteiten die vrijheid van spreken en denken niet gunstig gezind waren. De autoriteiten legden voorgeleiden censuur op in het gebruik van religieuze bronnen; een teken van totalitair recht.

Het is die vrijheidsbeperking die ‘Marcus’ in hoofdstuk tien vers één tot zestien aan de kaak stelt. Na de proloog en enkele verhalen staan wij middenin de argumentatiestijl van Marcus’ evangelie. Hij zet Jezus en de leerlingen in als spreekbuizen van een open, democratische samenleving en laat hen in gesprek gaan met representanten van het farizese jodendom. Let op waar en hoe Marcus zijn protagonist opstelt: als een reiziger die onderweg mensen onderwijst en met farizeeën in debat treedt. De debater staat hier niet in een auditorium of arena, loopt niet door een zuilengalerij en zit niet in het café. Hij is iemand die zich per voet of per schip van herkomst naar bestemming verplaatst. Een reiziger en in het bijzonder een persoon die veel pendelt tussen verschillende samenlevingen, religieuze groeperingen en staatsvormen zal oog hebben voor de condities waaronder haar leden hun handelingen verrichten. De functie van de debater is niet de gebruiken en routines van de samenleving waarin zij of hij zich beweegt te bevestigen en de redeneertrant van gesprekspartners te onderschrijven. Dat zou aan het opvoeren van de rede snel een einde maken.

Als je als reiziger die van woord(en)wisselingen houdt op de plaats van bestemming bent en eventueel tussenstops maakt, kun je vragen naar actuele discussies. Wanneer Jezus in Judea arriveert is er een openbaar debat gaande over de kwestie van echtscheiding. Voor het jodendom van de eerste eeuw en de vroege kerk had die zaak ook een juridische kant. De farizese joden met wie de auteur van het Marcusevangelie via Jezus in gesprek is, stelden zich de vraag onder welke condities echtscheiding wettig was. Voor de farizese joden was die wet heilig, het vormde hun meetpunt en schermmiddel. Zij beriepen zich daarbij op de schrift. Wat Marcus nu doet is hun methode kritisch tegen het licht te houden door hun schriftgebruik met diezelfde schrift te bekritiseren. Hij toont daarmee het failliet aan van de gronden van hun redeneersysteem.

De discussie zou volgens mij nog veel scherper gevoerd kunnen worden door te vragen hoe de destijds geldende wetten tot stand waren gekomen en waarom de farizese joden daar zoveel waarde aan hechtten. Die wetten vormden het terrein van mannelijke privileges. Vrouwen waren niet betrokken geweest bij de wetsontwerpen. En laat dit nu een cruciaal punt zijn: het huwelijk is voor Marcus, als het goed zit, het voor- en toonbeeld van een structuur waarin beiden evenveel invloed hebben. Uit de reactie van Jezus kunnen wij de stellingname van de auteur, als vingen wij een glimp van hem op, afleiden. Hij kent aan pastoraat een groter belang toe dan aan wetten en regelgeving.

De discussie verschuift daarmee van de politieke en juridische naar een geestelijke sfeer. En dat is het nieuwe punt: bij Maleachi is sprake van een verschuiving, maar die blijft binnen het wettische. Bij Marcus heeft de accentverschuiving betrekking op een verplaatsing van het domein van staat en recht naar het geestelijke. Het recht houdt zich bezig met de gevolgen van een echtscheiding voor de rechtspositie van personen die een huwelijk ontbinden. Marcus echter wil niet nadenken over de mogelijkheid en implicaties van scheiding binnen een wettisch kader. Hij wil het thema echtscheiding behandelen als kunst. Marcus’ strategie is vraagstukken in een andere sfeer te trekken.

Het discours over scheiding wijzigt en met die wijziging komen een aantal aspecten van scheiding naar voren die de ‘wetsdenkers’ van zijn tijd niet belichten. Dat in de rechtszaal een decorum wordt hooggehouden terwijl achter de schermen een scheiding vaak als complex en pijnlijk wordt ervaren. Wat een levenslange eenheid had moeten zijn die voor beiden een bron van creativiteit betekende is uitgelopen op een breuk. De vraag die de formele, zakelijke kant van een relatie accentueert namelijk: hoe zijn huwelijk en echtscheiding bij de wet geregeld? komt bij Marcus te vervallen.

De vragen die hij thematiseert zijn: hoe is het huwelijk te bezien als een vorm van kunst en scheiding als een vorm van anti-schepping? Wat staat centraal in het huwelijk tussen twee personen? Wat stond mensen in den beginne voor ogen toen zij besloten met die ene andere persoon een duurzame relatie aan te gaan? Het huwelijk gaf volgens Marcus uitdrukking aan een wederkerige, pluriforme band tussen twee mensen die samen meer voorstelden dan wanneer zij als individu existeerden. Binnen het recht is er een winnaar en een verliezer. Voor Marcus die met een pastorale blik naar de praktijk van echtscheiding kijkt, wordt hier door beide partners verlies geleden. Het is om die reden dat hij de discussie die hij hier voert niet de status verleend van een gewonnen debat in een eregalerij, maar het karakter meegeeft van een annonce die hij een plaats geeft in een lijdensverhaal.

Amen