Zaterdag 3 april 2021, Protestantse Gemeente Voorhout, zondag 4 april 2021, Protestantse Gemeente Breukelen, zondag 11 april 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 25 april 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop & zondag 2 mei 2021, Amstelkerk Ouderkerk aan de Amstel

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op Stille Zaterdag 3 april 2021 om 21.30 uur in de Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorhout, voor de viering van Pasen op zondag 4 april 2021 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente te Breukelen, voor de kerkdienst op zondag 11 april 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de kerkdienst op zondag 25 april 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop en voor de kerkdienst op zondag 2 mei 2021 om 10.00 uur in de Amstelkerk te Ouderkerk aan de Amstel

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes zogezegd alles uit de kast of liever uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar ‘Johannes’ mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte, de realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in één keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geest oproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het evangelie volgens Johannes is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, en anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord ‘wereld’ tegenkomt, dan duidt ‘wereld’ op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting? Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door definities, noch door identiteiten, noch door polemiek, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in ons zelf, zingt ook Andra Day met haar Rise Up. U kunt deze opname via internet bekijken.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.  

Amen 

Sint Joostkapel Gouda, 8 oktober 2017

Preek naar aanleiding van Baruch 5:1-9 en Romeinen 8:18-25 uit de Willibrordvertaling voor de viering op de derde zondag van de herfst op 8 oktober 2017 om 10.30 uur in de Sint Joostkapel van de Evangelisch Lutherse Gemeente te Gouda

Gemeente,

Wie het vak logica volgt, wordt getraind haar perspectief op taal te verschuiven. Een logicastudente kijkt niet zozeer naar de inhoud en betekenis van zinnen, zij is veeleer geïnteresseerd in de vorm van een reeks woorden die een samenstel vormen, om uiteindelijk premissen, argumenten en redeneerschema’s op het spoor te komen, en de geldigheid ervan te beoordelen. Het verband tussen deze inleiding en de tekst uit Baruch is dat de tekst uit dit deuterocanonieke boek het karakter heeft van de omlijsting van een schilderij. De lezer(es) wordt uitgenodigd even niet naar het doek te kijken, maar naar de omranding die het kunstwerk inkadert, en dat een decoratieve functie heeft.

Baruch vijf vers een tot negen is een bloemlezing over de denkbeelden en gevoelswereld van de joden over de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap die erop volgde. De tekst leest als een gedicht en kan als speech op een feestdag in een religieuze ruimte worden voorgedragen. Het is een hooglied van troost en hoop met profetische allure. Na een periode van rouw port Baruch de gedeporteerde joden op, om te kijken of zij, na zich enigszins te hebben aangepast aan een nieuwe situatie, klaar zijn voor een nieuw perspectief.

Baruch is een modestylist, iemand die een intrinsiek verband ziet tussen menselijk gedrag en kledingstijl. In zijn verbeelding gebruikt hij dan ook beelden uit de wereld van kleding en textiel, die als metaforen nieuwe betekenissen moeten scheppen in Israëls ervaringen en interpretaties. Dit joodse volk gaat al geruime tijd gekleed in het zwarte gewaad van boete en gebed, en wat Baruch betreft is het de hoogste tijd het rouwkleed te verruilen voor een kostuum van stralende schoonheid en gerechtigheid. De dresscode die Baruch voorschrijft, is wit en feestelijk.

Die gedeprimeerde joden vormden een groep en versterkten elkaar in hun treurstemming en lijden. Het bleek voor de individuele, goedgemutste jood moeilijk zich los te maken uit ‘een weeklachtcultuur’. Het is uitgerekend Baruch die als secretaris werkzaam was en op enige afstand van het joodse collectief stond, die in staat zal zijn de in een escorte weggevoerde joden op te beuren en te bemoedigen.

Hoe troost hij? Door de aandacht van zijn lezer(es) te richten op verandering en een nieuw perspectief te schetsen. Of liever, door een oud geloof in een nieuw jasje te steken. De joden in den vreemde dienen hun blik te richten op het oosten, de band met Jeruzalem te onderhouden en mogen er vanuit gaan dat ze, thuisgebracht door ‘die grote gemene deler’, weer samenkomen en zich opnieuw organiseren in een bezielend verband. Baruch mikt op een groot weerzien.

Hij gaat voor zijn belofte van herstel te rade bij Jesaja die hij via de priester Jeremia, zijn werkgever voor wie hij veel brieven schreef, had leren kennen. Baruch neemt uitdrukkingen van hem over om de joden toe te spreken en aan te sporen vreugdevol uit te kijken naar wat er volgens hem voor hen in het verschiet ligt. Tot het zover was, zouden de joden in de diaspora als ‘toeristen’ tijdens ‘een vakantie’ hun rituelen blijven herhalen om de gedachtenis aan hun thuisland levend te houden.

Als lezer(es) kun je Baruchs schrijfstrategie vergelijken met een ouder die al een tijdje op het schoolplein staat te wachten, totdat de bel gaat, en het kind dat die dag voor het eerst naar school ging, ophaalt. Zodra het kind de ouder tussen een menigte van ouders heeft ontdekt, rent het op de ouder, die inmiddels in gebukte en open houding het kind begroet, af en vliegt het in de armen. Een ander voorbeeld is het gevoel ontroostbaar te zijn na een relatie die op de klippen loopt, en na verloop van tijd zien hoe door die situatie nu ook ruimte vrijkomt voor andere levensinvullingen.

Paulus en Baruch delen eenzelfde mensvisie, namelijk dat de mens geroepen is tot heerlijkheid, in wat voor hachelijke toestand zij of hij zich ook bevindt. Ook Paulus stelt een omgang met lijden voor, door via overbrugging alvast vooruit te lopen op de toekomst. En er is meer dat hen bindt.

Paulus bevindt zich in een soort spagaat nu hij de drang voelt te benadrukken dat hij zijn religieuze levenservaring moeilijk aan zijn omgeving kan aanpassen. Dat milieu, ons materiële universum, is ingebed in eindigheidsstructuren, en volgens Paulus is het rabbijnse onderwijs dat hem ter beschikking stond onvoldoende in staat de effecten van al wat van voorbijgaande aard is, op een zinvolle manier te plaatsen. De wet, primair opgevat als ritueel en ceremoniële aangelegenheden, was niet in staat de neergang en de dood, waar het menselijk leven en al wat er mee samenhangt in de kosmos op uitloopt, tegen te houden. Geen enkel theologisch systeem of religieuze constructie is bestand tegen de tand des tijds.

Paulus is op zoek naar een duurzaamheidsvisie. Hij zet een persoonlijke spiritualiteit, of liever, zijn levenservaring in die het euvel van de vergankelijkheid het hoofd moet bieden. Met zijn voorstel strooit hij zand in de raderen van de zandloper van de tijd. Hij gebruikt de metaforen van zwangerschap en bevalling om heel affectief en aanschouwelijk lijdenssituaties te illustreren. Woorden als “kreunen, barensweeën, zuchten, verlossing, zwakheid” en “verzuchtingen” roepen die lijdensbeelden en connotaties op. En als Baruch zet Paulus al zijn kaarten op de categorie van de hoop.

Lijden ontstaat veelal door een gebrek of gemis. Uit dat tekort valt veelal ook een voorwerp van verlangen af te leiden, te benoemen en te projecteren in de toekomst. Naar de verwerkelijking van de inhoud van dat verlangen kan een mens reikhalzend uitzien. Paulus hoopt dat die hoop aanstekelijk werkt en als een lopend vuurtje rondgaat. Sterker nog, mens en wereld dragen zelf het zaad van ‘verlossing en vereeuwiging’ in zich, zo is zijn overtuiging.

Wat zouden die termen ‘verlossing en vereeuwiging’ voor een mens in de eenentwintigste eeuw kunnen betekenen? Voor iemand die erg assertief is, is een suggestie los, receptief in het leven te gaan staan en de eigen denkbeelden af te zwakken en belangen te laten varen, om ruimte te scheppen voor de inbreng en initiatieven van de ander. Voor een mens die haar of zijn voorstellingsvermogen vooral voedt met externe prikkels of veel digitale overuren maakt, kan het inhouden zich te oefenen in dagdromen en mijmeringen, door minder te letten op wat er in de buitenwereld gebeurt, en op die wijze de fantasie in werking te stellen.

Het ‘project’ van Paulus kan de vraag oproepen of het de gevolgen die meekomen met de eindigheidsstructuren van ruimte en tijd, waarin de mens zich bevindt, teniet gedaan zijn door metafysisch denken. Paulus wil iets absoluuts en relativeert vanuit die wens de feitelijke werkelijkheid.

Ten opzichte van Baruch vindt bij Paulus een omkering plaats. Door het Oude Testament loopt als een rode draad dat de Israëlieten moeite hebben met de onzichtbaarheid van God, en als oudtestamentische auteurs over God spreken, dan doen ze dat in concrete taal. Paulus situeert de manifestatie van God langs de weg van de hoop in ‘het onzichtbare’, dat wat je al wel met je geestesoog kunt waarnemen, maar wat nog niet praktisch vormgegeven is.

Transcendentie dat wil zeggen, ‘dat wat de eigen denkcategorieën en ervaring te buiten of te boven gaat’, kan niet voorkomen dat ik mijzelf, zolang ik leef, telkens in een fysische werkelijkheid beweeg. Naast Baruch die oproept terug te keren naar een wereld die achter de joden ligt en naast Paulus die inzet bij een leven voorbij de horizon, kunnen wij, als wij ons willen verzoenen met de huidige leefwereld, lerend van Baruch en Paulus, proberen er ook voor te kiezen een eigen leven op te bouwen. En onderweg af en toe terugblikken, het verleden present stellen, kijken hoe een ieder zich daartoe verhoudt en in verwachting van gewenste, mogelijke en haalbare gebeurtenissen. Dan houd ik mijn leven op peil en het lijden daarin binnen de perken.

Amen