Tag Archives: Antischepping

Zondag 12 januari 2020, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede, zondag 26 januari 2020, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 2 februari 2020, De Wingerd Krimpen aan den IJssel, zondag 9 februari 2020, Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen Zwijndrecht, zondag 23 februari 2020, Protestantse Wijkgemeente Pauluskerk Breukelen, zondag 1 maart 2020, Protestantse Gemeente De Bron Amsterdam-Watergraafsmeer & zondag 8 maart 2020 10.00 uur Protestantse Kerk Egmond aan Zee

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 12 januari 2020 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 januari 2020 om 09.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de viering op zondag 2 februari 2020 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel, voor de viering op zondag 9 februari 2020 om 10.00 uur in de Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht, voor de viering op zondag 23 februari 2020 om 10.00 uur in de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk te Breukelen, voor de viering op zondag 1 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Bron te Amsterdam-Watergraafsmeer en voor de viering op zondag 8 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Kerk te Egmond aan Zee.

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een schok die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De zelfbezorging die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate een vreemde voor zichzelf.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een antischepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat onding ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende werking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette om hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belicht en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt om God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten.

Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Kerk Sijbekarspel, 19 maart 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 48:17-21 en Matteüs 25:14-30 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 19 maart 2017 om 10.00 uur in de kerk te Sijbekarspel van de Protestantse gemeente Het Vierkant te Wognum

Gemeente,

Tussen de cantates van Bach bevindt zich een aria duet voor sopraan en bas. Het duet is een liefdeslied tussen de ziel en de vervulling van het verlangen van de ziel. De sopraan vraagt hoe lang het nog duurt voor ‘haar heil’ zal komen. Haar religieuze hunkering kun je vergelijken met het in spanning afwachten van een uitslag, een beslissing die bepalend is voor je verdere leven. En de bas haast zich haar roep positief te beantwoorden. De sopraan dikt haar verlangen en ongeduld nog wat aan en laat weten dat ze als een brandende olielamp smacht naar het object van haar begeerte. En dan openen sopraan en bas gezamenlijk de zaal van een hemels feest dat duurt tot diep in de nacht. Religie en erotiek zijn nauw met elkaar verbonden.

De auteur die in onze tekst aan het woord is, is de profeet die wel wordt aangeduid als Deuterojesaja, dat wil zeggen: de tweede Jesaja. Met zijn tekst, die vooral een profetie is, reageert hij als de bas in Bachs cantate op de sopraan, de eerste Jesaja. De tweede Jesaja herinterpreteert en reflecteert op de teksten van zijn voorganger. Hij leest oude teksten opnieuw vanuit inzichten die hij opdeed aan de hand van een ervaring van ballingschap van de eerste Jesaja. De tekst veronderstelt bekendheid met wat aan deze profetie vooraf is gegaan en in grote lijnen hebben we die historische aanleiding weten te reconstrueren.

De eerste Jesaja voelde zich, voordat hij afstompte, volledig vrij. Er was geen enkele beperking of inkadering waardoor hij aan één type identiteit vastzat. De eerste Jesaja was probleemloos een man geworden. Hij had de gelegenheid te baat genomen zich ‘naar binnen te keren’ omdat de weg van de innerlijkheid een nog niet eerder waargenomen ‘ik’ kon produceren, en was in een nieuwe verhouding tot de tijd en het verleden komen te staan. Het was een schimmige ‘fase’ die hij achteraf als louterend zou beschrijven, maar op dat moment voelde hij zich vaak heen en weer geslingerd tussen zijn oude en nieuwe ik, overheerst, verdrietig, zwak, onbekwaam, gevloerd, verlaten en dolend op onbekend terrein. De eerste Jesaja stierf zijn verschrikkelijke laatste uren, ging kopje onder en wist niet of hij ooit nog boven zou komen. En toen kwam die brief van Deuterojesaja.

U zou de tekst uit Jesaja 48 vers 17 tot 21 ook kunnen vergelijken met een brief, kaart, e-mail, sms’je of appje, waarin een persoon een collega met een burn-out bemoedigt en heel beeldend perspectieven in het vooruitzicht stelt waarin die collega weer toe is aan een energiek arbeidsleven en interesses zich verbreden. Deuterojesaja is het steuntje in de rug voor zijn ‘alterego’.

De eerste Jesaja tot wie de Deuterojesaja zijn tekst richt, is uit de running. Hij had te lang op dezelfde plaats vertoefd zoals je te lang in hetzelfde dienstverband werkzaam kunt zijn waardoor je het risico kunt lopen af te stompen. Deuterojesaja had zijn ‘gedeprimeerde collega’ geadviseerd zijn heil elders te zoeken, voorspeld dat het bedrijf waar hij al jarenlang werkte binnenkort failliet zou gaan en had handreikingen gedaan voor een leef- en werkomgeving waar de eerste Jesaja naar inschatting zou gedijen.

En inderdaad, steen voor steen brokkelde die oude wereld waarin de eerste Jesaja leefde en dacht, af. Zijn vertrek en de overgang naar een andere omgeving waarvan nog maar de vraag was of hij er een beroep kon doen op zijn ‘standaard kwaliteiten’, betekenden voor hem een herbezinning op de vragen waar hij een bijzondere aanleg voor had, waar hij zich het liefste mee bezig hield, onder welke voorwaarden hij zijn gaven kon ontwikkelen en wat die nieuwe omgeving opriep aan impulsen waardoor hij talenten aansprak die eerder niet werden gestimuleerd.

In zijn ‘vorige bestaan’ had die eerste Jesaja goed geweten wat hij wilde. Hij was in tune met zichzelf. Wat hij deed congrueerde met zijn zelfbeeld en wilsvermogen. Aan die periode van met zichzelf in samenspraak leven, was een einde gekomen. Met zijn migratie leek het alsof hij als de huid van een slang een deel van zichzelf was verloren, zichzelf opnieuw moest uitvinden, hij een gedaantewisseling onderging. Die eerste Jesaja had de touwtjes van zijn identiteit strak in handen. Het land waarin hij geboren was, de taal die gebezigd werd in de wereld van de joodse godsdienst en zijn werk, waren daartoe de meest belangrijke identitymarkers. Nu bevond hij zich in een ‘stadium’ waarin de twijfel toesloeg, hij aarzelde over wat te doen, hij zich niet kon verlaten op enig systeem, ‘uitgesproken karaktertrek’ of voorkeur en hij dientengevolge aan innerlijke strijd en besluiteloosheid leed.

Je kunt die situatie vergelijken met een kind dat in eerste instantie leeft door in te gaan op externe factoren. Op een dag komt het kind tot het besef dat het vooral reageert op invloeden van de buitenwereld en er te kiezen valt. Als het kind besluit niet in te gaan op die voormalige ‘oorzaken’ van het eigen gedrag en nu vanuit zichzelf haar of zijn wil ontwaart en meer intern gaat leven, kan er verveling optreden. Het zijn momenten waarop een kind geen manieren kan verzinnen de eigen wil te ontplooien, een activiteit kan verzinnen en van een ouder verlangt haar of hem te vermaken.

Deuterojesaja had de eerste Jesaja leren kennen als iemand die zijn eigen toekomst plande en aan ‘lifemanagement’ deed. Dat zelfmanagement had een steeds hogere graad bereikt en hoe meer Jesaja heer en meester was over zijn eigen leven, hoe minder God de grond van het ‘er zijn’ was en Jesaja genoodzaakt was zijn eigen schepper te zijn. Op de lange termijn had die zelfbezorging hem geestelijk overvraagd – dit is in de tekst het moment waarop ‘Babel instort’. Wat oorspronkelijk God toekwam, diende dan tegelijkertijd als een manier zichzelf te rechtvaardigen. Om de haverklap legde hij aan derden uit wie hij was, wat hij deed en vanuit welke motieven hij zijn vak uitvoerde.

In Jesaja’s grondhouding van autonomie had hij een eenheid verbroken die geleid had tot een vervorming van de werkelijkheid en een verlies aan een levendig bestaan. Het is een gezichtspunt dat je bijbels theologisch kunt duiden als antischepping: een manier van leven waarin een mens niets meer van God verneemt, haar of zijn ondernemingslust verliest en de deur van de toekomst op slot zit. Jesaja had zichzelf en zijn grootste talent – religieus schrijver zijn voor de elite van Juda – als een muntstuk in de grond verstopt. Tot de terugkeer van de maestro, Deuterojesaja, die met een theologische analyse en een flinke dosis genade de ontknoping en uittocht uit zijn psychische denkwijze in gang zette.

De woorden waarmee Deuterojesaja hem toesprak waren ongehoord en waren gebaseerd op een ontleding en uitleg van een geestelijke toestand die Deuterojesaja in verschillende vormen bij menig mens tegenkwam, namelijk, die van de vertwijfeling. Wilde Jesaja mens-zijn, zichzelf zijn, dan kon hij niet anders dan erkennen dat daar een keerzijde aan zit. De oude Jesaja die uitsluitend op zijn eigen termen zichzelf wilde zijn, leefde eendimensionaal. In een overweldigende heilsprofetie deed Deuterojesaja zijn theologische mensvisie uit de doeken. Die mens is als een klarinet die wordt aangeblazen – een daad waarin haar of hem de geest wordt gegeven. De ogenblikken waarop dat gebeurt, leeft een mens ten volle, driedimensionaal zo u wilt en de aaneenschakeling van die momenten vormt de rode draad in een mensenleven. Het is herschepping ten voeten uit. Bij de eerste Jesaja zou er weer iets gaan dagen in zijn bewustzijn, het woord keert weer en de dingen krijgen glans.

Ook Matteüs heeft van die werking geweten. Nooit kon geloof teveel verwachten. Heb je een talent? Woeker ermee! Evangelie wil dan zeggen: present zijn in je eigen leven, ontkiemen en opnieuw geboren worden. Door geloof is een mens bekwaam te doen waar zij of hij goed in is en in staat zich te onderscheiden van een ander. In de toewijding aan de eigen talenten geeft een mens – vroom uitgedrukt – antwoord op de vernomen roep van ‘de Ene’. In een coöperatieve relatie met die ‘Ene’ kan een mens zichzelf overtreffen en uitmuntend werk leveren.

Amen