Tag Archives: Ezechiël

Zondag 9 juni 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 11:17-20 en Handelingen 2:1-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 9 juni 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Castricum

Zeer gewaardeerde gemeente,

In onze eerste tekstlezing is een auteur aan het woord die de eenheid van een afgebakende religieuze gemeenschap voorstaat. Met behulp van spraakklanken, schrifttekens, gebaren en symbolen waren de joden in staat elkaar te verstaan en een leefgemeenschap op te bouwen en te ontwikkelen. Het (in)voeren van een gemeenschappelijke taal zou je wel ‘het genie van de soort’ kunnen noemen. Het spreken van elkaars taal vormt dan het luik waardoor je de eigen behoeften kenbaar maakt en de noden van de ander aanhoort en ‘vertaalt’.

Als een mens zichzelf via een collectieve taal verstaanbaar maakt en niet in aanraking komt met andere talen, dan kan die gesproken taal een vanzelfsprekend karakter krijgen en een mens er in het uiterste geval onvrij door worden. Haar of zijn blikveld en interpretatiekaders worden dan voornamelijk bepaald door die ene gemeenschappelijke taal.

De jood die in de diaspora leefde, had zich voor die volksverspreiding als een vis in het water van zijn taal gevoeld. Nu hij tussen andere volken woont en niet kan bogen op een gedeeld Semitisch idioom, waarin hij zijn gedachten en gevoelens kenbaar kan maken, staat hij voor de uitdaging vreemde talen te leren spreken en nieuwe relaties te vormen om zich op die wijze staande te houden in een onbekende omgeving. De jood had zich in beperkte mate aangepast aan zijn nieuwe habitat, omdat hij ervan uitging dat deze situatie van verstrooiing tijdelijk was. Dagelijks hield hij de herinnering aan en het droombeeld van de hereniging van het godsvolk levend. Gedachtenis en visioen hadden ervoor gezorgd dat de kennismakingen die hij ondernam onder een voorbehoud stonden, namelijk dat hij ieder moment kon worden weggeroepen naar zijn land van herkomst; de bakermat van zijn godsdienst, het leefgebied waar hij een historische en culturele band mee had. De jood die verspreid, buiten zijn geloofs- en taalgemeenschap leefde, kon zich op geen enkel moment overgeven aan de vreemde ander, ontmoette buur of collega niet echt, integreerde niet, bleef een migrant en ondertussen verkommerden zijn taal en cultuur.

Naarmate de jaren verstreken, had hij de hoop op het herstel van het joodse volk op een verzoendag opgegeven. Hij hield er rekening mee dat hij permanent in zijn nieuwe woonplaats zou verblijven. Van die gedachte, die de assimilatie en verdamping van zijn geloof en cultuur betekenden, kreeg hij het koud. De ‘godstaal’ waar de jood mee vertrouwd was, kenmerkt zich door een melodieuze, artistieke en langzame tred. ‘Godstaal’ neemt er de tijd voor te ontstaan, ontspringt aan wat er nog niet is, profeteert, is er niet op afroep, en beschrijft zo beeldend mogelijk. De talen waar de jood nu mee in aanraking komt, hebben een monotoon karakter en staan in het teken van doelmatigheid en efficiëntie. De jood kon met die talen geen genoegen nemen. Sterker nog, die talen pikt hij niet! Zijn religieuze leven was inmiddels uitgehold, zijn hart van steen en hij had zich tot Israëls woordvoerder gewend. Het is deze woordvoerder Ezechiël, ‘Gods spreekbuis’, die het versteende hart van de geïsoleerde, singuliere jood gaat ontdooien. En hoe!

Door alsnog een apotheose in het vooruitzicht te stellen, hoopt hij dat de over de wereld in verspreiding levende joden hun tijdelijke residentie tot het einde toe verdragen. Uit de loszandcultuur waarin ze nu leefden en de fragmentarisatie die ze aan den lijve ondervonden, zouden zij ooit weer verzameld worden tot een coherente gemeenschap. In die kleine, intieme maatschappij hoefde de jood niet dubbel te denken en zich te houden aan enerzijds de wetten van de staat en anderzijds de religieuze regels die hij in zijn ziel had geprent. In dit ‘paradijs’ zou zich een werkelijkheid ontvouwen waarin legitimiteit en sacraliteit samenvielen.

Op een dag werd er gebeld, dringend zo te horen. De jood rommelde aan op de zolder, stof parelde in het zonlicht dat door de houten balken kierde. Hij haastte zich naar de voordeur, kuchte en fatsoeneerde zijn uiterlijk voorkomen door de laatste spinrag en houtsnippers van zijn blouse te kloppen. Er stond een Argentijnse vrouw aan de deur, die hem in het Engels met een Spaans accent uitnodigde voor een feestje. Ze hield een stapel brieven in haar handen en keek nieuwsgierig de hal in. Op de uitnodigingen, zo zag hij vanuit een ooghoek, had ze bij de contactinformatie een foto van een veranda geplaatst. Ze kwam uit Córdoba, een stad in het geografische centrum van Argentinië en was van plan een wijnwinkel te starten.

Haar begintijd in Europa wilde ze inluiden met een housewarmingparty die ze als wijnproeverij had ingericht en die gepaard zou gaan met de muziek en dans waar ze zo goed in thuis was. Ze had voor de gelegenheid tangomusici en een ensemble ingehuurd. De wijnen en de tango betekenden voor haar meer dan zoals ze op het eerste gezicht verschijnen. Beide vormden voor haar een paradijs, een visioen, waarin tot uitdrukking kwam hoe het leven, elders, op aarde, ook kan zijn. Het vraagt wel van een mens dat zij of hij zich een beetje laat meenemen in dat spel van sensualiteit en symboliek.

Tijdens het drempelgesprek waarin de Argentijnse vrouw veel van haar lef, handelsinstinct, organisatietalent en gastronomische kunst aan de dag had gelegd, had het geloof in de verwerkelijking van haar toekomst de blikrichting van de jood veranderd. Tot de tijd waarop de gedesintegreerde joodse gemeenschap zou worden herenigd – een wensgedachte die Ezechiël hem had voorgespiegeld – was het aan iedere jood voor zich om vanuit een persoonlijke spiritualiteit een glimp van dat visioen te openbaren.

Het stadsdeel waar de jood en de Argentijnse vrouw sinds kort woonden, bestond uit een relatief jonge bevolking van nieuwelingen met een brede belangstelling voor cultuur en die, de een na de ander, hun eigen creatieve bedrijf begonnen. Op een ongedwongen manier en via incidentele betrokkenheid waren zij op zoek naar een duurzame gemeenschap en verworteling in de omgeving. Er hadden zich enkele tientallen ‘culturele creatievelingen’ voor het feest opgegeven en velen – zo bleek later – gaven aan al langer op zoek te zijn naar een forum of netwerk waar wijkbewoners elkaar konden leren kennen. Een ieder zag er op z’n paasbest uit en had naar traditioneel gebruik als blijk van waardering een geschenk voor de gastvrouw meegenomen.

Afgaande op de etnische achtergronden en beroepsprofessies van de feestgangers waren hier mensen uit alle geledingen van de samenleving vertegenwoordigd. Er stonden tafels gedekt met glas- en servieswerk, wijnen voorzien van extra etiketten met aanvullende achtergrondinformatie lagen uitgestald, en in hartige quiches prijkten vlaggetjes van alle landen. Na de openingsspeech zette het ensemble in, de tangodansers speelden met vuur en wekten bij de toeschouwer een ongekende begeerte op.

De ruimte vulde zich met gepraat en gelach, er hing iets in de lucht, niemand wist wat, maar wel dat het om een ontlading vroeg. Er werden die avond veel een-op-eengesprekken gevoerd, waarin mensen aandacht hadden voor de wijze waarop de gesprekspartner in de eigen taal haar of zijn individuele levenssituatie verwoordde en gezamenlijk aftastten waar mogelijkheden lagen en wat zij voor elkaar konden betekenen.

Deze mensen hadden veel met elkaar gemeen, vertelden elkaar geschiedenissen, levenservaringen en toekomstvisies. Op momenten waarop de feestgangers opgingen in hun verhaal, daar heilig in geloofden – ogenblikken voorbij berekendheid en verlegenheid, waarop mensen zich op hun gemak voelen en waarvoor veiligheid en sfeer basisvoorwaarden zijn – vielen zij terug op hun eerste taal. In hun moedertong konden zij zich het meest expressief en gedetailleerd uitdrukken. In het zich bedienen van die taal lag zoveel innerlijkheid en emotie, alsof de hele afgelegde weg van de emigrante plotsklaps present was en het haar helderder dan ooit voor ogen stond waar die reis en landsverhuizing haar om te doen was geweest. In het licht van de ontmoeting met de ander, die er vanuit een ongekend perspectief naar keek, kwam dat geheel in een nieuw zinsverband te staan. En als een gesprekspartner dan ademloos luisterde, haar begrijpend aankeek en haar vaart niet onderbrak, dan voelde zij zich aangemoedigd nieuwe verhalen aan te voeren.

Zo ook de jood die avond. Terwijl verderop een Fin en een Afrikaan moppen tapten en een Amerikaan, Deen en Nederlander een discussie voerden over het Nederlandse protestantisme, had hij gedanst met een Berberse vrouw. Zij zong in het Arabisch een lied over een vogel die zich overal thuis voelde. Het was een idyllisch vers dat zij tijdens haar buitenlandverblijf vaak als een mantra herhaaldelijk zong. Hij stond perplex, want hij kon haar naadloos volgen. Hij reciteerde een gedicht van een Hebreeuwse poëet, waarin die dode taal als bij toverslag heel geschikt leek voor alledaagse communicatie. Die hoefde zich niet langer te beperken tot korte groeten en praktische aanwijzingen. Zij sprak met hem zoals het haar inviel en hij schiep er behagen in.

Wat zich die avond in dat relatief nieuwe stadsdeel afspeelde, ging als een lopend vuurtje rond. Wijkbewoners die in eerste instantie hadden afgezegd, staken toch even hun hoofd om de hoek van de deur. De wijn bleek niet aan te slepen, de tangodansers waren onvermoeibaar en het ensemble speelde tot in de late uurtjes. Mensen die nog aarzelden, lieten hun hond uit en treuzelden bij het perk van de Argentijnse initiatiefneemster. Voor sommigen was deze heilige nacht aanleiding te vragen: wat heeft dit te betekenen? Waarop anderen antwoorden: het zit ‘em in de wijn.

Amen

Zondag 5 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Zandvoort, zondag 12 mei 2019, ‘Ontmoetingskerk’ Melissant, zondag 19 mei 2019, ‘Het Trefpunt’ Bennebroek & zondag 26 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 33:7-11 en Romeinen 12:9-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de derde zondag van Pasen op 5 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Zandvoort, voor de viering op de vierde zondag van Pasen op 12 mei  2019 om 09.30 uur in de Ontmoetingskerk te Melissant, voor de JOOST-viering in het teken van Tolerantie in perspectief op 19 mei 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Het Trefpunt te Bennebroek en uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op de zesde zondag van Pasen op 26 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

Wie een bijbelse tekst leest, doet er goed aan zich de vragen te stellen: wie spreekt hier? En, wie zegt wat tegen wie? Dergelijke vragen maken je als lezer(es) gevoelig voor context en de betekenis van taal in een specifieke setting. De tekst uit Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is onbegrijpelijk zonder kennis te nemen van de historische situatie die aanleiding gaf tot dit schrijven. Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is een zelfvisiedocument, waarin Ezechiël, via een omweg, God, tot klaarheid komt over zijn functioneren en identiteit, na een ingrijpende gebeurtenis.

In de tekst fungeert God als de spiegel waartegenover Ezechiël zichzelf plaatst. Nadat hij er goed is voor gaan zitten, ontspint zich een innerlijk gesprek, dat enkel tot stand kan komen, doordat Ezechiël zichzelf in gesprek brengt met ‘een tegenover’. De profielschets die hij maakt, komt tot stand, nadat zich in zijn omgeving een ramp voltrekt. In zijn optreden vóór die ramp, had Ezechiël zijn persoonlijke gevoelens en gedachten voor zichzelf gehouden. Zijn gereserveerde attitude en teruggetrokken levensstijl gaven blijk van een bescheidenheid en gepaste afstand ten aanzien van de medemens. Die medemens was hem heilig en Ezechiël had vrees de ander te direct te benaderen en haar of hem in haar of zijn andersheid té na te komen. Nu is hij van inzicht veranderd.

De val van een stad had een grote storing in Ezechiëls leven teweeggebracht of liever, betekende dé coming out van Ezechiël. Want, in en na zijn optreden, is Ezechiël gedwongen zichzelf bloot te geven, en vergaart hij zich een veel grotere vrijheid van expressie dan voorheen. En misschien kun je zijn daad van mensenliefde eraan herkennen, dat hij tijdens dat stedelijke drama in Jeruzalem gaat doen, wat hij van huis uit liever uit de weg zou gaan of achterwege zou laten: alarm slaan, de aandacht op zich vestigen en de profeet van de dwaze en onredelijke hoop spelen.

In Castricum, Leiden en andere dorpen en steden in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, en op plaatsen in geheel Nederland, klinkt op de eerste maandag van de maand een luchtalarm. Het is een geluidssignaal dat wordt getest om de bevolking bij mogelijk gevaar te waarschuwen en zichzelf in veiligheid te laten brengen. Over een dergelijk alarmsysteem beschikten Ezechiël en zijn tijdgenoten niet. Ook bestond er niet zoiets als een rampenwet met een rampenplan, waarbij met een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines en met behulp van hulpmiddelen, een situatie te beëindigen is.

Ezechiël is Israëls sirene en die taak neemt hij op zich op basis van een intuïtie, een innerlijke noodzaak, een onweerstaanbare drang, vanwege een zaak die als een klap zal aankomen bij de ethisch en orthodox denkende jood. De jood namelijk die denkt dat hij verloren is vanwege misstappen, én de jood met een zondebesef, voor wie het leven zijn glans heeft verloren en die in zichzelf verkromd dreigt te raken, krijgen van Ezechiël woorden aangereikt, waardoor zij een nieuwe visie op de werkelijkheid ontwikkelen. De joden die na de instorting van de tempel zijn achtergebleven, de overlevenden, verkeren in een omstandigheid, waarin ze zich nog beroepen op een oude orde. Dat beroep laat zien dat de gebeurtenis zelf nog helemaal niet aan hun referentiekaders en schemata heeft geschud.

Ezechiël moet wel een drempel over en vindt daartoe de kracht, doordat hij onaangenaam getroffen is door de ravage die de verwoesting van de tempel heeft aangericht. Het is de liefde, waardoor hij het in zich heeft het kwaad te verafschuwen en zich vastklampt aan ‘het goede’. Hij probeert de gedeprimeerde jood, die stem krijgt in vers tien vanuit zijn situatie te begrijpen en vanuit dat begrip aan te raken. In de bittere en wanhopige noodklacht van de jood: “Voor ons is er geen sprake van leven”, hoor je de existentiële pijn van ieder mens voor wie leven en dood op het spel staan. Deze jammerklacht is de collectieve reactie van een volk op een toestand, waarin mens- en wereldbeeld in duigen zijn gevallen, en er behoefte is aan een stem die van binnenuit en van buitenaf betekenis gaat verlenen aan dat grootschalige drama.

In het Oude Testament zie je vaak een profeet opduiken bij situaties die een spoedeisend karakter hebben. Ezechiël gaat de liefde, waar de jood op wacht, in praktijk brengen, protest aantekenen tegen de zelfondermijnende denkbeelden van de getraumatiseerde en depressieve jood, en zal pogen een weg te wijzen. Hij is de wachter en waker van Israël en zal, al spiedend, de gebeurtenissen in zijn tijd in het oog houden, om dan, als er gevaar dreigt, groot alarm te slaan.

Het sleutelwoord dat de parabel uit Ezechiël verbindt met de tekst uit de brief aan de Romeinen is: bekering. Het Nieuwe Testament gebruikt er het Griekse woord metanoia voor. Bekering is een religieus begrip, dat zoveel betekent als ‘tot inkeer brengen’. In een act van bekering ontzegt een mens zich iets, en wordt tot een nieuw inzicht gebracht, waardoor zij of hij zich tot een andere levensrichting wendt. Vaak gaat er een sterke religieuze ervaring aan die nieuwe oriëntatie vooraf. Bekering is niet een eenmalige act, maar een levenslang aanhoudend proces. Als je theologisch over ‘bekering’ wilt spreken, dan zeg je dat bekering niet het gevolg is van menselijke inspanning of prestatie, maar dat ze is bewerkt door de genade van God.

Wat een bekering doet, is een mens helpen af te zien van bepaalde prioriteiten in het leven, deze af te gelasten, af te zeggen en het leven in te richten naar een hoop en levensvervulling in een toekomst die wortelt ‘in God’, dat wil zeggen dat wat je zelf niet bent en hebt kunnen uitdenken. Een bekering is te vergelijken met een TomTom die een uitgestippelde route herberekend en een alternatief parcours voorstelt. Het autonavigatiesysteem, waarbij je een koers hebt bepaald, blijkt tijdens het volgen van de aanwijzingen namelijk niet berekend te zijn op lokale wijzigingen, en ziet af van de ingeslagen weg, gaat terug naar het vertrekpunt en stelt alles in werking te anticiperen op een onvoorzien voorland.

De tekst uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen beschrijft hoe ‘bekering’ eruit kan zien door concrete invullingen van de liefde, de agapè, als een groot contrast neer te zetten ten opzichte van de begeerte, de eros. Eros is in de Griekse mythologie de god van de liefde en heeft als kind van poros – het opportunisme – en penia – de armoede – altijd honger. Eros is onverzadigbaar, permanent ontevreden, rusteloos en is continu bezig vervulling na te jagen. Eros heeft een biologische functie. Een mens houdt met eros de soort in leven. Paulus kende de werking van eros en zijn bezwaar is dat eros momentaan en onkritisch is, doordat eros alleen zichzelf in de ander ziet. Paulus gaat eros overrulen door eros te onderscheiden van een niet-zinnelijke en onzelfzuchtig begrip van liefde: de agapè.

Agapè is niet kortstondig, houdt niet op, omdat ze deel heeft aan de eeuwigheid. Agapè is het protest tegen de stroom waar de mens in drijft en zichzelf in mee laat voeren. Agapè is de uitwerplijn die de mens, die horig is aan haar of zijn driften, en daardoor onvrij is, vanaf de kade wordt toegeworpen. Agapè steekt als het ware een stokje voor de ‘automatische’ opvolging van begeertes en leert een mens daarboven te staan. Ze is waardig, belichaamt een positief ethos en hult zich in een gedaante, waarin ze zich van huis uit niet zou hullen. Agapè is een tegennatuurlijk soort liefde. Het druist in tegen biologie en treedt op als een grote stoorzender van de psychologie, omdat ze pneumatologisch dat wil zeggen, geestelijk van aard is. Agapè is een bereflecteerd soort liefde. Ze haalt je uit de flow van het leven, maakt daar inbreuk op, is een interruptie, een onderbreking die je in staat stelt vanuit een beschouwelijke optiek naar je eigen verlangens en handelen te kijken. Ze ziet af van haar eigen eerste neigingen en belangen, omdat zij, bijvoorbeeld in het geval van Ezechiël, een groep joden uit het slop wil trekken, en in het geval van Paulus, geen wij-zij-cultuur wil scheppen, en de geest een stap verder wil helpen.

Paulus had gezien hoe in een Grieks-Romeinse stad waar een christenbeweging leefde, aan beide kanten groepsdenken vijandbeelden kan creëren, en hoe funest dat kan zijn voor een vreedzame, pluriforme samenleving. Paulus betoont zich in Romeinen twaalf vers negen tot eenentwintig een iconoclast dat wil zeggen een beeldenstormer avant la lettre. Paulus had voor die stedelijke problematiek geen oplossing gevonden binnen de ethiek, omdat ethiek volgens hem geen positieve, nieuwe mogelijkheden schept. De ethiek leert je vooral wat je níet moet doen en volgens haar heb je het altijd bij het verkeerde eind.

Sterker nog, ethiek was voor Paulus een sta in de weg, doordat veel moraal denkwijzen verried die teruggingen op een economie van wederkerigheid. Dat wil zeggen, calculaties als ‘ik verleen jou wat jij wilt en jij geeft mij wat ik beoog’ en, ‘ik geef, opdat u geeft’. Van die principes was het recht en de religie van de Romeinen doortrokken. In dat geval wordt in de jaarrekening van een cultuur evenveel uitgegeven als dat er aan inkomsten wordt gegenereerd, en kan een samenleving niet een volgende stap zetten. Ze blijft bij het oude.

Agapè is niet ethisch, ze is een onlogische, ondenkbare liefde die daar plaatsvindt waar het leven van de mens in haar normale gang wordt verstoord, en die een nieuwe mogelijkheid voorstelt. Die liefde kan een mens onaangenaam verrassen, ze kan onverbiddelijk zijn en de strijd aanbinden met bestaande structuren, juist, omdat ze geen genoegen kan nemen met de status quo, en een hartstochtelijke afkeer heeft van het kwaad en wat daarop kan volgen. Die liefde kan worden aangezwengeld, doordat een concrete medemens mijn pad kruist, die de grondslagen van mijn denken opnieuw gaat bestraten door mij anders te leren denken. Het is een plaveisel dat telkens weer dient te worden gelegd. De bereidheid de eigen denkkaders te herzien in de relatie die ik met de ander aanga, kun je kwalificeren als een offer dat agapè onderscheidt van eros.

Tot slot, als je die paulinische opvatting van agapè doortrekt naar het eigen leven, dan kan dat betekenen dat je kritisch gaat kijken naar criteria en beoordelingsinstrumenten aan de hand waarvan een gebeurtenis, proces of ontwikkeling wordt geëvalueerd. Zo kan, ik noem maar een voorbeeld, de levenskwaliteit van een religieuze geloofsgemeenschap of cultuur worden afgemeten aan de mogelijkheden die zij individuen te bieden heeft, in plaats van naar ledenaantallen of het nationaal bruto product te kijken. Vragen als: wat kan ik in deze omgeving doen? Hoe kan ik er zijn? En, welke mogelijkheden staan op deze plaats voor mij open? kunnen aan die kwaliteit bijdragen. Agapè is dan een wijze van in de wereld zijn, waarbij je een omslag in een manier van denken maakt.

Amen

Zondag 11 november 2018, ‘Mozeskerk’ Biezelinge

Preek naar aanleiding van Ezechiël 39:21-29 en 1 Petrus 4:7-13 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 11 november 2018 om 10.00 uur in de Mozeskerk te Biezelinge

Gemeente,

Ezechiël is de instituutsmanager van een groep Joodse ballingen. In de priesterlijke familie waarin hij werd geboren, verliepen de dingen goed georganiseerd. Er waren ordeningen in commune en tempel die hij heel natuurlijk oppakte. ‘De dingen’ volgden elkaar successievelijk op en droegen bij aan Ezechiëls indruk van de wereld als een harmonieuze eenheid. Regels of instructies had hij niet nodig. Ezechiël was een modelkind, sloeg de pubertijd over, vervulde als jong adolescent zijn taken in een religieuze ruimte en trouwde op twintigjarige leeftijd. Tot na de val van Jeruzalem in 597 voor Christus leefde hij ongestoord zonder dat iemand hem ooit opschrikte.

Er waren de verhalen, de levensvragen, problemen en complexe kwesties, maar Ezechiël had z’n schemata, formules, roosters en concepten, waarin hij die kon onderbrengen, en als priester had hij altijd nog een laatste ‘redmiddel’, dan bracht hij die ‘voor het aanschijn Gods’, bracht offers en alle misère verdween als sneeuw voor de zon. Dreigde hij echt van z’n stuk te raken, zijn overzichtelijke wereld op het spel te staan, hij zijn eigen gedachten te ontwikkelen of bijna toe te moeten geven dat hij iets niet wist, dan gebruikte hij het woord God als stoplap, excuus of vluchtheuvel en maakte zich handig van een zaak af. De continuïteit werd hersteld en Ezechiël voerde zijn dagelijkse rituelen en symbolische handelingen weer uit alsof er niets was voorgevallen.

Wandelend door de straten van Tel-Aviv tijdens zijn gang van werk naar huis, deed al wat voorviel binnen de tempelcultus geen inbreuk op zijn privéleven. Wat hij binnenskamers ervoer met de partner die hij trouwde, werkte niet door in zijn functioneren als priester. Hij hield beide ‘werelden’ gescheiden en was allang blij dat hij geen ontslag kreeg aangezegd, omdat hij als priester niet koos voor het celibaat. Het was wel wennen geweest in een relatief kleine ruimte zo nauw en frequent met iemand samen te leven, die bovendien een heel andere kijk op de dingen had. Ezechiël hield van de eenzaamheid, de contemplatie en had serieus overwogen de stap naar het monastieke leven te zetten. In het klooster voelde hij zich thuis.

In de kast stond een fotoalbum van de bruiloft en familie-uitjes, dat niets liet zien van de irritaties, het onbegrip, de ruzies en frustraties tussen hem en zijn partner, om van een logica van tandpastadopjes, vaatwasser-inruim- en uitruimbeurten, en een wiskunde van koffiekopjes nog maar te zwijgen. Het werk in de tempel waar Ezechiël veel bezoekers en ‘pelgrims’ ontvangt, is een goede afleiding voor de besognes thuis en houdt beide werelden in balans. Als een verschil in omgang met de dingen hoog op dreigt te lopen, wendt Ezechiël vaak zijn gelaat af en trekt zich terug op z’n studeerkamer – het is zijn manier om de situatie te sussen.

Die levenswijze is Ezechiël blijven herhalen, totdat de Joodse oorlog uitbrak, Jeruzalem werd belegerd, rebellen de tempel bezetten die uiteindelijk instortte, Joodse ballingen naar de slavenmarkten in het Romeinse rijk werden gedeporteerd en de vrouw met wie hij was getrouwd – een twintiger nog – stierf. De chaos in Ezechiëls leven was compleet, tempel en thuis stonden op hun kop, de gebeurtenissen hadden plotsklaps van een priester een profeet gemaakt.

Dit is de ‘ontstaansgeschiedenis’ waartegen je de pedagogiek die Ezechiël in chapiter negenendertig vers eenentwintig tot negenentwintig schrijft, kunt lezen. Als je kinderen wilt leren oorzaak-gevolg-relaties te leggen, dan kun je ze conditioneren dat wil zeggen, trainen door een bepaalde prikkel op een handeling te laten volgen, net zolang totdat je die ‘kunstmatige initiatieven’ als ouder achterwege laat, omdat het kind ze heeft aangeleerd. Ezechiël wil nog iets van de oorspronkelijke saamhorigheid tussen Joden in Judea en Galilea in stand houden en schrijft voor dat doel een open brief die een autobiografie, geloofsbelijdenis en pedagogiek ineen is. Je kunt dat ‘medium’ vergelijken met een ingezonden stuk in een krant.

Voor veel middelbare scholieren en bachelorstudenten is een groepscultuur medebepalend voor de wijze waarop zij hun identiteit vormgeven. Dat was voor de Joden met wie Ezechiël nauw samenleefde niet anders. Deze mensen die gewend waren collectief te denken en hun leven naar de belangen van een gemeenschap in te richten, worden weggevoerd en veranderen ‘zonder pardon’ in individuen die op zichzelf zijn teruggeworpen. Het zijn die in verschillende landen terechtgekomen individuele Joden, die Ezechiël wil herinneren aan een gemeenschappelijke God en via zijn ‘donderpreek’ een verklaring wil geven voor de verwoesting van hun cultuur, en hen wil oppeppen door hun een perspectief in het vooruitzicht te stellen.

Ezechiëls telefoon stond roodgloeiend, zijn antwoordapparaat werd overspoeld door berichten waarin ‘Joodse pastoranten’ tijdens uitbraken van rebellie, georganiseerde opstanden en oorlogsterreur of na diefstal en oplichterij niet alleen hele praktische verzoeken tot hem richtten, maar ook hele indringende vragen over het menselijk leven zelf, religie, en ‘samenleving’ aan hem stelden. Het was voor het eerst dat hij de angst die achter die vragen schuilging niet kon bezweren met rituelen en sacramenten. De Thora hielp hem niet, en de situatie in de buitenwereld was er een van ‘buiten de orde’ – politiek, conventie en ‘verdiensten’ golden hier niet – en dus kroop hij als een burgervader in z’n pen – het zweet stond op z’n voorhoofd – en reikte in eigen naam redenen aan voor wat zich volgens hem in hun woonplaats had afgespeeld en welke rol de eigen verantwoordelijkheid daarin had. Ezechiël had het te makkelijk gevonden een zondebok aan te wijzen en aan de schuldvraag had hij een gruwelijke hekel. Die ‘denkwijze’ raakte aan de buitenkant van fenomenen, die volgens hem een veel grondigere analyse behoefden.

Ezechiël begreep ook wel dat mensen die zich overdonderd, verward, alleen en verloren voelen niet op een preek zitten te wachten, laat staan van een betweter en dus gaat hij de rollen omdraaien. Hij ontziet mensen liever en klaagt bij voorkeur God aan en laat God optreden als ‘bliksemafleider’. Het is Ezechiëls vondst en list om ervoor te zorgen dat de individuele Jood haar of zijn ballingschap uithoudt.

In Ezechiëls wereld- en godsbeeld was een breekijzer gezet, de geest had een grote huisvredebreuk in Ezechiëls levensgeschiedenis teweeggebracht. De zorg om ‘het heilige’ in de tempel en de bloedeloosheid die hij daarin soms ervoer, had nu heel andere trekken aangenomen. Tijd om te rouwen om de dood van zijn overleden echtgenote had Ezechiël niet. Hij kreeg geen hap meer door z’n keel, rende van hot naar her om maatregelen te treffen, en was in een paar weken tijd twintig kilo aan lichaamsgewicht verloren.

Ezechiël voelde zich alsof hij in een cockpit van een vliegtuig had plaatsgenomen en zonder vliegbrevet een bonte verzameling mensen toch veilig overbracht. Ezechiël, Israëls coördinator, voerde zijn ambt nu uit zonder het kompas van dienstboeken en tempelordes, en was nu zelf met huid en haar bij dat ambt betrokken. Ezechiël stort zich helemaal in z’n nieuwe carrière.

Als wij met een schuin oog naar de eerste brief van Petrus kijken, dan valt ook hier de waardenclash op. Verordonneert een Romeinse keizer een standbeeld van zichzelf in de tempel te plaatsen, dan trapt hij de jood op zijn religieuze ziel, want die gaat enkel op de knieën voor Adonai. En als er geld is ingezameld voor het vieren van Soekot en Chanoeka en de lokale overheid gaat daar belastingen voor innen, dan is dat geen feest, want er is met een bijna religieuze devotie hard voor gewerkt en de intentie is de gehele opbrengst te bestemmen voor de joodse vieringen. Het is niet de bedoeling dat de overheid ook maar één zuurstokje van Israëls peperkoekhuisje afknabbelt.

Als de burgerlijke overheid van de christenen tot wie de auteur zich richt van hen verlangt alle lokale gebruiken over te nemen om in te burgeren, inclusief het vereren van afgoden, dan wordt voor hen een religieuze grens overschreden. Omwille van de ‘integratie’, het landen in de plaatselijke cultuur, hadden die christenen er verstandig aan gedaan ‘mee te doen’ met heidense praktijken. Maar in dat aanpassingsvermogen zouden ze opgeven wat hen heilig was.

De auteur had al die verhalen aangehoord, en gebruikt de reputatie van de apostel Petrus – een pseudoniem – om zijn brief gezag te verlenen. Hij componeert een symfonie, waarin hij hun wonden zalft, hun ziel balsemt en het lijden dat zij verduren opneemt in een christologische visie namelijk, dat het mogelijk is te midden van het ervaren van smart en ellende er ook de geestigheid van in te zien, en dat deze existentiële paradox culmineert in een verademing als doorstaan leed achter de rug is. Een mens kan haar of zijn lijden licht opvatten door er grapjes over te maken, en door het te relativeren waardig dragen.

De auteur verleent een zin aan dat lijden door er een zuiverende werking van uit te laten gaan. In het ervaren van weerstand kristalliseert zich uit wat voor die christenen onbespreekbaar is. Er is een levensstijl met praktijken waar niet over te onderhandelen valt. En als je zelf het mikpunt bent van spot en hoon, omdat je op basis van religieuze gronden niet kunt voldoen aan de voorwaarden voor integratie, wat kun je dan beter doen, dan een tegengeluid laten horen door elkaar tot steun te zijn, te bemoedigen, op te vrolijken en de deur voor de ander open te zetten.

Amen

Zondag 9 september 2018, Gereformeerde kerk Nieuwkoop, zondag 30 september 2018, ‘Koepelkerk’ Willemstad & zondag 7 oktober 2018, ‘Kerkelijk centrum Emmaüs’ Ede

Preek naar aanleiding van Ezechiël 2:1-7 en 2 Korintiërs 12:1-10 uit de Groene Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 9 september 2018 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Nieuwkoop, uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 30 september 2018 om 10.00 uur in de Koepelkerk te Willemstad en uit de Groene Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 7 oktober 2018 om 10.30 uur in kerkelijk centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

Hoe voer ik een slechtnieuwsgesprek? Zijn er ‘regels’, technieken en modellen voor het berichten van slecht nieuws? Vandaag de dag voeren werkgevers jaarlijks functioneringsgesprekken met werknemers, om uiteindelijk te besluiten een contract al dan niet te verlengen. Ten tijde van de Griekse Oudheid raadpleegden mensen een orakel, dat een uitspraak deed over de toekomst. In het Oude Testament treden vaak profetessengroepen en soms een enkele gestalte naar voren om heil of onheil in het vooruitzicht te stellen. Voorbeelden zijn Mirjam, Debora, Hulda, Noadja en Ezechiël. In het sociale engagement en de cultuurkritiek van een profeet zagen de geadresseerden een openbaring van het wezen of de wil van God. De profeet is een figuur die primair de rol van bemiddelaar op zich neemt door een brug te slaan tussen de geadresseerde en een nieuw perspectief.

De roeping van een profeet en de trouw aan zijn opdracht wordt in zogenaamde ‘roepingsverhalen’ vaak met veel indrukken geschilderd. De kwestie voor een lezer(es) lijkt vooral te zijn: gaat een profeet zijn ‘beroep’ aanvaarden, of kiest hij het ruime sop en gaat hij zijn roeping uit de weg? De persoonlijkheid van de profeet speelt bij die keuze een belangrijke rol. Menig profetische gestalte is een extaticus die zich in een act van overgave in de eigen verbeelding laat meevoeren en zich dusdanig met zijn boodschap vereenzelvigt, dat beide met elkaar versmelten. Ook Ezechiël ligt languit op de grond als hij kennismaakt met een werkelijkheid die het gegevene overstijgt. Naderhand is hij maar nauwelijks in staat zijn ervaring te catalogiseren.

De geestesvervoering van de profeet, zo was de overtuiging, fungeerde als ‘middel’ om mensen voor ‘Gods toekomst’ te openen. De openbaring vormde een context van ontdekking, waarin mensen vrijelijk dromen, hypothesen opstellen, oplossingen verzinnen en nieuwe plannen maken. De profeet had charisma nodig om die creatieve fase te stimuleren en stond tegelijkertijd onder de kritiek dat hij zijn positie niet mocht privatiseren. Vandaar de waarschuwing voor de valse profeet. In een volgend stadium poogden de profeet en de geadresseerden logische strengheid toe te passen, de empirie in gesprek te brengen met de openbaring en de slagingskans ervan te verzekeren. Tot dusver is dit een klassieke, joodse weergave van de profeet.

Veel later zien we onder invloed van het hellenisme binnen het vroege christendom een verscherping van het profetendom en tegelijkertijd een verlegenheid met een oudtestamentische profeet als Ezechiël. Naarmate het op de evangeliën geïnspireerde christendom zich ontwikkelt, lijkt de opvatting post te vatten dat het profetendom vervuld en beëindigd is. In apologieën die het opnemen voor de kerk vindt een democratisering van het profetendom plaats: de gemeente wordt niet indirect, via een profeet, maar direct door Gods geest geleid en het charisma is een door alle leden gedeelde gave.

We kunnen Ezechiël ook als een hedendaagse figuur neerzetten die vooruitloopt op geavanceerde technologie. Want wie heden ten dage zoekt naar sporen van transcendentie, kan die in het bijzonder terugvinden in de wereld van de techniek, waar een beroep wordt gedaan op creativiteit, en gedachtesprongen aan de basis van uitvindingen liggen. Zoals een tafel van meer geest getuigt, dan een boom, en de draadloze red laser presenter meer dan de houten aanwijsstok, zo zijn nieuwe technologieën te zien als de vruchten van inventiviteit: een mentaal ‘proces’ waar verbeelding voor nodig is, een eigenschap waar de oudtestamentische profeten in grossierden.

Wie zich in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw afvraagt waar de geest werkt, kan de blik richten op de United States of America, Aziatische landen als China en Japan of, dichter bij huis, Delft, Twente en Eindhoven waar hightech wordt bedreven, studenten zich bezighouden met industrieel ontwerpen, onderzoek naar technologische innovatie centraal staat en technologieën van de toekomst in combinatie met vraagstukken op het gebied van gedrag en maatschappij speerpunten zijn. Het zijn plaatsen waar ‘God’ materialiseert en vanwaaruit technische creaties de aard van onze geest beïnvloeden.

Ezechiël is de icoon die voorspellingen doet, waarmee hij tegen een materiële visie op de werkelijkheid ageert dat wil zeggen, de visie dat de werkelijkheid enkel in termen van fysieke staten, gebeurtenissen en processen te begrijpen is. Sinds de zestiende eeuw noemen we de ontdekking van de fysische werkelijkheid ‘fysicalisme’. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament bestond de term ‘fysicalisme’ nog niet: die zou nog worden uitgevonden. Het fysicalisme gaat ervan uit dat er geen andere dingen meer zijn dan fysische dingen. Ezechiël neemt dingen waar, maar hij is ervan overtuigd dat als de verbeelding over het bestaande gaat, deze nieuwe vormen kan opleveren. Het fysische verhaal is niet het enige en ook niet het gehele verhaal over mens en wereld. In de manifestaties van Ezechiëls geestesinhouden ondergaat het denken over de werkelijkheid wijzigingen. Hij verbeeldt zich hoe het zou zijn als… . Het is zijn verbeelding die hem ertoe in staat stelt over het gegevene heen te springen, weer terug te keren tot de bestaande wereld en daarin handelend op te treden. Het zijn capaciteiten die niet enkel aan ‘profeten’ of de beoefenaars van de kunsten in onze samenleving zijn voorbehouden. Ieder mens staan deze vermogens ter beschikking, en je kunt je erin oefenen.

Ezechiël heeft de interactie met ‘het fictieve’ nodig om de doorstroming van het menselijk leven zelf te bevorderen. De auteur schildert de representanten van de conservatieve factie somber. Het opstandige volk dat zich verzet tegen nieuwe inhouden en vormen is te vergelijken met negatieve duidingen van de rol van bijvoorbeeld communicatietechnologieën in onze tijd. Vormen van gemeentezijn kunnen door een afwijzing van ‘nieuwe media’ stagneren, het gemeenschappelijk leven kan erdoor in ballingschap geraken. God verdwijnt uit Jorwerd. Het is des Ezechiëls om de klaagzangen die hij te eten krijgt, te proeven met de voorsmaak van zijn visioenen. Het visioen is niet een uitvlucht uit de bestaande werkelijkheid die hem te eenzijdig is, het stelt hem in staat de rebellie tegen vernieuwing te ervaren als ‘verrukkelijke speldenprikjes’.

De gemene deler tussen de tekst uit Ezechiël en Paulus’ brief is dat beide een positie innemen, waarin zij ‘de zachte krachten’ verdedigen versus ‘harde kennis’. Er zijn echter meer overeenkomsten te noemen. Ezechiël en Paulus zijn zieners voor wie visionaire waarnemingen niet ongebruikelijk waren. Van neurowetenschap of cognitieve psychologie hadden beiden nog nooit gehoord. Paulus schrijft een apologie, omdat hij heeft ontdekt hoe ‘alfaontdekkingen’ een mens en de wijze waarop zij of hij zich tot de haar of hem omringende wereld verhoudt, kan veranderen. In zijn onderneming is Paulus in gesprek met opponenten uit Korinthe, die hun vraagtekens plaatsen bij bijvoorbeeld de Griekse gedachte dat een God voortdurend een uitzondering zou maken voor zijn eigen ‘kind’. Paulus’ denkinhouden overstijgen de materiële wereld en zullen later als christelijk mystieke uitingen worden gemunt. Vergelijkbaar met Ezechiël gaat ook Paulus met zijn hele wezen op in het geloof dat hij verkondigt. We vinden bij hem geen onderscheid tussen privépersoon en beroepsbeoefenaar. En wist Ezechiël zich gezonden, ook Paulus had een roepingservaring, waaraan hij zijn apostolisch gezag ontleende.

Paulus neemt het naast vormen van rationaliteit die in de paulinische gemeente te vinden zijn op voor irrationele vormen van gemeentezijn. In de paulinische gemeente werd geprofeteerd en ‘klanktaal’ gesproken; activiteiten die voor gelovigen een bewijs vormden voor de presentie van Gods geest in de gemeente. Bij Paulus krijgt de profetie een hele pastorale kleur: een persoon die profeteerde, bemoedigde, troostte, beleerde en vermaande met het oog op geestelijke zorg, waarbij de ervaringen van mensen zelf het vertrekpunt vormden voor ‘de profeet’. Paulus schenkt dus al aandacht aan het belang van de belevings- en ervaringsdimensie van religieus geloof. Hij stelde zich de aanwezigheid van Gods geest bijna fysiek voor.

De zienswijze van een in de techniek geïncarneerde God kan, ik noem maar en paar voorbeelden, maken dat ik minder vanzelfsprekend naar een OV-chipkaart of tablet kijk. In de wereld van ICT en nanotechnologie draait de geest op volle toeren en haar inventies staan mij als mens ter hand. De oplossingen en vondsten die in deze werelden in de overvloed van openbaringen worden bedacht, zijn te bezien als vormen van ‘technisch pastoraat’, doordat ze me helpen me te oriënteren in de wereld en me ertoe aanzetten er nieuwe verhoudingen mee aan te gaan. Laat ons in de wereld van vernieuwende techniek echter wel onderscheid maken tussen goed en kwaad. De atoombom was ook een ‘geweldige uitvinding’. Maar wat een opluchting als je als mens wordt verlost van bijvoorbeeld kiespijn, een maagzweer of een tumor; dan kun je de werkelijkheid weer zien.

Amen

Gereformeerde kerk Lisse, 17 september 2017 en Pauluskerk Breukelen, 24 september 2017

Preek naar aanleiding van Ezechiël 33:7-11 en Romeinen 12:9-21 uit de Groene Bijbel voor de viering op de dertiende zondag van de zomer op 17 september 2017 om 10.00 uur in de gereformeerde kerk te Lisse en uit de Naardense Bijbel voor de viering op de eerste zondag van de herfst op 24 september 2017 om 10.00 uur in de Pauluskerk te Breukelen

Gemeente,

Wie een bijbelse tekst leest, doet er goed aan zich de vragen te stellen: wie spreekt hier? En, wie zegt wat tegen wie? Dergelijke vragen maken je als lezer(es) gevoelig voor context en de betekenis van taal in een specifieke setting. De tekst uit Ezechiël drieëndertig vers zeven tot negen is onbegrijpelijk, zonder kennis te nemen van de historische situatie die aanleiding gaf tot dit schrijven. Ezechiël drieëndertig vers zeven tot negen is een ‘zelfvisie-document’ waarin Ezechiël via een omweg, God, tot klaarheid komt over zijn functioneren en identiteit na een ingrijpende gebeurtenis.

In de tekst fungeert God als de spiegel waartegenover Ezechiël zichzelf plaatst. Nadat hij er goed is voor gaan zitten, ontspint zich een innerlijk gesprek, dat enkel tot stand kan komen, doordat Ezechiël zichzelf in gesprek brengt met ‘een tegenover’. De profielschets die hij maakt, komt tot stand nadat zich in zijn omgeving een ramp voltrekt. In zijn optreden vóór die ramp, had Ezechiël zijn persoonlijke gevoelens en gedachten voor zichzelf gehouden. Zijn gereserveerde attitude en teruggetrokken levensstijl gaven blijk van een bescheidenheid en gepaste afstand ten aanzien van de medemens. Die medemens was hem heilig en Ezechiël had vrees de ander té direct te benaderen en haar of hem in haar of zijn andersheid te na te komen. Nu is hij van inzicht veranderd.

De val van een stad had een grote storing in Ezechiëls leven gebracht of liever, betekende de coming out van Ezechiël. Want, in en na zijn optreden, is Ezechiël ‘gedwongen’ zichzelf bloot te geven, en vergaart hij zich een veel grotere vrijheid van expressie dan voorheen. En misschien kun je zijn daad van mensenliefde eraan herkennen, dat hij tijdens dat stedelijke drama in Jeruzalem gaat doen wat hij van huis uit liever uit de weg zou gaan of achterwege zou laten: alarm slaan, de aandacht op zich vestigen en de profeet van de dwaze en onredelijke hoop spelen.

In Lisse, Breukelen, Leiden, andere steden in de Bollenstreek en in de provincie Utrecht, en op plaatsen in geheel Nederland, klinkt op de eerste maandag van de maand een luchtalarm. Het is een geluidssignaal dat wordt getest om de bevolking bij mogelijk gevaar te waarschuwen en zichzelf in veiligheid te laten brengen. Over een dergelijk alarmsysteem beschikten Ezechiël en zijn tijdgenoten niet. Ook bestond er niet zoiets als een rampenwet met een rampenplan, waarbij met een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines en met behulp van hulpmiddelen, een situatie te beëindigen is.

Ezechiël is Israëls sirene en die taak neemt hij op zich op basis van intuïtie, een innerlijke noodzaak, een onweerstaanbare drang vanwege een zaak die als een klap zal aankomen bij de ethisch en orthodox denkende jood. De jood namelijk die denkt dat hij ‘verloren’ is vanwege misstappen, en de jood met een zondebesef, voor wie het leven zijn glans heeft verloren en die in zichzelf verkromd dreigt te raken, krijgen van Ezechiël woorden aangereikt waardoor zij een nieuwe visie op de werkelijkheid ontwikkelen. De joden die na de instorting van de tempel zijn achtergebleven, de overlevenden, verkeren in een omstandigheid waarin ze zich nog beroepen op een oude orde. Dat beroep laat zien dat de gebeurtenis zelf nog helemaal niet aan hun referentiekaders en schemata heeft geschud.

Ezechiël moet wel een drempel over en vindt daartoe de kracht doordat hij onaangenaam getroffen is door de ravage die de verwoesting van de tempel heeft aangericht. Het is de liefde waardoor hij het in zich heeft het kwaad te verafschuwen en zich vastklampt aan ‘het goede’. Hij probeert de gedeprimeerde jood die stem krijgt in vers tien vanuit zijn situatie te begrijpen en vanuit dat begrip aan te raken. In de bittere en wanhopige noodklacht van de jood: “Voor ons is er geen sprake van leven”, hoor je de existentiële pijn van ieder mens voor wie leven en dood op het spel staan. Deze jammerklacht is de collectieve reactie van een volk op een toestand waarin mens- en wereldbeeld in duigen zijn gevallen, en er behoefte is aan een stem die van binnenuit en van buitenaf betekenis gaat verlenen aan dat grootschalige drama.

In het Oude Testament zie je vaak een profeet opduiken bij situaties die een spoedeisend karakter hebben. Ezechiël gaat de liefde, waar de jood op wacht, in praktijk brengen, protest aantekenen tegen de zelfondermijnende denkbeelden van de getraumatiseerde en depressieve jood, en zal pogen een weg te wijzen. Hij is de wachter en waker van Israël en zal al spiedend de gebeurtenissen in zijn tijd in het oog houden om dan, als er gevaar dreigt, groot alarm te slaan.

Het sleutelwoord dat de parabel uit Ezechiël verbindt met de tekst uit de brief aan de Romeinen is ‘bekering’. Het Nieuwe Testament gebruikt er het Griekse woord metanoia voor. Bekering is een religieus begrip dat zoveel betekent als ‘tot inkeer brengen’. In een act van bekering ontzegt een mens zich iets, en wordt tot een nieuw inzicht gebracht waardoor zij of hij zich tot een andere levensrichting wendt. Vaak gaat er een sterke religieuze ervaring aan die nieuwe oriëntatie vooraf. Die bekering is niet een eenmalige act, maar een levenslang aanhoudend proces. Als je theologisch over ‘bekering’ wilt spreken, dan zeg je dat bekering niet het gevolg is van menselijke inspanning of prestatie, maar dat ze is bewerkt door de genade van God.

Wat een bekering doet, is een mens helpen af te zien van bepaalde prioriteiten in het leven, deze af te gelasten, af te zeggen en het leven in te richten naar een hoop en levensvervulling in een toekomst die wortelt ‘in God’, dat wil zeggen: dat wat je zelf niet bent en hebt kunnen uitdenken. Een bekering is te vergelijken met een TomTom die een uitgestippelde route herberekend en een alternatief parcours voorstelt. Het autonavigatiesysteem waarbij je een koers hebt bepaald, blijkt tijdens het volgen van de aanwijzingen namelijk niet berekend te zijn op lokale wijzigingen, en ziet af van de ingeslagen weg, gaat terug naar het vertrekpunt en stelt alles in werking te anticiperen op een onvoorzien voorland.

De tekst uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen beschrijft hoe ‘bekering’ eruit kan zien door concrete invullingen van de liefde, de agapè als een groot contrast neer te zetten ten opzichte van de begeerte, de eros. Eros is in de Griekse mythologie de god van de liefde en heeft als kind van poros – het opportunisme – en penia – de armoede – altijd honger. Eros is onverzadigbaar, permanent ontevreden, rusteloos en is continu bezig vervulling na te jagen. Eros heeft een biologische functie. Een mens houdt met eros de soort in leven. Paulus kende de werking van eros en zijn bezwaar is dat eros momentaan en onkritisch is, doordat eros alleen zichzelf in de ander ziet. Paulus gaat eros overrulen door eros te onderscheiden van een niet-zinnelijke en onzelfzuchtig begrip van liefde: de agapè.

Agapè is niet kortstondig, houdt niet op, omdat ze deel heeft aan de eeuwigheid. Agapè is het protest tegen de stroom waar de mens in drijft en zichzelf in mee laat voeren. Agapè is de uitwerplijn die de mens die horig is aan haar of zijn driften, en daardoor onvrij is, vanaf de kade wordt toegeworpen. Agapè steekt als het ware een stokje voor de ‘automatische’ opvolging van begeertes en leert een mens daarboven te staan. Ze is waardig, belichaamt een positief ethos en hult zich in een gedaante waarin ze zich van huis uit niet zou hullen. Agapè is een tegennatuurlijk soort liefde. Ze druist in tegen biologie en treedt op als een grote stoorzender van de psychologie, omdat ze pneumatologisch dat wil zeggen, geestelijk van aard is. Agapè is een bereflecteerd soort liefde. Ze haalt je uit de flow van het leven, maakt daar inbreuk op, is een interruptie, een onderbreking die je in staat stelt vanuit een beschouwelijke optiek naar je eigen verlangens en handelen te kijken. Ze ziet af van haar eigen eerste neigingen en belangen, omdat zij, bijvoorbeeld in het geval van Ezechiël, een groep joden uit het slop wil trekken, en in het geval van Paulus, geen wij-zij-cultuur wil scheppen en de geest een stap verder wil helpen.

Paulus had gezien hoe in een Grieks-Romeinse stad waar een christenbeweging leefde aan beide kanten ‘groepsdenken’ vijandbeelden kan creëren en hoe funest dat kan zijn voor een vreedzame, pluriforme samenleving. Paulus betoont zich in Romeinen twaalf vers negen tot eenentwintig een iconoclast dat wil zeggen, een beeldenstormer avant la lettre. Paulus had voor die stedelijke problematiek geen oplossing gevonden binnen de ethiek, omdat ethiek volgens hem geen positieve, nieuwe mogelijkheden schept. De ethiek leert je vooral wat je níet moet doen en volgens haar heb je het altijd bij het verkeerde eind.

Sterker nog, ethiek was voor Paulus een ‘sta in de weg’, doordat veel moraal denkwijzen verried die teruggingen op een economie van wederkerigheid. Dat wil zeggen, calculaties als ‘ik verleen jou wat jij wilt en jij geeft mij wat ik beoog’ en, ‘ik geef opdat u geeft’. Van die principes waren het recht en de religie van de Romeinen doortrokken. In dat geval wordt in de jaarrekening van een cultuur evenveel uitgegeven als dat er aan inkomsten wordt gegenereerd, en kan een samenleving niet een volgende stap zetten. Ze blijft bij het oude.

Agapè is niet ethisch, ze is een onlogische, ondenkbare liefde die daar plaatsvindt waar het leven van de mens in haar normale gang wordt verstoord, en die een nieuwe mogelijkheid voorstelt. Die liefde kan een mens onaangenaam verrassen, ze kan onverbiddelijk zijn en de strijd aanbinden met bestaande structuren, juist, omdat ze geen genoegen kan nemen met de status quo, en een hartstochtelijke afkeer heeft van het kwaad en wat daarop kan volgen. Die liefde kan worden aangezwengeld doordat een concrete medemens mijn pad kruist die de grondslagen van mijn denken opnieuw gaat bestraten door mij anders te leren denken. Het is een plaveisel dat telkens weer gelegd dient te worden. De bereidheid de eigen denkkaders te herzien in de relatie die ik met de ander aanga, kun je kwalificeren als een offer dat agapè onderscheidt van eros.

Tot slot, als je die Paulinische opvatting van agapè doortrekt naar het eigen leven, dan kan dat betekenen dat je kritisch gaat kijken naar criteria en beoordelingsinstrumenten aan de hand waarvan een gebeurtenis, proces of ontwikkeling geëvalueerd wordt. Zo kan, ik noem maar een voorbeeld, de levenskwaliteit van een religieuze geloofsgemeenschap of cultuur worden afgemeten aan de mogelijkheden die zij individuen te bieden heeft, in plaats van naar ledenaantallen of het nationaal bruto product te kijken. Vragen als: wat kan ik in deze omgeving doen? Hoe kan ik er zijn? En, welke mogelijkheden staan op deze plaats voor mij open? kunnen aan die kwaliteit bijdragen. Agapè is dan een wijze van in de wereld zijn waarbij je een omslag in een manier van denken maakt.

Amen