Tag Archives: Ethiek

Zondag 17 februari 2019, ‘Gereformeerde kerk Zaandijk’ & zondag 24 februari 2019, Hervormde Gemeente Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Jesaja 56:1-7 en Matteüs 15:21-28 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 17 februari 2019 om 10.00 uur in de ‘Gereformeerde kerk’ te Zaandijk en uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 24 februari 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente Zevenbergen

Gemeente,

Daar zit hij dan, Jesaja, tussen de brokstukken van zijn geloof. Om zich heen liggen flarden tekst als puzzelstukken op de grond: perkament met historische beschrijvingen, een bundeltje geloofslessen, pamfletten met beloftes, delen van een roman, waarin de auteur gewag maakt van zijn visionaire gedachten, een huwelijksakte, een paar belijdenissen en vellen met redactionele correcties. Jesaja zoekt naar een manier waarop hij deze verzameling van uiteenlopende en uit elkaar gevallen documenten zal rangschikken. Hij had op een tweesprong gestaan: of ieder residu apart behandelen en reconstrueren of alle overblijfselen tot een eenheid te smeden. Hij koos voor de laatste optie en gaat verschillende schriftelijke informatiebronnen met hun eigen patronen, kleur en motieven aan elkaar naaien als tot een lappendeken. Op die manier zorgt hij voor theologische continuïteit in de verbrokkelde teksten van de joodse religiegeschiedenis.

Van de beloften die door zijn voorgangers waren gedaan, was weinig terecht gekomen. Het leven in een metropool met zoveel mensen en functies was weerbarstig en kon de plaats van belofte en haar vervulling niet moeiteloos overbruggen. Uit eerbied en collegialiteit had Jesaja ze als een appendix aan zijn tekst toegevoegd. Hij zet ze achteraan, laat ze niet achterwege, maar moffelt ze wel een beetje weg. Jeruzalem, de stad die symbool staat voor het welslagen van ieders levensproject, ligt namelijk in puin. Het is nu niet de tijd voor formele toezeggingen.

Jesaja zal een prominente plaats toekennen aan de ethiek, de enige aangewezen weg om de miljoenenstad weer op te bouwen en de godsdienst nieuw leven in te blazen. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem had haar stedelingen opgeschrikt. Mensen waren in rep en roer. U kunt de impact van die gebeurtenis vergelijken met de watersnood van 1953, waarbij de dijken in het deltagebied braken en grote delen van de provincie Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden onder water liepen, de cafébrand in Volendam of de terroristische aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Dan ligt het leven in een stad overhoop, chaos alom, buitenstaanders zitten aan de buis gekluisterd en een land houdt zijn adem in. Het zijn van die schaarse momenten waarop ‘de loop der dingen’ wordt verstoord, er een knik komt in de flow van het menselijk leven zelf.

Jesaja had verwacht dat de ruïne waarin de tempel – lees het godsdienstige leven – verkeerde in het leven van mensen zo’n breuk tot gevolg zou hebben, dat het leven na die tijd niet meer zou zijn wat het voor die tijd was geweest. Alsof de wrakstukken van de tempel zo tot godsvereerders zou spreken, dat zij zouden stilstaan, zich verbijsterd afvragen wat de oorzaken van deze historische gebeurtenis waren en tot de conclusie komen dat het roer van het eigen leven om moest.

Dit proces van bezinning, berouw en verandering van levenswijze noemen we met een religieuze term ‘bekering’. Jesaja’s hoop op het tot stand komen van om- en inkeer bleek ijdel. De gebeurtenis leek eerder aanleiding te geven tot praktijken in een toestand van buiten de orde. Het stedelijk en religieus verval ging gepaard met een morele crisis. Het handjevol mensen dat een beschaving probeert te redden, voelt zich ontmoedigd door de aanhoudende stroom van berichten over plunderingen en rooftochten door de stad. En op de plaats waar ooit hun gebedshuis stond, zijn een paar totempalen neergezet.

Jesaja had in boekrollen gelezen hoe velen voor hem op een vergelijkbare situatie reageerden. Dan werd er in crisistijd of achteraf een profetie geschreven, waarin de ondergang van een tempel deel uitmaakte van een plan, waarin de dingen op een einde liepen en een nieuwe schepping aanstaande was. Of men voorspelde een duizendjarig vrederijk of een paradijs op aarde. In een derde geval zag een auteur kans een messiaanse tekst te produceren: het verdwijnen van de tempel en de periode van destructie die erop volgde had betrekking op de komst van een bevrijdingsfiguur.

Voor Jesaja werken die strategieën niet meer: hij had ze doorzien, ontmaskerd als wanhopige reddingspogingen of als toekomstvisies na periodes van vergane glorie. Bij Jesaja was het stil geworden, hij had in een impasse verkeerd en verlangde terug te gaan naar het begin, waarin God nog door niemand werd herkend en, ooit eenzaam en onzichtbaar, door Hebreeërs via richtlijnen in stukjes werd geknipt.

Na verloop van tijd had Jesaja besloten terug te gaan naar oude, tijdloze teksten. In een paar weken tijd had hij de hele klassieke Wereldbibliotheek herlezen en de religieuze teksten onder het stof vandaan gehaald, apart gelegd en opnieuw ingedronken. Tijdens het herlezen van die oude teksten viel het Jesaja op dat de zwaartepunten van Israëls vroomheid bij het recht en de ethiek lagen. Beide disciplines leken voorwaarden te formuleren en bouwstenen aan te dragen voor de religie.

Die volgorde zou vandaag kunnen betekenen dat je, ik noem maar een paar voorbeelden, eerst met een menswaardig vreemdelingenbeleid voor de dag komt, voldoende arbeidsplaatsen creëert en duurzame contracten aanbiedt, sleutelt aan wetten en wetswijzigingen doorvoert die het niet langer mogelijk maken docenten op grond van hun seksuele oriëntatie te ontslaan en op die wijze geloofwaardigheid schept, en dan kunnen we het daarna over de vormgeving en nadere invulling van religieus leven hebben. Jesaja had die oude teksten bijgeschaafd en herschreven: de wet voorop, met in zijn kielzog de profetie.

En toen ontmoette Jesaja ‘de Kananese vrouw’, die zijn wettisch denken buiten spel zet. Ze waardeerde het ordenende effect van die wet en begreep hoezeer Jesaja de wet als middel nodig had om bakens op te richten in zijn leven dat in duigen lag. Ze had er ook een kanttekening bij geplaatst: ze vond de herhaling die doorklonk in de wet en het universele karakter ervan getuigen van een gebrek aan geloof. Die wet waarin Israëls leefregels stonden geformuleerd, spreidde hij als een koepeldak uit over het hele mensdom, terwijl die ene, concrete andere mens daar wellicht helemaal geen boodschap aan had. Jesaja had van Israëls kruimels levensgrote broden gebakken en die goed geconserveerd, terwijl het leven zelf en de eigen existentie daarin telkens opnieuw vanuit actuele termen om doordenking en aanpassing vroeg.

Matteüs laat ‘de Kananese vrouw’ de rol spelen van het grote contrast. Waar Jesaja houvast ontleent aan twee stenen tafelen die hij eigenhandig heeft gerenoveerd, houdt de Kananese vrouw de fakkel van het geloof in haar handen. De term ‘Kananees’ is een scheldwoord, waarmee een Jood zijn verachting uitdrukt voor de Griekse handelaar die er, volgens de morele schema’s van de Jood, onethische handelspraktijken op nahield. De Griek leefde in een hele andere denk- en belevingswereld, namelijk in die van weemoedige, erotische vrolijkheid, die zich niet via bijvoorbeeld een wet laat verwerven. Hij is een zakenman, leeft in een snelle wereld, heeft handigheid verworven in het sluiten van deals, waarin een regel de praktijk volgt en niet andersom.

Matteüs zet die laatdunkende term ‘Kananees’ in om de tegenstelling tussen religieuze leiders die zich vastklampen aan de wet en deze buitenlandse vrouw te vergroten. Met haar belijdenis, die het product vormde van haar passie, zou ze inbreuk maken op de gevestigde orde van religieuze machtsbolwerken – en, niet te vergeten, op Jesaja’s denkkaders.

Jesaja is een profeet, bevindt zich vaak in afzondering in de woestijn, leest veel, studeert graag en is overwegend melancholisch gestemd. Indien hij vandaag de dag zou leven, dan zou hij te vinden zijn in een minimalistisch ingericht kamertje van een contemplatieve kloosterorde waar hij een ora et labora, bid en werk, -leven leidt. In tijden van depressie kijkt hij met een droevige blik om zich heen, naar het verleden en al wat daarin onvervuld is. Het zijn die momenten waarop Jesaja’s hart niet meer gelooft, en de bronnen van zijn hoop zijn opgedroogd, dat hij zich op wetten verlaat, en het is de vrolijkheid van de Kananese of liever Griekse vrouw die zijn ongeloof te hulp komt. Zij is opgeruimd, onstuimig, enthousiast en heeft gevoel voor drama en het zijn uitgerekend deze kwaliteiten die Jesaja’s neigingen op de proef stellen.

Jesaja is het verloren schaap van het huis van Israël, waar Matteüs haar als een messiaanse naartoe stuurt. Deze Griekse gaat Jesaja, die het idee van een huwelijk voor zichzelf nooit serieus heeft overwogen, verleiden tot een verbond, waarin zij zo met hem samenleeft, dat het licht in zijn ogen nooit meer dooft. Zij zou spreken, hij luisteren. Zij zou bij hem intrekken en een dochter die ziekelijk was uit een eerder huwelijk meenemen. De zorg die zij samen voor dat zieke kind op zich zouden nemen, zou Jesaja voorgoed van zijn Weltschmerz genezen. Hij zou zijn handen vol hebben haar zijn aandacht te schenken en had niet verwacht dat hij zoveel voldoening uit het ouderschap zou halen. Dit is de handreiking die Matteüs vanuit zijn joodse milieu en christelijk denken aan de Griekse wereld doet. ‘De Kananese vrouw’ doet alle stigma’s, vooroordelen, vijandbeelden, wij-zij-cultuurindelingen en smetvrees teniet. Zij is de messias en marathonloper die met de toorts van het geloof de afstand tussen Athene en Jeruzalem aflegt en Jesaja’s wereld alsnog binnenstebuiten keert.

Amen

Zondag 30 december 2018, ‘Ontmoetingskerk’ Poortvliet & zondag 6 januari 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Nehemia 9:15-20 en Matteüs 14:13-21 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 30 december 2018 om 10.00 uur in de Ontmoetingskerk te Poortvliet en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 6 januari 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

De tekst uit Nehemia laat zich moeilijk lezen zonder die van Ezra. De boeken Ezra en Nehemia vormen twee aan elkaar gekoppelde treinstellen met coupés waarbinnen zich van alles afspeelt. Wie ze ontkoppelt mist de samenhang. En toch selecteren we een tekstfragment uit dit overkoepelende historische werk.

Wie middenin Nehemia negen stapt is getuige van de geboorte van het Jodendom. Er is een auteur die de sociale en religieuze identiteit van de joden wil tonen. Hij verleent hen een gezicht en een referentiekader: kijk dit zijn wij dan en zo is het gekomen! Eerst is sprake van een boetedoeningsceremonie, de weeën van een religieuze groep mensen, en daarop volgt de ontsluiting, doordat bestuurders contracten tekenen die ervoor zorgen dat de Thora in het dagelijks leven wordt geïntegreerd. Vers vijftien tot twintig is een kruimel uit die boetedoeningsceremonie, waarin een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie, Nehemia, terugblikt op de manier waarop zijn grootouders omgingen met wat hij duidt als ‘religieuze tekenen aan de wand’. Nehemia heeft wellicht wel ‘makkelijk praten’. Hij is van een afstand in de rol van toeschouwer aan het nakaarten. De wereld waarin zijn grootouders zich bevonden en waarin tal van chaotische gebeurtenissen zich afspeelden is achter de rug. Al wat zijn grootouders aan ‘goede gaven’ ten deel viel, leest hij achteraf vanuit zijn vroomheid als ‘uit Gods hand’.

Die grootouders zaten nog in de overgang naar een samenleving die via de decaloog, de Tien geboden, een politiek-religieus georganiseerde vorm kreeg. Een ook die duiding, dat er een transitie gaande was, is een inzicht dat naderhand is verkregen. Die grootouders zelf hadden er geen notie van dat ze zich in een veranderende situatie begaven, die konden daar slechts naar raden. Zij beschikten nog niet over de oriëntatiecoördinaten waar Nehemia wel op kan terugvallen en die hij ook als ‘middel’ zal gebruiken om de periode van ‘voor de wet’ te interpreteren en te bekritiseren. U kunt die verhouding vergelijken met een sportcommentator die vanaf de zijlijn via haar of zijn beschrijvingen en oordelen het spel volgt, maar niet, zoals de spelers, midden op het veld staat. Dáár wordt het spel in al z’n hectiek en dynamiek gespeeld.

Een mens kan zich de vraag stellen hoe een cultuur ontstaat, of men kan spreken van culturele vooruitgang en zo ja, onder welke condities. De perikoop uit Nehemia draagt een voorwaarde aan voor de wording en de progressie van een beschaving namelijk, dat een mens in staat is de eigen cultuur kritisch onder de loep te nemen. Voor Nehemia betekent het dat hij langs de weg van een cultuurkritiek een nieuw element, te weten dat van de religie, introduceert. Hij vindt de joodse religie opnieuw uit, waarmee hij een interpretatiemedium in handen heeft dat hij niet alleen kan cultiveren, maar waarmee hij een geschiedenis ook kan herschrijven.

Wie journalistieke verslaggeving in Nederlandse kwaliteitskranten vergelijkt met de wijze waarop meer dan twee decennia geleden in diezelfde kranten werd geschreven, kan één ding zijn opgevallen. Het lijkt wel alsof naast berichtgeving ook lezer(es)s(en) zelf zich in discussies mengen en zich uitlaten over de manier waarop journalisten verslag doen. De lezer(es) gaat niet meer zo gauw akkoord met de taal die een journalist of columnist hanteert en met de keuzes die zijn gemaakt welk type berichtgeving in een krant op te nemen en welke niet. Zij of hij plaatst vraagtekens bij het format van het medium, omdat het inperkt, afbakent en haar of zijn wereld versmalt, terwijl zij of hij hongert naar dat wat daarbuiten valt.

Een ander voorbeeld waarin ‘de leerling de leraar voorbij is gestreefd’, zijn breed gedragen maatschappelijke debatten over tradities waarin de ethiek haar stem laat horen. De ethiek, de stem van het geweten, kan als spelbreker worden gezien – en dat is ze ook! – en kan ertoe leiden dat een jonge generatie ervoor kiest gebruiken niet langer in stand te houden, omdat ze het kwetsende gehalte ervan voor een minderheidsgroep of de schadelijke gevolgen ervan voor het milieu zwaarder vindt wegen, dan de feestvreugde die met een ritueel gepaard gaat. Je zou dat culturele vooruitgang in negatieve zin kunnen noemen. Generatie Y weet heel goed waartegen ze zich afzet en kan daar redenen voor aandragen. Na dit ‘stadium’ volgt dan vaak een ‘neutrale periode’, waarin op ideeën wordt gereflecteerd die uiteindelijk in een positieve fase hun verwoording in documenten en in handelingen gestalte krijgen.

Nehemia zal uiteindelijk ingehaald worden door mensen die afzien van een historisch-theologisch fundament voor een cultuur en veeleer kijken naar maatschappelijke belangen en het legitimeren van individuele rechten. In dat geval komen religieuze idealen te vervallen die vaak later in bewerkte, meer specifieke, genuanceerde vorm en in combinatie met andere invloedsferen weer voorzichtig worden binnengehaald.

De tekst uit Nehemia kan de vraag oproepen ‘waar wij vandaan komen’ en waar wij ons naartoe bewegen. En wie zijn wij dan? Wie ben ik in dat geheel? Als een tijd niet langer in staat is vragen van komaf en bestemming te beantwoorden, dan bevindt ze zich mogelijk in een staat van nihilisme die leidt tot een cultuur op drift, maar je kunt dat verschijnsel ook anders benaderen.

Generatie Y, een aanduiding voor mensen die na 1980 zijn geboren, heeft geen vertrouwen in ‘grote programma’s’ en ziet weinig in traditionele waarden. Ze is op universiteiten en hogescholen volgestopt met empirie en rede en bekijkt menig verhaal of vertoog met argusogen. Ze is onrustig, leergierig, gedreven, omgevingsbewust, ondernemend, weegt opties af en netwerkt tot ver over de landsgrenzen heen. Ze kiest juist wel voor een huwelijk of kinderen, én voor een academische carrière, een verhuizing naar het buitenland, zet een eigen bedrijf op en combineert meerdere ambities.

Haar engagement ten aanzien van kerk en cultuur is vaak incidenteel en intens. Die levensstijl kun je zien als een gistingsproces, een periode waarin veel gebeurt en wordt verteerd. De plaats die deze generatie ‘leeg laat’ en die door grootouders werd ingevuld met ‘grote verhalen’ is ook heilzaam. Generatie Y laat het wel uit haar hoofd weer een ‘leider’ aan te stellen, een ‘alomvattende visie’ te omarmen en terug te gaan naar de slavernij van Egypte. Die lege ontstane ruimte laat ze niet weer in bezit nemen, maar houdt ze open. Tegelijkertijd wil ze niets liever dan dat er mensen zijn die zich om hen bekommeren, hen in dienst nemen en een duurzame verbinding met hen aangaan. Geen slappe compromissen, geen vrijblijvende vriendschappen, geen half jaar contracten. Generatie Y wil commitment, eeuwige trouw, tot de dood haar scheidt.

Een vraag is hoe deze generatie van tieners, twintigers en dertigers zich oriënteert. Een dertiger die hen voorging en zich ook van veel overtuigingen had ontledigd was Jezus van Nazareth. Toen Jezus, als Nehemia een voorloper van een godsdienstige opwekkingsbeweging, hoort dat zijn tijdgenoot en geestverwant Johannes de Doper is onthoofd zonder een proces en dat dit het gevolg is van een beloofde eed die is afgelegd tijdens een uit de hand gelopen feestje, dan trekt hij zich terug uít de massa om zich te bezinnen, na te denken en te bidden. In wat voor wereld leef ik? Wat is er in mijn cultuur gaande? Door welke sociale wetten wordt mijn cultuur ‘geregeerd’ en gereguleerd dat aan een absurd verzoek – het hoofd van Johannes de Doper op een schaal – wordt voldaan?

Die beslissing van afzondering ten opzichte van een collectief, omdat een mens geschokt is over de effecten van een gewoonte die van de ene generatie op de andere is overgeleverd en die herziening, bijstelling, herijking of afschaffing behoeft, zou je ‘de manifestatie van het koninkrijk van God’ kunnen noemen. Dat is pioniersarbeid, te zagen aan een bepaald type ‘vanzelfsprekendheden’, te breken met denkbeelden en dat is niet in ieder land zonder gevaar voor eigen leven.

Dat isolement of die retraite vormt ook de gelegenheid terug te keren naar oude waarden en het herstel van vormen en stijlen die wellicht te voorbarig en vanuit een te nauw blikveld overboord zijn gekieperd. De geestelijke oefening te leren hoe de eigen cultuur in elkaar steekt en via zelfbepaling te schiften wat daarvan weg kan, welke waarden overeind kunnen blijven, het creëren van een leeg midden en het eventueel ontwerpen van nieuw gedachtegoed is een manifestatie die uitnodigt tot vieren. Het is het spijzigingswonder van de innerlijke, individuele mens die uitkomt bij het delen als levensvorm voor gemeenschap en die brokken brood, bouwstenen biedt voor een leven in de geest.

Amen

Adventskerk Alphen aan den Rijn, 22 april 2018

Preek naar aanleiding van Hooglied 2:1-7 uit de Naardense Bijbel voor de cantateviering van zondag Jubilate op 22 april 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

In het Griekse denken werd de dichter wel gezien als het doorgeefluik van de goden. In de bijbelse literatuur is de dichter een persoon die zich vrijwel dag en nacht bezighoudt met God. Hij kan er geen genoeg van krijgen, snijdt zelden een ander thema aan.

Houden bij de Grieken de goden de dichter bezig, in de Hebreeuwse bijbel houdt God dichters bezig. De dichter articuleert hoe God zijn denken en doen ‘beïnvloedt’, hoe zeer hij Gods aanwezigheid koestert en hoe zwaar hem Gods afwezigheid valt. Is God er, dan verkeert hij in een hallelujastemming, looft en dankt in majeur, laat God het afweten, ‘zegt hij hun afspraakjes af’, dan is de dichter niet te genieten, dan klaagt en protesteert hij in mineur.

Wie het boekje Hooglied leest, is beland in het genre ‘religieuze liefdespoëzie’. Wat opvalt is dat in Hooglied de godsnaam niet voorkomt. Alsof de dichter God van zijn lijst heeft geschrapt, uit zijn mond spaart. Op grond van dit gegeven en het gebruik van een Grieks leenwoord is denkbaar dat het boekje in de derde eeuw voor Christus is ontstaan. Het Midden-Oosten stond ten tijde van de oudheid niet open tegenover seksualiteit en erotiek, en de sociale controle was groot. Je ziet het aan woordkeuzes als “de distels”, “de bomen van het woud”, de opmerking over “de vaandel” en de bezweringsformule aan het slot.

Er is dreiging in deze repressieve cultuur als ‘de liefde ontluikt’, en wie over de liefde een boekje open wilde doen, deed dat in bedekte, poëtische, dubbelzinnige termen, zodat de lezer(es) kon raden naar de betekenis van die ‘raadselachtige’ woorden. Hooglied leest als geheimschrift, een gecodeerde, voor de verliefde te ontcijferen liefdesbrief. In het geval dat een liefdesbrief in die samenleving van censuur openbaar werd en er represailles dreigden voor de dichter, dan kon hij zijn poëzie verdedigen door haar geheel binnen de kuisheidswetten uit te leggen. Over “een zoete vrucht”, “het wijnhuis”, “rozijnenkoeken” en “appels” viel geen mens – ook niet iemand die in dienst van de overheid werkzaam was. Hooglied gaat dus zowel over God, als over die door censuur getroffen erotiek.

In de receptiegeschiedenis is de erotiek in deze dichtkunst door zowel joodse als christelijke exegeten vaak achterwege gelaten of zij gingen er al snel toe over aspecten die over de menselijke seksualiteit gingen langs de weg van de symboliek religieus uit te leggen. Op die manier wordt pikante literatuur en het ‘taboeonderwerp’ dat het bevat vergeestelijkt, de scherpe kanten weggevijld en het beeld van een samenleving die zich organiseert door middel van de onderdrukking van een verliefd paar beïnvloed en in stand gehouden. Het is wellicht de reden waarom de dichter ‘als een spion in dienst van het hogere’ de godsnaam in het Hooglied niet noemt.

Zolang de dichter single was, vulde God zijn gedachtewereld. Hij stond met God op en ging met God naar bed. En toen verscheen zij, de roos van de Sjaron, het lelietje van dalen en God verdampte. Maar het is wel zuur wanner je als verliefde jongeman, terwijl je hormonen door je lijf gieren, door de tralies van een venster moet kijken om een glimp van je liefje op te vangen. Dan ben je in de bloei van je leven en dan blijkt achter het proeven van die zoete vrucht een bittere kant te schuilen. Ze is in de publieke sfeer verboden, het is een ingesnoerde, gesluierde liefde.

De liefde die de dichter ervaart is niet keurig, afgemeten, ze is buitensporig, extatisch en hij staat voor de taak binnen een gedisciplineerd schrijven het excessieve karakter van die liefde te behouden. In de concentratie van zijn werk gaat hij van de liefde getuigen. Hij doet dat door het liefdespaar zo te portretteren dat zij geen last hebben van godsdienstige, morele of andere culturele scrupules. Via zijn beschrijvende poëzie verschaft hij de tortelduifjes een formule voor het bedrijven van de liefde, die hun cultuur hen niet toestaat. Je kunt hierin een overgang lezen in de persoonlijke ontwikkeling van de dichter. Hij is niet langer de estheet die ‘vanaf een afstand’ schone verzen schrijft, maar zet de stap naar de ethiek door zich te engageren, zijn nek uit te steken voor een meisje dat vanwege haar amoureuze gerichtheid vlucht voor haar belagers en met geweld wordt bejegend.

Het boekje Hooglied zou je op die wijze kunnen lezen als een pamflet voor vrije liefde in oorlogstijd. Het bezingt op poëtische wijze de liefde tussen een meisje en een jongen die telkens afscheid van elkaar nemen, liefdesverdriet hebben, elkaar moeten missen, omdat hun liefde zich onder de druk van een ‘controle-en-verbod-samenleving’ niet vrijelijk kan ontwikkelen. Zolang die samenleving niet open is, komt de godsnaam niet over de lippen van de dichter. Want waar passie wordt beteugeld in een totalitair regime, de vrijheid niet het hoogste woord heeft, daar is volgens de dichter God niet. Die duiding van Hooglied verklaart ook de spot die de dichter in de tekst drijft met de hokjesgeest.

De dichter gaat het gebrek aan vrijheid van expressie lenigen en compenseren door een liefde te beschrijven waar de lezer(es) niet omheen kan. Al de zintuigen van de geliefden staan open, de dichter weet van hun fraaie lichamen hele gedetailleerde beschrijvingen te geven, ze druipen van genot, speelsheid, zoete labels, geplease, het komt allemaal voor in het minnekozenspel van de intimiteit tussen jij en ik. En je dient de tekst met een dirty mind te lezen, anders kun je als lezer(es) tal van verbanden niet leggen. Deze dichtbundel heeft een enorme dynamiek.

De dichter zet een dialoog op tussen een vrouwelijke en een mannelijke stem, laat die twee stemmen met een bepaalde vaart afwisselen, zodat je als lezer(es) de draad kwijtraakt. Wie heeft er nu het woord? En dat is precies wat er gebeurt in de onstuimigheid en de chaos van de liefde: geliefden raken in elkaar verstrengeld, gaan in de ander op en stralen van geluk. Hemelt hij haar op, dan vergelijkt zij zichzelf met twee eenvoudige veldbloemen, en dan doet hij er als reactie nog een schepje bovenop, bevestigt haar, overlaadt haar met complimenten en beiden koeren vrolijk verder.

Er zijn twee vragen die de dichter bij de lezer(es) oproept. De eerste luidt: hoe loopt het liefdesverhaal af? De zielsbeminde – in het Hebreeuws ‘degene die mijn ziel liefheeft’ en de minnaar blijven naar elkaar verlangen, elkaar aantrekken, opzoeken, aan elkaar gehecht en missen. Blijft dat patroon zich herhalen? Houden ze het vol in de liefde te blijven, terwijl wachters over de muren patrouilleren, zoals ook een geestelijke gemeente uiteindelijk verdeeld kan raken onder de druk van vervolging. Eindigt het Hooglied onder het juk van culturele waarden in een breuk? Het bezweringsrefrein van het meisje laat zien dat zij geen rooskleurige opvatting van de liefde heeft; met eros valt niet te spotten, roep hem niet voortijdig en manipuleer hem niet, dan gaat het unieke van de erotische liefde, de innige verbondenheid met de persoon die jouw ziel lief heeft mogelijk verloren, en ontketen je krachten die je kunnen meesleuren in een omhelzing die je bestaan kunnen vloeren. Het meisje, kortom, is zich bewust van de krachten waaraan ze, verliefd als ze is, blootstaat.

De tweede vraag die de dichter indirect aan mij stelt is: ben ik in de rol van lezer(es) niet een voyeur die in plaats van over bijbelse erotiek te lezen, de liefde niet ook zelf in praktijk mag brengen? Het Hooglied kan voor zichzelf spreken, maar de liefde lijkt toch vooral ‘een zaak’ van hét doen. Het in praktijk brengen van de liefde zou weleens de terugkeer van God in een cultuur kunnen betekenen.

Amen

De Oase Zoetermeer, 28 januari 2018

Preek naar aanleiding van Nehemia 9:15-20 en Matteüs 14:13-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 28 januari 2018 om 10.00 uur in De Oase van de Protestantse Gemeente te Zoetermeer

Gemeente,

De tekst van Nehemia laat zich moeilijk lezen zonder die van Ezra. De boeken Ezra en Nehemia vormen twee aan elkaar gekoppelde treinstellen met coupés waarbinnen zich van alles afspeelt. Wie ze ontkoppelt, mist de samenhang. En toch selecteren we een tekstfragment uit dit overkoepelende historische werk.

Wie middenin Nehemia negen stapt, is getuige van de geboorte van het jodendom. Er is een auteur die de sociale en religieuze identiteit van de joden wil tonen. Hij verleent hen een gezicht en een referentiekader: kijk dit zijn wij dan en zo is het gekomen! Eerst is sprake van een boetedoeningsceremonie, de weeën van een religieuze groep mensen, en daarop volgt de ontsluiting, doordat bestuurders contracten tekenen, die ervoor zorgen dat de Thora in het dagelijks leven wordt geïntegreerd. Vers vijftien tot twintig is een kruimel uit die boetedoeningsceremonie, waarin een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie, Nehemia, terugblikt op de manier, waarop zijn grootouders omgingen met wat hij duidt als ‘religieuze tekenen aan de wand’. Nehemia heeft wellicht wel ‘makkelijk praten’. Hij is van een afstand in de rol van toeschouwer aan het nakaarten. De wereld waarin zijn grootouders zich bevonden en waarin tal van chaotische gebeurtenissen zich afspeelden, is achter de rug. Al wat zijn grootouders aan ‘goede gaven’ ten deel viel, leest hij achteraf vanuit zijn vroomheid als ‘uit Gods hand’.

Die grootouders zaten nog in de overgang naar een samenleving die via de decaloog, de Tien Geboden, een politiek-religieus georganiseerde vorm kreeg. En ook die duiding, dat er een transitie gaande was, is een inzicht dat naderhand is verkregen. Die grootouders zelf hadden er geen notie van dat ze zich in een veranderende situatie begaven, die konden daar slechts naar raden. Zij beschikten nog niet over de oriëntatiecoördinaten waar Nehemia wel op kan terugvallen en die hij ook zal gebruiken als ‘middel’ om de periode van ‘voor de wet’ te interpreteren en te bekritiseren. U kunt die verhouding vergelijken met een sportcommentator die vanaf de zijlijn via haar of zijn beschrijvingen en oordelen het spel ‘volgt’, maar niet, zoals de spelers, midden op het veld staat. Dáár wordt het spel in al z’n hectiek en dynamiek gespeeld!

Een mens kan zich de vraag stellen hoe een cultuur ontstaat, of men kan spreken van culturele vooruitgang en zo ja, onder welke condities. De perikoop uit Nehemia draagt een voorwaarde aan voor de wording en de progressie van een beschaving, namelijk, dat een mens in staat is om de eigen cultuur kritisch onder de loep te nemen. Voor Nehemia betekent het dat hij langs de weg van een cultuurkritiek een nieuw element, te weten dat van de religie, introduceert. Hij vindt de joodse religie opnieuw uit, waarmee hij een interpretatiemedium in handen heeft, dat hij niet alleen kan cultiveren, maar waarmee hij een geschiedenis ook kan herschrijven.

Wie journalistieke verslaggeving in Nederlandse kwaliteitskranten vergelijkt met de wijze waarop twee decennia geleden in diezelfde kranten werd geschreven, kan één ding zijn opgevallen. Het lijkt wel alsof naast berichtgeving ook lezer(es)s(en) zelf zich mengen in discussies en zich uitlaten over de manier waarop journalisten verslag doen. De lezer(es) gaat niet meer zo gauw akkoord met de taal die een journalist(e) of columnist(e) hanteert en met de keuzes die zijn gemaakt welk type berichtgeving in een krant op te nemen en welke niet. Zij of hij plaatst vraagtekens bij het format van het medium, omdat het inperkt, afbakent en haar of zijn wereld versmalt, terwijl zij of hij hongert naar dat wat daarbuiten valt.

Een ander voorbeeld waarin ‘de leerling de leraar voorbij is gestreefd’, zijn breed gedragen maatschappelijke debatten over tradities, waarin de ethiek haar stem laat horen. De ethiek, de stem van het geweten, kan als spelbreker worden gezien – en dat is ze ook! – en kan ertoe leiden dat een jonge generatie ervoor kiest om gebruiken niet langer in stand te houden, omdat ze het kwetsende gehalte ervan voor een minderheidsgroep zwaarder vindt wegen, dan de feestvreugde die met een ritueel gepaard gaat. Je zou dat ‘culturele vooruitgang in negatieve zin’ kunnen noemen. Generatie Y weet heel goed waartegen ze zich afzet, en kan daar redenen voor aandragen. Na dit ‘stadium’ volgt dan vaak ‘een neutrale periode’, waarin op ideeën wordt gebroed die uiteindelijk in een positieve fase hun verwoording in documenten en in handelingen gestalte krijgen.

Nehemia zal uiteindelijk worden ingehaald door mensen die afzien van een historisch-theologisch fundament voor een cultuur, en veeleer kijken naar maatschappelijke belangen en het legitimeren van individuele rechten. In dat geval komen religieuze idealen te vervallen, die vaak later in bewerkte, meer specifieke, genuanceerde vorm en in combinatie met andere invloedssferen weer voorzichtig worden binnengehaald.

De tekst uit Nehemia kan de vraag oproepen ‘waar wij vandaan komen’ en waar wij ons naartoe bewegen. En wie zijn wij dan? Wie ben ík in dat geheel? Als een ‘tijd’ niet langer in staat is vragen van komaf en bestemming te beantwoorden, dan bevindt ze zich mogelijk in een staat van nihilisme, die leidt tot een cultuur op drift, maar je kunt dat verschijnsel ook anders benaderen.

Generatie Y, een aanduiding voor mensen die tussen 1980 en 2000 zijn geboren, heeft geen vertrouwen in ‘grote programma’s’ en ziet weinig in ‘traditionele waarden’. Ze is op universiteiten en hogescholen volgestopt met empirie en rede, en bekijkt menig verhaal of vertoog met argusogen. Ze is onrustig, leergierig, gedreven, omgevingsbewust, ondernemend, weegt opties af en netwerkt tot ver over de landsgrenzen heen. Zij kiest juist wel voor een huwelijk of kinderen, én voor een academische carrière, een verhuizing naar het buitenland, zet een eigen bedrijf op en combineert meerdere ambities.

Het engagement ten aanzien van kerk en cultuur is vaak incidenteel en intens. Die levensstijl kun je zien als een gistingsproces, een periode waarin veel gebeurt en wordt verteerd. De plaats die deze generatie ‘leeg laat’, en die door grootouders werd ingevuld met ‘grote verhalen’ is ook heilzaam. Generatie Y laat het wel uit haar hoofd weer een ‘leid(st)er’ aan te stellen, een ‘alomvattende visie’ te omarmen en terug te gaan naar de slavernij van Egypte. De lege ruimte die aldus is ontstaan, laat ze niet weer in bezit nemen, maar houdt ze open. Tegelijkertijd wil ze niets liever dan dat er mensen zijn die zich om hen bekommeren, hen in dienst nemen en een duurzame verbinding met hen aangaan. Geen slappe compromissen, geen vrijblijvende vriendschappen, geen half jaar- en flexcontracten tot ze vijfendertig zijn. Generatie Y wil commitment, eeuwige trouw, tot de dood haar scheidt.

Een vraag is hoe deze generatie van tieners, twintigers en dertigers zich oriënteert. Een dertiger die hen voorging en zich ook van veel overtuigingen had ontledigd, was Jezus van Nazareth.

Toen Jezus, als Nehemia een voorloper van een godsdienstige opwekkingsbeweging, hoort dat zijn tijdgenoot en geestverwant Johannes de Doper is onthoofd, zonder een proces, en dat dit het gevolg is van een beloofde eed die is afgelegd tijdens een uit de hand gelopen feestje, dan trekt hij zich terug uit de massa om zich te bezinnen, na te denken en te bidden. In wat voor wereld leef ik? Wat is er in mijn cultuur gaande? Door welke sociale wetten wordt mijn cultuur ‘geregeerd’ dat aan een absurd verzoek – het hoofd van Johannes de Doper op een schaal – wordt voldaan?

Die beslissing van afzondering ten opzichte van een collectief, omdat een mens geschokt is over de effecten van een gewoonte, die van de ene generatie op de andere is overgeleverd, en die herziening, bijstelling, herijking of afschaffing behoeft, zou je ‘de manifestatie van het rijk van God’ kunnen noemen. Dat is pioniersarbeid, te zagen aan een bepaald type ‘vanzelfsprekendheden’, te breken met denkbeelden, en dat is niet in ieder land zonder gevaar voor eigen leven.

Dat isolement of die retraite vormt ook de gelegenheid om terug te keren naar oude waarden, en het herstel van vormen en stijlen die wellicht te voorbarig en vanuit een te nauw blikveld overboord zijn gekieperd. De geestelijke oefening te leren hoe de eigen cultuur in elkaar steekt en via zelfbepaling te schiften wat daarvan weg kan, welke waarden overeind kunnen blijven, het creëren van een leeg midden en het eventueel ontwerpen van nieuw gedachtegoed is een manifestatie die uitnodigt tot vieren. Het is het spijzigingswonder van de innerlijke, individuele mens die uitkomt bij het delen als levensvorm voor gemeenschap en die brokken brood, bouwstenen biedt voor een leven in de geest.

Amen

Gereformeerde kerk Lisse, 17 september 2017 en Pauluskerk Breukelen, 24 september 2017

Preek naar aanleiding van Ezechiël 33:7-11 en Romeinen 12:9-21 uit de Groene Bijbel voor de viering op de dertiende zondag van de zomer op 17 september 2017 om 10.00 uur in de gereformeerde kerk te Lisse en uit de Naardense Bijbel voor de viering op de eerste zondag van de herfst op 24 september 2017 om 10.00 uur in de Pauluskerk te Breukelen

Gemeente,

Wie een bijbelse tekst leest, doet er goed aan zich de vragen te stellen: wie spreekt hier? En, wie zegt wat tegen wie? Dergelijke vragen maken je als lezer(es) gevoelig voor context en de betekenis van taal in een specifieke setting. De tekst uit Ezechiël drieëndertig vers zeven tot negen is onbegrijpelijk, zonder kennis te nemen van de historische situatie die aanleiding gaf tot dit schrijven. Ezechiël drieëndertig vers zeven tot negen is een ‘zelfvisie-document’ waarin Ezechiël via een omweg, God, tot klaarheid komt over zijn functioneren en identiteit na een ingrijpende gebeurtenis.

In de tekst fungeert God als de spiegel waartegenover Ezechiël zichzelf plaatst. Nadat hij er goed is voor gaan zitten, ontspint zich een innerlijk gesprek, dat enkel tot stand kan komen, doordat Ezechiël zichzelf in gesprek brengt met ‘een tegenover’. De profielschets die hij maakt, komt tot stand nadat zich in zijn omgeving een ramp voltrekt. In zijn optreden vóór die ramp, had Ezechiël zijn persoonlijke gevoelens en gedachten voor zichzelf gehouden. Zijn gereserveerde attitude en teruggetrokken levensstijl gaven blijk van een bescheidenheid en gepaste afstand ten aanzien van de medemens. Die medemens was hem heilig en Ezechiël had vrees de ander té direct te benaderen en haar of hem in haar of zijn andersheid te na te komen. Nu is hij van inzicht veranderd.

De val van een stad had een grote storing in Ezechiëls leven gebracht of liever, betekende de coming out van Ezechiël. Want, in en na zijn optreden, is Ezechiël ‘gedwongen’ zichzelf bloot te geven, en vergaart hij zich een veel grotere vrijheid van expressie dan voorheen. En misschien kun je zijn daad van mensenliefde eraan herkennen, dat hij tijdens dat stedelijke drama in Jeruzalem gaat doen wat hij van huis uit liever uit de weg zou gaan of achterwege zou laten: alarm slaan, de aandacht op zich vestigen en de profeet van de dwaze en onredelijke hoop spelen.

In Lisse, Breukelen, Leiden, andere steden in de Bollenstreek en in de provincie Utrecht, en op plaatsen in geheel Nederland, klinkt op de eerste maandag van de maand een luchtalarm. Het is een geluidssignaal dat wordt getest om de bevolking bij mogelijk gevaar te waarschuwen en zichzelf in veiligheid te laten brengen. Over een dergelijk alarmsysteem beschikten Ezechiël en zijn tijdgenoten niet. Ook bestond er niet zoiets als een rampenwet met een rampenplan, waarbij met een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines en met behulp van hulpmiddelen, een situatie te beëindigen is.

Ezechiël is Israëls sirene en die taak neemt hij op zich op basis van intuïtie, een innerlijke noodzaak, een onweerstaanbare drang vanwege een zaak die als een klap zal aankomen bij de ethisch en orthodox denkende jood. De jood namelijk die denkt dat hij ‘verloren’ is vanwege misstappen, en de jood met een zondebesef, voor wie het leven zijn glans heeft verloren en die in zichzelf verkromd dreigt te raken, krijgen van Ezechiël woorden aangereikt waardoor zij een nieuwe visie op de werkelijkheid ontwikkelen. De joden die na de instorting van de tempel zijn achtergebleven, de overlevenden, verkeren in een omstandigheid waarin ze zich nog beroepen op een oude orde. Dat beroep laat zien dat de gebeurtenis zelf nog helemaal niet aan hun referentiekaders en schemata heeft geschud.

Ezechiël moet wel een drempel over en vindt daartoe de kracht doordat hij onaangenaam getroffen is door de ravage die de verwoesting van de tempel heeft aangericht. Het is de liefde waardoor hij het in zich heeft het kwaad te verafschuwen en zich vastklampt aan ‘het goede’. Hij probeert de gedeprimeerde jood die stem krijgt in vers tien vanuit zijn situatie te begrijpen en vanuit dat begrip aan te raken. In de bittere en wanhopige noodklacht van de jood: “Voor ons is er geen sprake van leven”, hoor je de existentiële pijn van ieder mens voor wie leven en dood op het spel staan. Deze jammerklacht is de collectieve reactie van een volk op een toestand waarin mens- en wereldbeeld in duigen zijn gevallen, en er behoefte is aan een stem die van binnenuit en van buitenaf betekenis gaat verlenen aan dat grootschalige drama.

In het Oude Testament zie je vaak een profeet opduiken bij situaties die een spoedeisend karakter hebben. Ezechiël gaat de liefde, waar de jood op wacht, in praktijk brengen, protest aantekenen tegen de zelfondermijnende denkbeelden van de getraumatiseerde en depressieve jood, en zal pogen een weg te wijzen. Hij is de wachter en waker van Israël en zal al spiedend de gebeurtenissen in zijn tijd in het oog houden om dan, als er gevaar dreigt, groot alarm te slaan.

Het sleutelwoord dat de parabel uit Ezechiël verbindt met de tekst uit de brief aan de Romeinen is ‘bekering’. Het Nieuwe Testament gebruikt er het Griekse woord metanoia voor. Bekering is een religieus begrip dat zoveel betekent als ‘tot inkeer brengen’. In een act van bekering ontzegt een mens zich iets, en wordt tot een nieuw inzicht gebracht waardoor zij of hij zich tot een andere levensrichting wendt. Vaak gaat er een sterke religieuze ervaring aan die nieuwe oriëntatie vooraf. Die bekering is niet een eenmalige act, maar een levenslang aanhoudend proces. Als je theologisch over ‘bekering’ wilt spreken, dan zeg je dat bekering niet het gevolg is van menselijke inspanning of prestatie, maar dat ze is bewerkt door de genade van God.

Wat een bekering doet, is een mens helpen af te zien van bepaalde prioriteiten in het leven, deze af te gelasten, af te zeggen en het leven in te richten naar een hoop en levensvervulling in een toekomst die wortelt ‘in God’, dat wil zeggen: dat wat je zelf niet bent en hebt kunnen uitdenken. Een bekering is te vergelijken met een TomTom die een uitgestippelde route herberekend en een alternatief parcours voorstelt. Het autonavigatiesysteem waarbij je een koers hebt bepaald, blijkt tijdens het volgen van de aanwijzingen namelijk niet berekend te zijn op lokale wijzigingen, en ziet af van de ingeslagen weg, gaat terug naar het vertrekpunt en stelt alles in werking te anticiperen op een onvoorzien voorland.

De tekst uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen beschrijft hoe ‘bekering’ eruit kan zien door concrete invullingen van de liefde, de agapè als een groot contrast neer te zetten ten opzichte van de begeerte, de eros. Eros is in de Griekse mythologie de god van de liefde en heeft als kind van poros – het opportunisme – en penia – de armoede – altijd honger. Eros is onverzadigbaar, permanent ontevreden, rusteloos en is continu bezig vervulling na te jagen. Eros heeft een biologische functie. Een mens houdt met eros de soort in leven. Paulus kende de werking van eros en zijn bezwaar is dat eros momentaan en onkritisch is, doordat eros alleen zichzelf in de ander ziet. Paulus gaat eros overrulen door eros te onderscheiden van een niet-zinnelijke en onzelfzuchtig begrip van liefde: de agapè.

Agapè is niet kortstondig, houdt niet op, omdat ze deel heeft aan de eeuwigheid. Agapè is het protest tegen de stroom waar de mens in drijft en zichzelf in mee laat voeren. Agapè is de uitwerplijn die de mens die horig is aan haar of zijn driften, en daardoor onvrij is, vanaf de kade wordt toegeworpen. Agapè steekt als het ware een stokje voor de ‘automatische’ opvolging van begeertes en leert een mens daarboven te staan. Ze is waardig, belichaamt een positief ethos en hult zich in een gedaante waarin ze zich van huis uit niet zou hullen. Agapè is een tegennatuurlijk soort liefde. Ze druist in tegen biologie en treedt op als een grote stoorzender van de psychologie, omdat ze pneumatologisch dat wil zeggen, geestelijk van aard is. Agapè is een bereflecteerd soort liefde. Ze haalt je uit de flow van het leven, maakt daar inbreuk op, is een interruptie, een onderbreking die je in staat stelt vanuit een beschouwelijke optiek naar je eigen verlangens en handelen te kijken. Ze ziet af van haar eigen eerste neigingen en belangen, omdat zij, bijvoorbeeld in het geval van Ezechiël, een groep joden uit het slop wil trekken, en in het geval van Paulus, geen wij-zij-cultuur wil scheppen en de geest een stap verder wil helpen.

Paulus had gezien hoe in een Grieks-Romeinse stad waar een christenbeweging leefde aan beide kanten ‘groepsdenken’ vijandbeelden kan creëren en hoe funest dat kan zijn voor een vreedzame, pluriforme samenleving. Paulus betoont zich in Romeinen twaalf vers negen tot eenentwintig een iconoclast dat wil zeggen, een beeldenstormer avant la lettre. Paulus had voor die stedelijke problematiek geen oplossing gevonden binnen de ethiek, omdat ethiek volgens hem geen positieve, nieuwe mogelijkheden schept. De ethiek leert je vooral wat je níet moet doen en volgens haar heb je het altijd bij het verkeerde eind.

Sterker nog, ethiek was voor Paulus een ‘sta in de weg’, doordat veel moraal denkwijzen verried die teruggingen op een economie van wederkerigheid. Dat wil zeggen, calculaties als ‘ik verleen jou wat jij wilt en jij geeft mij wat ik beoog’ en, ‘ik geef opdat u geeft’. Van die principes waren het recht en de religie van de Romeinen doortrokken. In dat geval wordt in de jaarrekening van een cultuur evenveel uitgegeven als dat er aan inkomsten wordt gegenereerd, en kan een samenleving niet een volgende stap zetten. Ze blijft bij het oude.

Agapè is niet ethisch, ze is een onlogische, ondenkbare liefde die daar plaatsvindt waar het leven van de mens in haar normale gang wordt verstoord, en die een nieuwe mogelijkheid voorstelt. Die liefde kan een mens onaangenaam verrassen, ze kan onverbiddelijk zijn en de strijd aanbinden met bestaande structuren, juist, omdat ze geen genoegen kan nemen met de status quo, en een hartstochtelijke afkeer heeft van het kwaad en wat daarop kan volgen. Die liefde kan worden aangezwengeld doordat een concrete medemens mijn pad kruist die de grondslagen van mijn denken opnieuw gaat bestraten door mij anders te leren denken. Het is een plaveisel dat telkens weer gelegd dient te worden. De bereidheid de eigen denkkaders te herzien in de relatie die ik met de ander aanga, kun je kwalificeren als een offer dat agapè onderscheidt van eros.

Tot slot, als je die Paulinische opvatting van agapè doortrekt naar het eigen leven, dan kan dat betekenen dat je kritisch gaat kijken naar criteria en beoordelingsinstrumenten aan de hand waarvan een gebeurtenis, proces of ontwikkeling geëvalueerd wordt. Zo kan, ik noem maar een voorbeeld, de levenskwaliteit van een religieuze geloofsgemeenschap of cultuur worden afgemeten aan de mogelijkheden die zij individuen te bieden heeft, in plaats van naar ledenaantallen of het nationaal bruto product te kijken. Vragen als: wat kan ik in deze omgeving doen? Hoe kan ik er zijn? En, welke mogelijkheden staan op deze plaats voor mij open? kunnen aan die kwaliteit bijdragen. Agapè is dan een wijze van in de wereld zijn waarbij je een omslag in een manier van denken maakt.

Amen

Gereformeerde kerk Ter Aar, 6 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Amos 6:1-10 en Lucas 16:19-31 uit de Groene Bijbel voor de viering op de zevende zondag van de zomer op 6 augustus 2017 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ter Aar

Gemeente,

Amos is werkzaam als boer, hij is een schapenfokker en vijgenkweker die weet wat het betekent hard te werken. Vanuit een plattelandsbestaan maakt hij een carrièreswitch naar het leven als profeet.

Tegen de achtergrond van zijn biografie zou je Amos’ gespierde taal en donderpreek kunnen begrijpen. Zorgeloosheid, zelfverzekerdheid en deel uitmaken van de elite zijn hem vreemd. Voor dag en dauw is hij al in de weer de kwaliteit van zijn vijgen te inspecteren. Hoe staat het met de groei en opbrengst van zijn vijgenstruiken? Zal hij ze aan de westkant snoeien? Gedijt dat nieuwe ras wel bij deze bodemsamenstelling? Zal de productenlijn ‘wilde vijgenjam’ wel lopen? Zal hij de schapen nog voor de zinderende hitte die is voorspeld, kunnen scheren en de wol tijdig verven zodat zijn zoon – het is toch een familiebedrijf – er giletjes en vesten van kan maken? En twee van zijn drachtige ooien staan op het punt lammeren te werpen, die vragen extra zorg. Mijn werk, hoe ga ik het vandaag weer klaarspelen?

Amos is niet zo’n zondagskind, hij moet hard voor zijn levensonderhoud werken, het komt hem niet aangewaaid. Vergelijk zijn inspanningen met het verschil qua leergemak tussen leerlingen op de middelbare school.

Amos is een calvinist avant la lettre, iemand die haarfijn weet hoezeer het welslagen van een onderneming afhangt van niet aflatende inzet. Zijn schapen en vijgen vormen een passie, een hartstocht die met lijden, offers gepaard gaat. En uitgerekend deze man verhuist naar een stedelijk oord waar het lijkt of de inwoners hun gouden eeuw al achter zich hebben. Het is teveel gevraagd Amos probleemloos te laten integreren in een samenleving die bijna haaks staat op het milieu waar hij uitkomt. Assimilatie, aanpassing aan de omgeving is een proces dat hem moeilijk afgaat. Dat het de noordelingen “wel gaat” zonder dat zij daar al te veel moeite voor hoeven te doen, is een gegeven dat Amos maar moeilijk in zijn wereldbeeld kan opnemen. Het is een bestaanswijze die hij niet in zijn verhaal kan passen en ten gevolge daarvan bij hem op ongeloof stuit.

De tekst laat zien dat verschillende werelden niet zo gemakkelijk te harmoniseren zijn en dat het een Amos in het bijzonder tijd kost te wennen, te bedaren en zich opnieuw thuis te voelen. Amos’ oog is zo gekleurd dat hij niet anders kan dan de verschijnselen die hij waarneemt met een ongunstige bijbetekenis te beschrijven. Twee voorbeelden van een dergelijke negatieve weergave vinden we in vers vijf en zeven.

Er staat: “zij verzinnen liederen bij het getokkel van de harp”, er staat niet: “zij musiceren, scheppen, componeren of spannen zich tot het uiterste in liederen samen te stellen bij het getokkel van de harp.” En in vers zeven: “hen die daar lui liggen uitgestrekt”, er staat niet vermeld: “hen die daar liggen” met als mogelijke aanvulling “uit te rusten of te ontspannen.” Amos bekijkt en beoordeelt zijn nieuwe leefomgeving niet op de eigen merites en mogelijkheden, maar benadert hem vanuit zijn oude habitat. In dat licht tekent zich een ongunstig beeld op zijn netvlies af. Zijn blik kan niet fris de wereld inkijken. En dan wordt ‘rusten’ bij Amos de arbeider al heel vlot luieren, lanterfanten, rondhangen. Bedrijvigheid, activiteit, de bezorgdheid om het levensonderhoud, dat is zijn norm en die norm bepaalt de wijze waarop hij ‘het noordelijke leven’ waarneemt.

En dus, een donderpreek, woeste woorden, ruige taal. Amos, raas uit, koel af, beheers je een beetje zou een reactie op zijn aanklacht kunnen zijn. Of zouden we Amos op z’n best mogen nemen en zien dat zijn felle speech tegen sociale en cultische uitwassen een vurig betoog tegen de onverschilligheid vormt? Onverschillig, want Amos gelooft nog in een betere wereld. Als iemand van mening is dat de ene cultuur ‘slechts’ de andere vervangt, en er geen kwalitatief onderscheid is tussen beide’, dan hoeft zij of hij over ‘een trage cultuur’ niet boos te worden. Maar Amos is een idealist en windt zich dus op over wat hij aantreft.

Amos is in beweging. In zijn verhuisdrukte wordt een beroep gedaan op zijn praktische en organisatorische vaardigheden. Die overgang zet zijn leven op z’n kop en die vaart keert ook terug in zijn betoog. Waar Amos voor wil waken is het exces, het keerpunt waarop een cultuur de vruchten plukt van haar beschaving, naar één waarin ze haar idealen verliest, lethargie z’n intrede doet en niets meer voor elkaar krijgt omdat zij zichzelf geen norm of waarde stelt.

De dragers van een cultuur – in geval van Amos zijn dat de notabelen, de artiesten, het koninklijk huis, de aristocratie; beoefenaars van een hoge cultuur – krijgen nog weinig meer voor elkaar. En, als er niet langer iets tot stand wordt gebracht, een mens in haar of zijn pogingen slaagt, dan haalt zij of hij haar of zijn schouders op, verliest haar of zijn geloof, laat de dingen op z’n beloop totdat – voor Amos een schrikbeeld – een mens tot niets meer in staat is. En dus, om met de titel van de Sloveense filosoof en cultuurcriticus Slavoj Žižek te spreken: “Het moet je een reet kunnen schelen!”

Amos beeldt uit wat volgens hem geloof behelst: geloof, dat is geen rustgevende verpozing, het vormt een inbreuk op je oude ‘boerenbestaan’ waardoor je een nieuw perspectief hebt aanvaard en stappen zet om daar gestalte aan te geven. De zorgelozen, zelfverzekerden en notabelen tot wie Amos zich richt, representeren een gebrek dat Amos wil aankaarten en opvullen door hen tot de orde te roepen.

Pastoraal gezien is er voor Amos’ aanpak wat te zeggen: zou je je niet bij het verliezen van je levenslust iemand tegenover je wensen die je uit alle macht aanspreekt, bemoedigt en aan je haren uit het moeras trekt, met beide benen op de grond zet waardoor je leven weer een bepaalde spankracht krijgt?

De gemene deler van onze tekst uit Amos en die van Lucas is het contrast tussen arm en rijk of tussen degene die het voor de wind gaat en degene die het zwaar getroffen heeft. Beide teksten staan kritisch tegenover de positie van de rijke, als die positie met zich meebrengt geen oog meer te hebben voor sociaaleconomisch onrecht. Binnen profetieën, eschatologische en bevrijdingstheologische teksten is een aloude wens dat die indeling ooit omgekeerd zal zijn. Dan eet de rijke man genadebrood en gaat Lazarus gekleed in een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

De parabel richt zich tegen de machthebber die zijn invloed niet gebruikt om sociale ongelijkheid op te heffen en de bestaanscondities van de (kans)armen te verbeteren. Lucas is behalve evangelist ook een profeet in die zin dat hij de rijke in het vooruitzicht stelt dat, zo niet tijdens het aardse leven, dan toch in een hiernamaals, de rollen ooit omgedraaid zullen zijn. De parabel vormt Lucas’ kleine goddelijke komedie waarin hij de welgestelden van zijn tijd in een denkbeeldige reis meevoert van paradijs naar hel en louteringsberg.

Tenslotte, die arme die symbool staat voor alle noodlijdenden en behoeftigen, gaat toch niet sterven voordat zij of hij in haar of zijn leven iets van ‘Gods aangezicht’ heeft aanschouwd? De verzachtende religieuze droom dat engelen de arme zullen dragen in de schoot van Abraham, daar kan de hedendaagse arme haar of zijn lege maag in het alledaagse bestaan toch niet mee vullen?

Voedselbanken, de sociale bijstand, de diaconie zijn initiatieven die op korte termijn goed werk verrichten. Op de lange termijn is een studie nodig, werkgelegenheid, gezondheid, netwerken, het scheppen van mogelijkheden die voor een enkele naaste van grote betekenis kunnen zijn. De arme, hier en nu, heeft meer aan mijn en uw ethiek dan aan religieus opium – die verdoezelt en leidt af.

Goede gemeente, die intieme plaats van beschutting en warmte, Abrahams schoot en dat uitbundige feestje, ik zag hem er laatst, de ‘arme’. Ik herkende hem nauwelijks, hij droeg een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

Amen

Dorpskerk Zoeterwoude, 19 februari 2017

Preek naar aanleiding van Genesis 2:15-3:9 uit Tora. De onderwijzing van Mosje uit het Hebreeuws vertaald door Lineke Buijs en Marianne Storm en Matteüs 21:6-14 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 19 februari 2017 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zoeterwoude

Gemeente,

Het lezen van de mythe over de oorsprong van de mens uit Genesis twee vers vijftien tot chapiter drie vers negen, kan het effect sorteren dat je naderhand ‘nog niets weet’. Wie uit is op een objectief-historisch betoog of een symbolische verzinnebeelding over de herkomst van de mens komt met dit originele verhaal geen stap verder. Ondanks de ambiguïteit en het paradoxale karakter van het paradijsverhaal blijft de betekenis ervan in mysteriën gehuld.

Alle mededelingen die in de vorm van een lumineus inzicht over de komaf en creativiteit van de mens worden gedaan ten spijt, bewaart dit verhaal over het ontstaan van de mens haar geheim. Die lezerservaring van ‘de ondoorzichtigheid van het begin’ is wellicht precies de crux die de auteur de lezer(es) aan den lijve wil laten ondervinden. Het probleem dat hij namelijk behandelt is dat van kennis en ethiek.

De auteur is de wetenschap niet vijandig gezind – integendeel – de mens mag boven de dingen staan zoals je heer en meester kunt zijn over ‘de stof’ nadat je die intens hebt bestudeerd en zal via het maken van abstracte onderscheidingen haar naïviteit verliezen. De auteur voert geen pleidooi voor onwetendheid of een gebrek aan zelfbewustzijn maar wel voor het stellen van een grens aan een eerdere saamhorigheid.

Het gebruik van de ratio verbreekt harmonieuze eenheden en heeft tot gevolg dat een mens een soort ‘onmiddellijke eenheid’ die je nog bij kinderen kunt aantreffen, kwijtraakt. Een deelprobleem dat met het vergaren van praktische en ethische kennis samenhangt is voor de auteur dat een mens verstandelijke verklaringen kan aanwenden om achteraf, na het overtreden van morele grenzen, niet zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen keuzes. De mens bekleedt zich dan met de vijgenbladeren van uitvluchten en excuses omdat zij of hij niet in alle naaktheid durft toe te geven dat zij of hij op een tijd op een zekere plaats was en er een bepaalde handeling uitvoerde. Maar er is ook een andere interpretatie mogelijk.

De genesisschrijver beschouwt de mens als een religieus wezen, maar wie kennis neemt van ‘goed en kwaad’ heeft ethisch leren denken. Het is juist de religie die een mens vrijwaart van de verleiding die uitgaat van een maakbare werkelijkheid. Die werkelijkheid ontstaat door een ingespannen gerichtheid die kenmerkend is voor het handelen en de morele oordelen die aan het handelen ten grondslag liggen.

Wie religie reduceert tot ethiek, instrumentaliseert haar en ontkent het genot en de aandacht voor een mens of ding omwille van die mens of het ding zelf. In het uiterste geval kan de absorptie van ‘het heilige’ in de ethiek leiden tot geestelijke sterfte. In de existentiesfeer van de religie verbindt een mens het onzichtbare met het zichtbare, het heilige met het profane. In haar verschijnt de contemplatieve liefde tot de concrete medemens en de synergie, dat wil zeggen de innige samenwerking die je daarin kunt ervaren – de wijze waarop een mens haar of zijn God het meest nabij kan weten.

De tekst uit Genesis heeft als thema de wijze waarop een mens de wereld kan ervaren als zij of hij niet langer in staat is tot het vermogen te ontvangen. Adam en Eva representeren de mens die zich via kennis heeft afgesloten voor ‘het onvoorziene’. De mens die geen enkel terrein meer met rust kan laten, haar of zijn universum volledig beheerst – ook het laatste onbekende domein heeft verkend en ‘ontmaskerd’, laat zich mogelijk nog moeilijk verrassen en ontroeren. Noli me tangere oftewel raak me niet aan! De mens lijkt dan op een vakantieganger die zich tot in de puntjes heeft voorbereid zodat – hoewel zij of hij gemotiveerd wordt door avontuur en uit is op nieuwe ervaringen – er weinig ruimte is voor ‘onverwachte wendingen’.

In het jodendom bestaat de overtuiging dat God zich openbaart als ‘de andere’, datgene waarop de mens niet gerekend heeft. Zo ook in het tweede scheppingsverhaal waarin God op zijn tijd aan de mens een geschenk wilde geven, de gift van de liefde waarvan God wist dat de mens die zo nodig had om niet ten dode toe aan haar of zijn eigen zorgen overgeleverd te zijn. Je kunt die verhouding vergelijken met een exclusief cadeau dat iemand voor je heeft gekocht. Het geschenk, omhult met folie, cadeaupapier en linten, ligt op je te wachten totdat de gever het jou – omdat jij, jij bent – wil geven.

Adam’s keel is droog van het roepen naar een partner die niet komt. Binnen de flora en fauna, zoölogie en dendrologie vindt hij geen maatje. Hij plaatst contactadvertenties en struint datingsites af. Het mag allemaal niet baten: Eva zit er niet bij en wellicht omdat hij zijn evenbeeld zocht. Hij was zijn zoekacties gestaakt, voelde zich leeg, Adam’s leven vloeit niet over van geluk. Eindelijk laat Adam God zijn gang gaan de wereld af te reizen om voor hem een deelgenoot te selecteren die naar zijn smaak helemaal bij Adam past. Het is die ervaring die de auteur aan het licht wil brengen: dat de mens die gemeenschap nodig heeft daarvoor rechtstreeks van God afhankelijk is.

In zijn zoektocht had Adam zich niet langer afhankelijk geweten van de onvoorziene daden van de voorzienigheid. De religie was bezweken voor het programmeren van het eigen liefdesleven en geen gebeurtenis uit onverwachte hoek kon er meer plaatsvinden. Als Adam Eva ontmoet, voelt hij zich als een magneet tot haar aangetrokken. Ze bezit een surplus van de componenten die hij niet of in mindere mate in zijn biotoop tegenkwam: ze was begaafd met intellect, had een ijzersterke wil en een groot hart. Je zou bijna kunnen zeggen dat in de ontmoeting met Eva, Adam pas geboren wordt, transformeert tot het er zijn als mens.

Zoals Odysseus het gezang van de sirenen niet kon weerstaan – zodat hij zich moest laten vastbinden aan de mast van het schip –, zo kon ook Eva de mysterieuze kracht van ‘de onderwereld’ – de slang die een icoon is voor het kwaad in een mensenleven – niet trotseren. Eva kuiert rond, verkent de lommerrijke omgeving en beroept zich op de rede om een grens die aan haar is gesteld te overschrijden, een grens die ‘een exercitie in gehoorzaamheid’ vormt zoals je een pup ter zinnelijkheid traint of beveiligingsmaatregelen in huis aanbrengt om een peuter te beschermen.

De mens wordt hier voorgesteld als een wezen met een ongebreidelde nieuwsgierigheid die met de rede in staat is vastgestelde grenzen te ondermijnen en beloftes te verbreken. Ook Eva kan niet wachten tot ze jarig is en pakt een voor haar verstopt cadeau te vroeg uit. Ze had het al gezien. De kennis die ze nu in haar geest ontwaarde, kon haar niet meer geschonken worden. De eerste verwondering was weg en had het verrassingskarakter van een toekomstig ‘event’ teniet gedaan. Het geschenk dat ze van God zou krijgen, de wereld van kunst en wetenschap waar ze nog lang van zou leven, werd nu een box van Pandora. In plaats van voorlopig in de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad te leven, keek ze met haar tere huid zonder zonnebril en hoge beschermingsfactor in één keer in de felle zon en stal het vuur van de goden. Het is nu wachten op een mens die de doorgeknipte navelstreng van de religie gaat lijmen en alle kwalen in die box gaat terugstoppen.

Dat is althans de hoop van al die pelgrims uit Galilea die aan de kant van de weg staan en Jezus komen begroeten. Dit keer is het niet hommeles in de hof van Eden, maar wordt de zinzoeker in de voorhof geconfronteerd met een commercieel circus van vraag en aanbod. Ditmaal is het religieuze leven niet versmald tot de ethiek, maar gecorrumpeerd tot politiek en economie. Het kopen van een presentje namelijk een lam als offer om God te aanbidden was voor een welgesteld persoon veel gemakkelijker dan voor iemand die uit de sociale onderklasse kwam, arbeidsongeschikt was verklaard of een Wajong-uitkering kreeg. Priesters kregen het monopolie op deze handel en schroefden de prijzen op. De religieuze praxis je lof met een lam ten hemel te dragen, veranderde daardoor in een offersysteem dat een lucratieve business werd. Geen wonder dat de mens die zich in een maatschappelijke minderheidspositie bevond en dit ‘bolwerk’ niet omver wist te werpen een verband gaat zien tussen het inluiden van een nieuw tijdperk en de mens die bovenop de ezelin zit.

De loper wordt uitgerold, de opwinding groeit en in een politiek beladen en controversieel gebaar wordt Jezus toegejuicht. Hij draagt geen nieuw inzicht bij zich waarmee hij de religie een impuls gaat geven. Hij gaat allereerst de tempel reinigen, schoon schip maken met calculatie en machtsverhoudingen die niet in de religieuze ruimte thuishoren, de eigen ziel ontledigen om zo plaats te maken voor God en die oorspronkelijke band te herstellen. Dan kan de messiaanse tijd aanleiding zijn voor wat voorbehouden is aan de mythe of poëtische voorstellingswijze: dat een mens in een avondbriesje weer wandelt met God zoals ooit in liefland.

Amen