Tag Archives: Geloof

Zondag 26 mei 2019, ‘Oude kerk’ Ermelo

Preek naar aanleiding van Spreuken 9:1-18 en Matteüs 26:17-31 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 mei 2019 om 17.00 uur in de Oude Kerk te Ermelo

Zeer gewaardeerde gemeente,

In 1987 verschijnt op basis van een verhaal van de Deense auteur Karen Blixen de film Babette’s Feast. De titel heeft een dubbele betekenis aangezien ‘feast’ zowel ‘feest’ of ‘partij’ kan betekenen als ‘banket’ of ‘gelag’. In de film zie je hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw in Jutland een vergrijsde lutherse gemeenschap de honderdste verjaardag van de predikant wil vieren. De film speelt vaak met het idee de werkelijkheid en de mogelijke werelden waarin een mens kan leven als een feest te zien. De film zinspeelt op ‘kansen’ die de individuen in die religieuze gemeenschap hadden kunnen benutten; het zijn inmiddels ongerealiseerde mogelijkheden waardoor die Jutlandse gemeente kleurloos en onbeweeglijk is geworden. Zo zijn er de twee vrouwen op leeftijd, predikantsdochters die samenwonen in een dorp en die beiden furore hadden kunnen maken in de showbizz en in het leger.

Babette, een voormalige, Franse kokkin, gaat jeu in de levenloze en verdeelde gemeenschap brengen. Het ligt voor de hand haar personage als een messiaanse figuur te lezen. Babette heeft haar echtgenoot, zoon en werk verloren en is uit Frankrijk op de vlucht voor de burgeroorlog tijdens de Parijse Commune van 1871. Uitgeput komt zij bij de woning van de predikantsdochters aan. In het huis van deze ‘heiligen’ zal Babette vanuit de keuken – haar kookeiland, paleis en heelal – de ziel en zinnen van de gemeenschap nieuw leven inblazen.

Via het banket dat ze aanricht en waaraan ze het laatste geld dat ze heeft spendeert, geeft ze zichzelf ten offer aan de gemeente, in de hoop dat aan die gemeenschap opnieuw ziel en doorgang wordt verleent. Die gemeenschap heeft vanuit haar spiritualiteit een argwaan ontwikkeld ten aanzien van de zintuiglijkheid. De zinnen, het sensuele zouden een mens misleiden, afleiden van al wat redelijk, waar, goed en goddelijk mag heten. Geen wonder dat vanuit die overtuiging het chagrijn en de smakeloosheid de overhand op deze mensen kreeg.

Kwartels, een schildpad, wijn, kaas, fijn linnen en kristallen glazen komen aan die maaltijd – een soort laatste avondmaal – te pas. Een van de disgenoten die inmiddels is aangeschoven, blijkt een generaal die vol lof is over het diner en volop aan het genieten is. De smaaksensaties die de gerechten effectueren en het enthousiasme van de generaal blijken onweerstaanbaar, de een na de ander geeft zich over, de gemeente is om, opgestaan uit haar doden. Dit was de maaltijd van hun leven.

De crux in de film lijkt te zijn dat Babette met haar daad uiteindelijk geen offer brengt. Een kijker die er deze visie op nahoudt, verraadt hoezeer zij of hij religieus is voorgeprogrammeerd. De maaltijd die Babette aanricht en het geld dat ze daaraan uitgeeft, is geen vorm van zelfverloochening, maar van zelfliefde. Babette is een kunstenaar die op deze wijze in haar element is en in haar scheppend wezen nooit arm is.

Het verband tussen Babette en de tekst uit Spreuken is dat wijsheid wordt voorgesteld als het schenken van inzicht dat vrijmaakt van de dood en dat naar het leven voert. In de teksten van het Oude Testament krijgt ‘wijsheid’ veelal de invulling van een verlangen naar wetenschap, kennis die op verschillende manieren een verhouding met ‘geloof’ aangaat. Die verhouding is een centraal thema in de theologie. Theologie is vanaf de elfde eeuw gedefinieerd als ‘geloof dat zoekt naar begrip’. Theologie fungeert dan als bruggenbouwer tussen kennis, die het product is van de rede en een ‘innerlijk weten’, dat gebaseerd is op geloof. Een theoloog of predikant probeert de kunst te beheersen nieuwe vragen te stellen en een ruimte te faciliteren waarin nieuwe antwoorden op wetenschappelijke vragen en geloofsvragen te formuleren zijn. Op die manier schept een theoloog mogelijkheden en zoekt een predikant naar openingen voor vitale vormen van gemeente-zijn.

Het boek Spreuken is een album, waarin een reeks vergelijkingen, beschouwingen, kernachtige gezegdes en rijmparen onder de noemer ‘Spreuken’ bij elkaar zijn gezet. Die verzameling van heel verschillende spreuken heeft tot gevolg dat er veel contradicties in Spreuken te vinden zijn – en dat is geheel naar de smaak van de ouden, want die waren van mening dat in het teken van tegenspraak ‘waarheid’ tot uiting kwam. We doen er dan ook goed aan die spreuken dialectisch te lezen dat wil zeggen, door hun tegenstellingen heen, om uiteindelijk uit te komen bij ‘wijsheid’.

In het boek Spreuken wordt de joden na een periode van ballingschap een maaltijd voorgeschoteld. De spreuken draaien om het zoeken naar een levensweg, en dat is typisch voor ‘bijbelse wijsheid’: het schetst een weg naar het leven. Met dat openbarende karakter van de wijsheid in Spreuken onderscheidt ze zich van de wijsheid zoals die in de vorm van een godin voorkomt in vruchtbaarheidsreligies. Spreuken ontmythologiseert dat type wijsheid en wie aan haar roep gehoor geeft, kan deelhebben aan een messiaans banket.

Als je leest hoe in Spreuken over wijsheid wordt gesproken, dan valt op dat ze vaak spreekt in vergelijkingen en beeldspraak. Een spreuk voldoet aan formele criteria, is poëtisch qua vorm en heeft als doel dat je haar kunt memoriseren. Op momenten dat een mens niet weet hoe in een bepaalde situatie te handelen, kan een spreuk of tegeltjeswijsheid praktisch inzicht bieden. De bijbelse wijsheid van Spreuken is geen wetenschappelijke kennis, ze wordt niet verworven door onderzoek, testresultaten en geldige redeneringen. Ze heeft meer weg van onderscheidingsvermogen, intuïtie, prudentie en begrip. Een soort ‘inzicht’ van binnenuit, waardoor je op een bepaald moment weet wat te doen en ernaar handelt. De wijsheid van Spreuken is contextafhankelijk en stoelt op hele specifieke situaties. Ze is geboren in ‘het leven van alledag’.

In dat leven van alledag speelden vrouwen een belangrijke rol. Die joodse vrouwen waren bedrijvig op plaatsen waar mensen zich verzamelden, zoals de stadspoort en de markt, en waren sociaal door mensen bij hen thuis uit te nodigen. Ze gaven leiding aan grote gezelschappen, dreven handel, produceerden voedsel en kleding, onderwezen in de Thora, droegen zorg voor minderbedeelden en organiseerden solidariteitsprojecten. Hun optreden kwam terecht in de literatuur van de periode na de ballingschap. In het kader van de leidersrol van vrouwen bekijken we nu een filmpje met de single It’s A New Day van de zangeres Anouk, die in de videoclip zelf imitaties toont van iconische vrouwen: https://www.youtube.com/watch?v=Hy6Cf9nGNiw

De invulling van wijsheid in Spreuken wordt gemodelleerd naar het beeld van die zelfstandige, actieve, onafhankelijke vrouwen. Wie weinig onderwijs had genoten of door een gebrek aan ervaring nauwelijks verstand van zaken had, ging graag bij ‘vrouwe wijsheid’ in de leer. Wilde je ‘wijs’ worden, dan liet je je door haar beleren, corrigeren, nam je de raad van anderen ter harte en wilde graag nieuwe dingen leren. Het volgen van een weg van wijsheid kon ook een oproep tot omkeer betekenen. Dan beëindigde je een levenspraxis en gaf je gevolg aan alternatieven.

Het openbarende karakter van Spreuken is gelegen in hun gidsende functie. De fakkel in Matteüs heeft eveneens een openbaringskarakter. De fakkel staat symbool voor de mens die haar of zijn leven zo leidt, dat zij of hij licht aan anderen geeft. Maar hoe anders, wellicht tegen de verwachting in, spreekt Matteüs over de fakkel. In Spreuken is de bron van haar ontstaan gangbaar en collectief, maar in Matteüs is die uniek en individueel. De olie staat voor geloof en voor dat geloof kan een mens als individu niet leunen op de olie van een ander. Matteüs is hier echt onverbiddelijk. Geen druppel kun je ervan lenen. Een mens kan haar of zijn eigen leven niet leiden als zij of hij daarvoor een beroep zou doen op andermans geloof. Ik dien zorg te dragen voor mijn persoonlijk geloof, de eigen levenstaak te volbrengen en die vraagt om toewijding. Aandachtig, met bezieling en inzet maak ik op die wijze ernst met de godsrelatie. Voor het voeden van geloof dien ik alert te zijn, ogen en oren open te houden voor mogelijkheden die zich voordoen, en die niet voorbij te laten gaan, als was ik een predikant in Jutland die het gaat maken in de showbizz.

Amen

Zondag 28 april 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Genesis 8:6-16 en Johannes 20:24-29 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van de tweede zondag van Pasen op 28 april 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

Noach zegde op een dag zijn baan op, verkocht zijn optrekje in een villawijk en was scheep gegaan. Collega’s en wijkbewoners hadden hem niet begrijpend aangekeken. Hun spotpraatjes had hij verdragen.

Noach werkte als fysicus en de eisen van kwantificering en valorisering waren hem steeds meer gaan tegenstaan. Noach had in Duitsland gestudeerd en bezocht er regelmatig de bijeenkomsten van de studentenecclesia. In Syrië deed hij promotieonderzoek naar het manipuleren van chemische samenstellingen voor sponsachtige oppervlaktestructuren. Na terugkeer in Nederland was de werkgelegenheid in zijn vakgebied gunstig, hij kon meteen aan de slag.

Hij was zich echter het apezuur geschrokken van de wijze waarop mensen die geen verstand hadden van fysica, voorschriften en ‘doeleinden’ gingen formuleren, waaraan de natuurwetenschap moest voldoen. Statistiek, management en politiek leken in die protocollen de boventoon te voeren en men leek vooral belang te stellen in ‘toepassing’ en ‘aantoonbare resultaten’, terwijl hij, Noach, hield van de speelruimte die nodig is om een nieuwe theorie te verzinnen. Het experiment, veel geknoei en mislukkingen, gepuzzel, samenwerking met collegae die vergelijkbare problemen op een andere manier benaderen, is geen vloeiend proces, het verloopt met horten en stoten, is rudimentair, weerbarstig in z’n ontwikkeling.

Noach bevindt zich nu in een als wooncomplex ingericht vaartuig, dat hij eigenhandig heeft gebouwd, wacht totdat de hemelsluizen optrekken en drijft met zijn schip – vluchtheuvel, ‘protestbunker’ en lijkhuis in één – in een stortvloed rond. Al deinend op de maat van de golven, gooit hij lijnen uit naar de toekomst en probeert te peilen waar zijn ideeën blijven haken, waar zijn verbeelding vaste grond vindt. Af en toe graaft hij in z’n geheugens en duikt in die diepten reuzevissen op. Dagen rijgen zich aaneen, een grijze mist ontneemt Noach het zich op zichzelf en de buitenwereld. Door de regenval kunnen de boomtoppen het hoofd niet meer boven water houden, met vocht geabsorbeerde bladeren grijpen vergeefs naar houvast om zich heen, laten zich meevoeren met de sterke stroming.

De dag is vers, maar voor Noach bedorven. Hij zit nu al ruim een maand in zijn barak en zijn keel staat in brand, roept uit alle macht naar God, die zich voor deze drenkeling lijkt te verbergen. In geen velden of wegen is God te bekennen.

Het water golft niet langer, maar murmelt tegen Noachs slapen. Het lest zijn dorst niet langer, maar doet hem verdrinken. De vloed vreet zijn benen weg: het hout is doordrenkt van nattigheid, de pek laat los, de schimmel staat op de wanden, de voorraad is er doorheen, geen brood, blad of kruid waarmee Noach zich kan voeden, drap staat op zijn spijskaart, ongedierte kruipt in zijn watergraf rond.

Noach heeft kippenvel, bibbert, deze ‘oertoestand’ overstijgt zijn hart – zelfs God vreest deze chaos, verkleumt van de kou, zoekt met zijn staart tussen de benen de koestering van anderen. God had een voorproefje genomen op dit leven van de mens Noach, als een vlieg om zijn ark heen gezoemd en durfde het niet te wagen er zijn intrek te nemen. Wie zou op deze plaats, die van alle licht is beroofd, ook haar of zijn voet durven zetten? Oever van duisternis, waarnaar het pad gladder is dan modder en waar de tijd door roest is verweerd. Noach vermoedde het al: in deze onderwereld zonder afgemeten aarde en overvloed is God niet. Dit zwarte gat dat het aardse leven verorbert doet alle smaak naar geestelijk leven verliezen. Wat Noach door zijn teleurstelling verloor, zijn levenslust, dát verlies doet God tot in z’n wortels sidderen, elk blad snikken van droefheid. De drang tot zelfbehoud die Noach verloor, drijft tussen witte lelies. Zonder God wordt Noach een muur die afbrokkelt, een deur waardoor de wind kermt, een waterkruik vol gaten. Noach voelt nattigheid, het leven vliet uit hem weg, de hoop sijpelt uit zijn aderen. Nog even en die waterbak zal zijn dood betekenen.

De helende zet moest van de empirische wetenschap komen: die zou Noach doen wegtrekken uit zijn doodskist. Hij zou via wiskundige principes de tel van de dagen bijhouden, de dieren in zijn ‘biotoop’ als meetinstrumenten gebruiken, hen de stand van zaken in de buitenwereld laten peilen. Met de meest basale kennis, observatietechnieken zou hij, langzaam opkrabbelend, proefondervindelijk vernemen of het buiten veilig was.

Noach had zichzelf opgesloten in een ark, waarbinnen de vormloosheid de overhand op hem krijgt. Als hij gemonsterd heeft hoe het er met hem voorstaat en er weer wat leven door de spleten van zijn ziel gloort, komt hij tot het besef dat alleen hijzelf de deksel van zijn ark kan verwijderen. Die positie is in het Oude Testament de max die een mens kan bereiken als het om zelfinzicht gaat.

Zou je dit verhaal over ‘een uittocht’ en terugkeer van een mens naar de bewoonde wereld door de bril van het Nieuwe Testament lezen, dan gaat het er nog rigoureuzer aan toe. Zou Noach een messias ontmoeten, iemand die zalft met geest, en Noachs uitgeteerde beenderen zou doordrenken met olie, diegene zou Noachs woonschuit van buitenaf hebben opengebroken.

Waar Noach uiteindelijk de empirie en haar wetten nodig heeft om uit zijn ark van de verbeelding weg te komen, helt Thomas juist over naar de kant van de rede, en behoeft de tegenstelling van de verbeelding om vertrouwen te hebben in de waarheid van dingen, die zich niet in patronen en structuren laten vatten. Thomas is een systematisch wetenschapper ten voeten uit: hij benadert de hem omringende werkelijkheid vanuit het oogpunt van de meetkunde. Hij leeft van de waarneming, legt vast wat hij ziet, voert metingen en berekeningen uit.

Thomas heeft moeite alle informatie die hij verzameld en in zijn archieven en geheugens opslaat, te gebruiken om zich níet-waargenomen en níet-bestaande dingen voor te stellen. Hij heeft niet geleerd zijn fantasie te gebruiken en moeite aan te haken bij de symbolische dimensie van taal. Dat een mens tot hem spreekt in termen van “ik ben uit de doden opgestaan”, daar kan hij niet bij. Thomas staat model voor de mens die denkt, al tastend, dat een voorwaarde voor geloof is, dat de eigen berekeningen moeten kloppen. Echter, de resultante waar Thomas op zinspeelt is kennis, weten, geen geloof – dat is van andere ‘materie’ gemaakt. En de manier waarop de mens die op Thomas lijkt, de betekenis van geloven leert vatten, is de aanraking van een mens van vlees en bloed via de tastzin. De tast vormt het knooppunt waarop de wereld van exacte systemen, ervaring en bovenzinnelijkheid convergeren.

Wie een ander wil laten kennismaken met een nieuwe ziens- of spreekwijze, zal genoodzaakt zijn eerst de aansluiting te zoeken bij de vertrouwde verstaanswereld van de ander. Voor Thomas is dat het zintuig van de aanraking, met zijn handen zal hij een onbekende werkelijkheid bevoelen. Tijdens dat proces gebeurt er nog iets meer, want wat Thomas’ empirische attitude ontwapent is de affectie. Die insteek past goed in Johannes’ christologie van de geest. Volgens Johannes kan een mens het object van haar of zijn kenvermogen pas kennen als zij of hij zich ermee vereenzelvigt. De mens die zoekt naar kennis dient zich te identificeren met het gekende, er één mee te worden. Voor die stap is een scheutje geest nodig en dat is precies wat Thomas aan den lijve gaat ondervinden als hij zijn vingers op de zere plek legt. Achter de vraag die Thomas stelt, gaat een wereld schuil aan ongepaste vragen, waarmee Johannes in zijn pastorale praktijk werd geconfronteerd. En via een omweg wil hij zijn lezers duidelijk maken wat het betekent met littekens rond te lopen, levende tekens van menselijk lijden mee te dragen.

Wat kan er gebeuren met een mens als zij of hij de wond van een ander aanraakt? Wat speelt zich af in een mens als zij of hij zich in de nabijheid begeeft van iemand, die veel geleden heeft en die besloten heeft schoon schip te maken met die lijdensweg? Jezus spreekt over lijden, offer, geloof en opstanding. Thomas vertegenwoordigt de wereld van de meetkunde en het zijn die werelden die Johannes met elkaar in gesprek brengt. Bij Thomas zal het een blikseminslag zijn geweest als hij de gevoelslaag en de belevingswereld van de ander ontdekt en inziet hoe misplaatst zijn verlangen was, zo onomwonden naar de effecten van iemands lijden te vragen, omdat hij zonodig een bewijs geleverd wilde zien. Met dat gevoel – noem het erbarmen of compassie – zou Thomas voortaan zijn bloedeloze calculaties laten doorstromen. Het zou zijn onderzoeksresultaten geloofwaardiger maken en hem opleiden tot een betere wetenschapper.

Amen

Zondag 17 februari 2019, ‘Gereformeerde kerk Zaandijk’ & zondag 24 februari 2019, Hervormde Gemeente Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Jesaja 56:1-7 en Matteüs 15:21-28 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 17 februari 2019 om 10.00 uur in de ‘Gereformeerde kerk’ te Zaandijk en uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 24 februari 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente Zevenbergen

Gemeente,

Daar zit hij dan, Jesaja, tussen de brokstukken van zijn geloof. Om zich heen liggen flarden tekst als puzzelstukken op de grond: perkament met historische beschrijvingen, een bundeltje geloofslessen, pamfletten met beloftes, delen van een roman, waarin de auteur gewag maakt van zijn visionaire gedachten, een huwelijksakte, een paar belijdenissen en vellen met redactionele correcties. Jesaja zoekt naar een manier waarop hij deze verzameling van uiteenlopende en uit elkaar gevallen documenten zal rangschikken. Hij had op een tweesprong gestaan: of ieder residu apart behandelen en reconstrueren of alle overblijfselen tot een eenheid te smeden. Hij koos voor de laatste optie en gaat verschillende schriftelijke informatiebronnen met hun eigen patronen, kleur en motieven aan elkaar naaien als tot een lappendeken. Op die manier zorgt hij voor theologische continuïteit in de verbrokkelde teksten van de joodse religiegeschiedenis.

Van de beloften die door zijn voorgangers waren gedaan, was weinig terecht gekomen. Het leven in een metropool met zoveel mensen en functies was weerbarstig en kon de plaats van belofte en haar vervulling niet moeiteloos overbruggen. Uit eerbied en collegialiteit had Jesaja ze als een appendix aan zijn tekst toegevoegd. Hij zet ze achteraan, laat ze niet achterwege, maar moffelt ze wel een beetje weg. Jeruzalem, de stad die symbool staat voor het welslagen van ieders levensproject, ligt namelijk in puin. Het is nu niet de tijd voor formele toezeggingen.

Jesaja zal een prominente plaats toekennen aan de ethiek, de enige aangewezen weg om de miljoenenstad weer op te bouwen en de godsdienst nieuw leven in te blazen. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem had haar stedelingen opgeschrikt. Mensen waren in rep en roer. U kunt de impact van die gebeurtenis vergelijken met de watersnood van 1953, waarbij de dijken in het deltagebied braken en grote delen van de provincie Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden onder water liepen, de cafébrand in Volendam of de terroristische aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Dan ligt het leven in een stad overhoop, chaos alom, buitenstaanders zitten aan de buis gekluisterd en een land houdt zijn adem in. Het zijn van die schaarse momenten waarop ‘de loop der dingen’ wordt verstoord, er een knik komt in de flow van het menselijk leven zelf.

Jesaja had verwacht dat de ruïne waarin de tempel – lees het godsdienstige leven – verkeerde in het leven van mensen zo’n breuk tot gevolg zou hebben, dat het leven na die tijd niet meer zou zijn wat het voor die tijd was geweest. Alsof de wrakstukken van de tempel zo tot godsvereerders zou spreken, dat zij zouden stilstaan, zich verbijsterd afvragen wat de oorzaken van deze historische gebeurtenis waren en tot de conclusie komen dat het roer van het eigen leven om moest.

Dit proces van bezinning, berouw en verandering van levenswijze noemen we met een religieuze term ‘bekering’. Jesaja’s hoop op het tot stand komen van om- en inkeer bleek ijdel. De gebeurtenis leek eerder aanleiding te geven tot praktijken in een toestand van buiten de orde. Het stedelijk en religieus verval ging gepaard met een morele crisis. Het handjevol mensen dat een beschaving probeert te redden, voelt zich ontmoedigd door de aanhoudende stroom van berichten over plunderingen en rooftochten door de stad. En op de plaats waar ooit hun gebedshuis stond, zijn een paar totempalen neergezet.

Jesaja had in boekrollen gelezen hoe velen voor hem op een vergelijkbare situatie reageerden. Dan werd er in crisistijd of achteraf een profetie geschreven, waarin de ondergang van een tempel deel uitmaakte van een plan, waarin de dingen op een einde liepen en een nieuwe schepping aanstaande was. Of men voorspelde een duizendjarig vrederijk of een paradijs op aarde. In een derde geval zag een auteur kans een messiaanse tekst te produceren: het verdwijnen van de tempel en de periode van destructie die erop volgde had betrekking op de komst van een bevrijdingsfiguur.

Voor Jesaja werken die strategieën niet meer: hij had ze doorzien, ontmaskerd als wanhopige reddingspogingen of als toekomstvisies na periodes van vergane glorie. Bij Jesaja was het stil geworden, hij had in een impasse verkeerd en verlangde terug te gaan naar het begin, waarin God nog door niemand werd herkend en, ooit eenzaam en onzichtbaar, door Hebreeërs via richtlijnen in stukjes werd geknipt.

Na verloop van tijd had Jesaja besloten terug te gaan naar oude, tijdloze teksten. In een paar weken tijd had hij de hele klassieke Wereldbibliotheek herlezen en de religieuze teksten onder het stof vandaan gehaald, apart gelegd en opnieuw ingedronken. Tijdens het herlezen van die oude teksten viel het Jesaja op dat de zwaartepunten van Israëls vroomheid bij het recht en de ethiek lagen. Beide disciplines leken voorwaarden te formuleren en bouwstenen aan te dragen voor de religie.

Die volgorde zou vandaag kunnen betekenen dat je, ik noem maar een paar voorbeelden, eerst met een menswaardig vreemdelingenbeleid voor de dag komt, voldoende arbeidsplaatsen creëert en duurzame contracten aanbiedt, sleutelt aan wetten en wetswijzigingen doorvoert die het niet langer mogelijk maken docenten op grond van hun seksuele oriëntatie te ontslaan en op die wijze geloofwaardigheid schept, en dan kunnen we het daarna over de vormgeving en nadere invulling van religieus leven hebben. Jesaja had die oude teksten bijgeschaafd en herschreven: de wet voorop, met in zijn kielzog de profetie.

En toen ontmoette Jesaja ‘de Kananese vrouw’, die zijn wettisch denken buiten spel zet. Ze waardeerde het ordenende effect van die wet en begreep hoezeer Jesaja de wet als middel nodig had om bakens op te richten in zijn leven dat in duigen lag. Ze had er ook een kanttekening bij geplaatst: ze vond de herhaling die doorklonk in de wet en het universele karakter ervan getuigen van een gebrek aan geloof. Die wet waarin Israëls leefregels stonden geformuleerd, spreidde hij als een koepeldak uit over het hele mensdom, terwijl die ene, concrete andere mens daar wellicht helemaal geen boodschap aan had. Jesaja had van Israëls kruimels levensgrote broden gebakken en die goed geconserveerd, terwijl het leven zelf en de eigen existentie daarin telkens opnieuw vanuit actuele termen om doordenking en aanpassing vroeg.

Matteüs laat ‘de Kananese vrouw’ de rol spelen van het grote contrast. Waar Jesaja houvast ontleent aan twee stenen tafelen die hij eigenhandig heeft gerenoveerd, houdt de Kananese vrouw de fakkel van het geloof in haar handen. De term ‘Kananees’ is een scheldwoord, waarmee een Jood zijn verachting uitdrukt voor de Griekse handelaar die er, volgens de morele schema’s van de Jood, onethische handelspraktijken op nahield. De Griek leefde in een hele andere denk- en belevingswereld, namelijk in die van weemoedige, erotische vrolijkheid, die zich niet via bijvoorbeeld een wet laat verwerven. Hij is een zakenman, leeft in een snelle wereld, heeft handigheid verworven in het sluiten van deals, waarin een regel de praktijk volgt en niet andersom.

Matteüs zet die laatdunkende term ‘Kananees’ in om de tegenstelling tussen religieuze leiders die zich vastklampen aan de wet en deze buitenlandse vrouw te vergroten. Met haar belijdenis, die het product vormde van haar passie, zou ze inbreuk maken op de gevestigde orde van religieuze machtsbolwerken – en, niet te vergeten, op Jesaja’s denkkaders.

Jesaja is een profeet, bevindt zich vaak in afzondering in de woestijn, leest veel, studeert graag en is overwegend melancholisch gestemd. Indien hij vandaag de dag zou leven, dan zou hij te vinden zijn in een minimalistisch ingericht kamertje van een contemplatieve kloosterorde waar hij een ora et labora, bid en werk, -leven leidt. In tijden van depressie kijkt hij met een droevige blik om zich heen, naar het verleden en al wat daarin onvervuld is. Het zijn die momenten waarop Jesaja’s hart niet meer gelooft, en de bronnen van zijn hoop zijn opgedroogd, dat hij zich op wetten verlaat, en het is de vrolijkheid van de Kananese of liever Griekse vrouw die zijn ongeloof te hulp komt. Zij is opgeruimd, onstuimig, enthousiast en heeft gevoel voor drama en het zijn uitgerekend deze kwaliteiten die Jesaja’s neigingen op de proef stellen.

Jesaja is het verloren schaap van het huis van Israël, waar Matteüs haar als een messiaanse naartoe stuurt. Deze Griekse gaat Jesaja, die het idee van een huwelijk voor zichzelf nooit serieus heeft overwogen, verleiden tot een verbond, waarin zij zo met hem samenleeft, dat het licht in zijn ogen nooit meer dooft. Zij zou spreken, hij luisteren. Zij zou bij hem intrekken en een dochter die ziekelijk was uit een eerder huwelijk meenemen. De zorg die zij samen voor dat zieke kind op zich zouden nemen, zou Jesaja voorgoed van zijn Weltschmerz genezen. Hij zou zijn handen vol hebben haar zijn aandacht te schenken en had niet verwacht dat hij zoveel voldoening uit het ouderschap zou halen. Dit is de handreiking die Matteüs vanuit zijn joodse milieu en christelijk denken aan de Griekse wereld doet. ‘De Kananese vrouw’ doet alle stigma’s, vooroordelen, vijandbeelden, wij-zij-cultuurindelingen en smetvrees teniet. Zij is de messias en marathonloper die met de toorts van het geloof de afstand tussen Athene en Jeruzalem aflegt en Jesaja’s wereld alsnog binnenstebuiten keert.

Amen

Zondag 2 december 2018, Protestantse Gemeente Bolnes

Preek naar aanleiding van Ester 8:1-6 en 10-17a uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag Levavi op 2 december 2018 om 09.30 uur in de Protestantse Gemeente te Bolnes

Gemeente,

Op de hoek van de steeg in Leiden waar ik woon, staat een bordeel. Hoewel aan het rode lampje in het lantaarntje dat op woensdagavond om tien uur aanknipt, de graffiti van een ‘publieke vrouw’ aan de voorzijde van het pand, de titel van het sekshuis en de roodgeverfde bakstenen duidelijk te zien is wat voor soort huis aan deze straat gevestigd is, is het tegelijkertijd omgeven door elementen van geheimzinnigheid. Er zijn de stationwagens met snel dichtslaande deuren, de uitsmijters en de verhitte gesprekken die, voor de nacht invalt, door rokende mannen worden gevoerd.

Als Ester in het duizend en één nacht van het Oude Testament over de drempel van een Perzisch paleis stapt, dan komt zij als Jodin in het leven van een oosters harem terecht, met al z’n gewoontes en intriges. De aanwezigheid  van Ester in het Perzische rijk vormt een contrast, dat de auteur nodig heeft om met behulp van een historische roman te verhalen waar geloof over handelt. Geloof komt voor de auteur aan op moedige daden, waarin een mens zichzelf riskeert. In deze historische roman, die doorspekt is van fictie, lijkt geloof meer aan te komen op belichaamde handelingen, dan op godvruchtige taal. In het hele boek Ester rept de auteur, die ook zelf anoniem blijft, met geen woord over God en de godsdienst blijft een vaag gegeven. Maar door het verhaal allerlei wendingen mee te geven en nieuwe ontwikkelingen te verzinnen die de viering van het joodse, carnavaleske bevrijdingsfeest Poerim bevorderen, lijkt de auteur wel de suggestie te wekken dat God te zien is in akten van viering en bevrijding. Poerim en advent hebben met elkaar gemeen dat ze de bevrijding vieren van al wat een mens klein houdt. Die bevrijding vindt in de context van het boek Ester primair op het politieke en niet op het godsdienstige vlak plaats. Een bevrijdingservaring of grote existentiële opluchting is te bezingen in een psalm of te verwoorden in een gedicht, de historische roman is een derde vorm.

Wie was Ester en welke rol speelt zij in dit verhaal? Ester behoort tot een etnische minderheid en treedt op om het leven van haar landgenoten te redden. Zij is het prototype voor een mens van eenvoudige komaf, die ‘haar land verlaat’, op een hoge, prestigieuze positie in een vreemd rijk terechtkomt, en aan het hof als leider en koningin gehoor geeft aan de roep van mensen, die een vergelijkbare achtergrond hebben als zij en in verdrukking leven. Ester is de Assepoester en Lara Croft van het Oude Testament, wier ster zal stijgen en die aan haar koningin-zijn een persoonlijk accent zal verlenen namelijk, de zorg om wie door een politiek systeem of een traditionele orde onheil wordt aangedaan en noch over de middelen, noch over de netwerken beschikt om dat systeem te verwerpen, waardoor de gemarginaliseerde alsnog emancipeert. In de positie van koningin beschikt Ester over macht die ze aanwendt ten gunste van het overleven van een minderheidsgroep. Ester is het voorbeeld van de mens die instaat voor het lijf en de ziel van de ander. Haar religieus engagement komt tot uiting in daden van politieke pleitbezorging.

De auteur tekent haar uit als een diplomate die voortvarend handelt in het verzet tegen vormen van onrecht, zoals de uitsluiting van minderheden en de onderdrukking van vrouwen. De risico’s die zij bereid is te nemen, maken haar tot de heldin van het verhaal. De infiltratie van Ester is het Perzische rijk vormt een symbool van hoop voor de geringe die in het gedrang komt, doordat zij of hij gemakkelijk het doelwit kan zijn van vooroordelen of discriminatie door een meerderheid. Met het voortschrijden van Ester richting de koning en de vraag om een herroeping van de brieven die het uitmoorden van ‘zij die anders waren’, in dit geval de joden, bevalen, overschreed zij een grens. Een koninklijk decreet kon volgens Perzische wetten niet worden herroepen. De konings wil was wet, ‘daar viel niet aan te tornen’. Esters daad doorbreekt een bestaande orde, en laat dát het licht zijn dat het duistere Perzische rijk binnenvalt. Er heerste een nationale crisis in het Perzische rijk, beleidsvorming was gericht op de verbanning en het doden van de ander, tegenstanders van een gesloten samenleving werden de mond gesnoerd, de joodse gemeenschap was haar leven niet zeker, en de koning lijdt aan slapeloosheid.

Er zijn vele strategieën denkbaar om iemands zaak te bepleiten. De manier waarop Ester, en via haar personage de auteur, de zaak van het Joodse volk bij de koning aanhangig maakt, is niet via een brief aan een bestuurder, een handtekeningenpetitie, het spandoek, de hongerstaking of het openbare protest. De auteur zet fictie en drama in om impliciet iets duidelijk te maken. Om de koning – lees de macht – te doordringen van de ernst van ‘de Joodse kwestie’ laat hij Ester een smeekbede aanheffen. Het is een dringend en innig verzoek dat met veel drama gepaard gaat. Ester valt neer aan de voeten van de koning, huilt en kiest de meest nederige formuleringen om de koning te ontroeren: “Als het de koning goeddunkt (…)”, “Als ik genade heb gevonden in zijn ogen (…)” en “Als mijn voorstel de goedkeuring van de koning kan wegdragen (…)”. Het is het cruciale moment waarop Ahasveros als soeverein monarch beslissende uitspraken kan doen over Esters leven en dat van ‘haar volk’.

De thematiek die aanleiding gaf tot het schrijven van dit verhaal is nog geen verleden tijd. Als lezer(es) word ik niet geconfronteerd met het probleem van onverdraagzaamheid en rassenhaat alsof dat in onze tijd geen rol meer speelt. Mordechai, die model staat voor trouw aan waarden, herinnert mij aan het belang in tijden van crisis geen toeschouwer te zijn. Hij representeert in eerste instantie de gedaante van terughoudendheid. Maar hij blijft niet zwijgen, wacht niet tot sint-juttemis op redding die van de andere kant zou komen, maar gaat nu ook zelf bijdragen aan de verwerkelijking van ‘het heil’. Als in onze samenleving geen intermediairs meer optreden die onderhandelen tot bevrijding van hen die in levensgevaar verkeren, dan kan een Haman die mensenrechten schendt onbelet zijn gang gaan. Het boek Ester is actueel voor elke dorpsgemeenschap, stedelijke samenleving, geloofscommune of huiselijke sfeer, waarin immigranten, ballingen en vreemdelingen naar bestaansrecht en vrijheden zoeken.

Wellicht is een verklaring voor het feit dat de godsnaam in het boek Ester niet voorkomt, dat al het theologisch spreken wordt vertaald, oplost in daden die voor mensen bevrijdend werken. Je zou kunnen verdedigen dat het behoud van het leven, het hooghouden van de menselijke waardigheid, het opkomen voor mensenrechten en de vernietiging van wetten die kwaad behelzen vormen van religieuze verantwoordelijkheid zijn. Voor het samengaan van theologische reflectie en praktische initiatieven kan lokaal de samenwerking tussen kerkelijke en burgerlijke gemeente een impuls krijgen. Gelovige en burger, religieuze functionarissen en ambtenaren stellen zich zo op in hun omgeving, dat ze wendingen teweeg brengen in de toekomst van de ander, die uitlopen in een viering van het leven zelf. Dat vraagt onder andere om het vermogen de ander zo voor het voetlicht te brengen, dat zij of hij in de gratie komt van invloedrijke personen.

Geheel in lijn met de Hebreeuwse traditie van de vluchtstad of de wijkplaats waarin steden opvang en bescherming boden aan personen die een toevluchtsoord zoeken, mag een gemeente van gelovigen fungeren als een vrijplaats, waarin een sociale structuur wordt geboden, waarin mensen zich kunnen terugtrekken om aan vormen van vervolging en ‘opgejaagdheid’ te ontkomen. De ecclesia is een ruimte waar mensen bereid zijn definities te verruimen en de wet van de religieuze gastvrijheid is ingevoerd. Hier geldt het recht van ieder mens op onschendbaarheid. Van een geloofsgemeenschap die als een dorp of stad functioneert, staan de ‘stadspoorten’ open voor iedere ander, elke nieuwkomer wordt er zonder vragen en identificatie opgenomen. In die sfeer is een persoon geen vreemde of ontheemde meer, maar een heilige, medeburger en huisgenoot van God. De nieuwkomer loopt hier geen gevaar zich niet te kunnen verdedigen tegenover het juridische recht, de mores of voorwaarden van een omgeving, omdat zij of hij de taal onvoldoende spreekt. In een godshuis is een mens nooit lost in translation.

De positie die de nieuwkomer inneemt ten opzichte van een gevestigde orde zou weleens die kunnen zijn van een vreemdeling die over de drempel stapt als een bevrijder die aan de horizon verschijnt. Een gelovige wacht als een gastvrouw of -heer, een ontvanger op een bevrijder die haar of hem verlost van datgene, waarin zij of hij verstrikt kan raken. De ander is dan de onverwachte, die inbreuk maakt op gewoontes en een nieuwe dynamiek in gang zet. Niet het establishment, maar de nieuweling is de persoon die de touwtjes in handen heeft. Zij is de wetgever die van buitenaf komt om de wet voor te schrijven en als Ester een groep of persoon bevrijdt. Gastvrijheid kan dus een bedreiging vormen voor een samenleving die in wetgeving een middel heeft gevonden om de macht van een meerderheid te optimaliseren. Wat Ester met haar daad liet zien en waar religieuze gastvrijheid toe in staat is, is ontregeling. In die ontregeling kan een mens de ervaring opdoen dat zij of hij geen systeem is, geen apparaat, maar primair een mens die genade hoopt te vinden in de ogen van de ander.

Amen

Zondag 11 november 2018, ‘Adventskerk’ Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de Cantateviering op zondag 11 november 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven, uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken. Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten, waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden, waarin hij verheldering gaat scheppen.

De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis van fysieke, sociale en emotionele repressie te worden bevrijd. In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft om haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw, die wordt gepresenteerd als “het dochtertje van Jaïrus”, is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting de volwassenheid, en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord “mijn dochtertje”. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer, en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door, waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken. Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven, dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon, die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis, terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen, waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present, en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor een lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze toestand van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord ‘slaap’. Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo, die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar, en hij heeft Jezus van Nazareth als revolutionair nodig om die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd, die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput. In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd.

Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’, is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag, omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. Noli me tangere (Raak me niet aan!) is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil dat wil zeggen, dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof, dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt ‘evangelie’ nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt, omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Zaterdag 12 mei 2018, Novawhere Purmerend

Preek naar aanleiding van Zacharia 8:4-8 en Efeziërs 6:10-20 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering op zaterdag 12 mei 2018 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend

Gemeente,

Maakt u uw droom waar? De droom als het moment tijdens de slaap waarin het menselijk bewustzijn afneemt en zich op een dieper niveau bevindt dan het rationele verstand, blijkt een broedplaats te zijn voor een goede mare die u na het ontwaken als onderwerp voor een dialoog kunt inzetten. Heeft u periodes beleefd waarin u tot een oud geloof terugkeerde, vervlogen idealen nieuw leven inblies? Al in de voorchristelijke oudheid worden wijzen waarop diffuse ervaringen die zich in de droom voordoen als een oord van mogelijke ‘ervaringen van God’ gezien. Zolang er geen heldere analyses worden geproduceerd die het raadselachtige karakter van een dergelijke psychische activiteit ontrafelen, bevindt de droom zich in een schimmig gebied. In onze tijd bestaan er in navolging van de psychoanalyse instituten die vaak vanuit een klinisch oogmerk empirisch droomonderzoek verrichten.

Als wij de tekst uit Zacharia acht vers vier tot acht lezen, dan nemen wij kennis van Zacharia’s religieuze droom of liever ‘visioen’ om het wat minder psychologisch en wat meer theologisch uit te drukken. Dromen en visioenen: we krijgen ze ’s nachts en je hebt er vaak een gesprekspartner voor nodig om het ontstaan en de betekenis ervan uit te leggen. Dat visioen vormt niet de privé-opinie van een prediker, die er op uit is hoorders te informeren, te overreden of te indoctrineren. Het visioen is een voorbeeld van taal die beoogt de zielsgesteldheid van mensen te veranderen door een geloofsimpuls te instigeren. En Zacharia zou geen profeet zijn als hij dat visioen niet met behulp van metaforen en symbolen heel beeldend zou uittekenen. Het visioen doet geen uitspraken over standen van zaken in de werkelijkheid, maar over hoe een leefwereld er idealiter, gelovenderwijs uit zou kunnen zien. In een verwachtingsvolle vooruitblik kondigt het visioen een nieuwe stand van zaken in de werkelijkheid aan.

In Zacharia’s tijd was dat visioen hard nodig, aangezien de tempel was ingestort en met de tempel ook het geloof van menig jood tot het nulpunt was gedaald. Men kreeg weinig voor elkaar, zat bij de pakken neer, een cultuur die werd aangewakkerd door viriele mensen met grote verwachtingen stond op het punt te verdwijnen. Nu had het Joodse volk al heel wat tegenslagen achter de rug en bleek telkens weer in staat daar bovenop te komen. De geest werd in de strijd beproefd, maar veerde na verloop van tijd weer op. Echter, als tegenspoed blijft komen en niet wordt afgewisseld met ervaringen van voorspoed, dan kan de richtingaanwijzer van het leven naar één kant doorschieten. Dan wordt de geest, ook een assertieve, zwak. Voor een gelovige kan het lijken alsof God zich in de zichtbare dingen van haar of hem gescheiden heeft. Twijfel had Zacharia’s tijdgenoten na de verwoesting van de tempel zo aangegrepen dat het ze stom maakte. Het wachten was op iemand die zou opstaan en zou spreken. Een profeet die het heden van de uit elkaar gevallen wereld van de gelovige vooruit was, juist omdat hij wist hoezeer dat heden aan vergankelijkheid onderhevig was. De profeet Zacharia zocht zijn heil elders: in het toekomstige en het liefst in ideeën die de kwaliteit van het eeuwige bezaten en die hij in bloemrijke beeldtaal kon verpakken.

Dat is wel lef hebben: als eenling temidden van terneergeslagen zielen te getuigen van een toekomst die je voor je ziet en dan bovendien claimen dat je dat niet zelf verzonnen hebt. Bluft Zacharia? Roept hij niet een veel gunstiger beeld op dan de werkelijkheid toelaat? Dat Zacharia met zijn visioen voorspellingen doet die mogelijk niet uitkomen, verwachtingen wekt waarin zijn hoorders teleurgesteld kunnen raken en een geestelijke herleving onder zijn hoorders uitblijft, zijn de risico’s die hij wil nemen. Als zijn optreden achteraf niet het gewenste resultaat zal hebben, dan treedt hij terug. Vooralsnog heeft hij het toekomende voor zich gezien en overwonnen, en dat is precies wat ook de attitude van een gelovige kenmerkt. De gelovige is al klaar met de toekomst in de zin dat zij of hij zich daar al naartoe bewogen heeft en begint dan pas met het heden.

Het volk waartoe Zacharia spreekt is uit zichzelf niet in staat de zinnen te verzetten. U ziet het aan het uitstellen van de wederopbouw van de tempel, het wonen in een land zonder ervan te genieten en de afgematte lichamen. De harde realiteit wint het van de verwachting van het geloof. Herkent u dat, dat je verlangens en idealen stuklopen op de weerbarstigheid van de werkelijkheid? Dat je probeert je goede herinneringen aan te spreken die nieuwe verwachtingen en toekomstvisies scheppen en die dan toch niet bestand zijn tegen wat je om je heen ziet gebeuren?

In een situatie waarin er geen enkel perspectief wordt geboden, mensen niet ergens naartoe kunnen leven, zich niet kunnen verheugen op een in het vooruitzicht gestelde belofte, kan de wanhoop bezit van een mens nemen. Mensen raken in een mineurstemming, bekrachtigen elkaar in een negatieve spiraal, een algeheel gedeeld gevoel dat een situatie niet te veranderen is, gaat overheersen. Het is in zo’n situatie dat Zacharia profetisch optreedt, en je mag hem gerust zien als een figuur die in de lijn van klassieke geloofsgetuigen denkt. Tussen de regels door lees je zijn euforie, en niet zonder strategische redenen, want als hij de feniks uit zijn as wil laten herrijzen, dan heeft hij daar een optimisme voor nodig dat niet reëel is. Wat hij doet is de hoop aankondigen op een finale omwenteling.

Om het belang te onderstrepen van theatrale expressies voor het opwekken van geloof, neem ik u mee naar de ‘Kill the bear-scène’ uit de Amerikaanse film The Edge uit 1997, waarin Anthony Hopkins en Alec Baldwin de hoofdrol spelen. Beiden hebben een vliegtuigcrash overleefd en staan in de wildernis van Alaska, waar ze blootstaan aan de gevaren van onderkoeling, voedselgebrek, desoriëntatie, valpartijen, verwondingen, verlating en beren. Tijdens hun tocht worden ze aangevallen door een beer die hen blijft achtervolgen. Hopkins besluit, in zijn rol, de beer te doden.“I am gonna kill the bear” zegt, roept en schreeuwt hij en vraagt van Baldwin hem na te zeggen. Dat gebeurt eerst aarzelend, met een piepstem. De slogan wordt net zolang herhaald tot hij er overtuigend genoeg uitkomt. Vervolgens herhaalt Hopkins de tactiek met het motto: “What one man can do, another can do”, totdat beide mannen zichzelf voldoende moed hebben ingesproken om de beer aan te kunnen en hem vellen. De beer is te zien als het symbool van elk voorwerp van iemands vrees dat voortvloeit uit een uitdaging die zij of hij niet aan durft te gaan.

Zacharia hanteert het visioen, Hopkins een yell, een geschreeuwde leus om zijn gesprekspartners aan te vuren, en Obama’s credo in 2008 luidde “Yes we can”. Ik veronderstel dat Zacharia niet aan die onderneming zou zijn begonnen, als hij niet uitging van een eeuwige macht, een onvergankelijke kern in elk van zijn hoorders, te weten: geloof. Dat geloof, hoe klein en uitgedoofd soms ook, verwacht de overwinning. Door iets bijzonders te verwachten, de eigen hoop op een mens of concreet object te vestigen, of als een levenshouding. Wat wij van Zacharia, Hopkins en de briefschrijver van Efeziërs zes vers tien tot twintig kunnen leren, is dat het hoogste dat u en ik voor de ander kunnen doen is: in haar of hem geloven en dat laten blijken. De ambassadeur van het geloof is soms in ketenen gebonden, maar zal u aansporen zo niet opjagen om de strijd met uw bear, dat bovenal een spiritueel gevecht is, aan te gaan. Kom tot geloof, kill uw bear, want waartoe de ene mens in staat is, dat kan de andere ook.

Amen

Zondag 6 mei 2018, Dorpskerk Zandvoort

Preek naar aanleiding van Deuteronomium 6:20-25 en 1 Petrus 2:1-10 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 6 mei 2018 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Zandvoort

Gemeente,

Binnen de pedagogiek en onderwijskunde wordt studie verricht naar de wijze waarop mensen leren en onderzocht welke leermethoden bij diverse manieren van leren aansluiten. De auteur van de perikoop uit Deuteronomium heeft zich gebogen over de vraag hoe een samenleving van gelovigen kan stabiliseren en welke training hij kan aanbieden voor de ontwikkeling van ‘geloofskapitaal’. Hij biedt cursusmateriaal aan in de vorm van verordeningen, bepalingen en voorschriften die hij afstemt op de doelgroep en die schakels vormen in de instandhouding en ontwikkeling van haar geloof.

Voor de kinderen heeft hij een catechismus geschreven, een overzicht van beginselen en geloofsopvattingen in de vorm van vragen en antwoorden. Met die gedragsprotocollen wil hij een bestendige set van uitgangspunten aanreiken die zij, in welke omgeving ze ook een bestaan proberen op te bouwen, ten allen tijde kunnen raadplegen. Hij is van mening dat de geadresseerden van zijn tekst vooral leren door te doen en hun geloofswereld begrijpen door hun praktijken te herhalen. De motivatie voor het toepassen van die uitgangspunten was te voorkomen dat de Israëliet weer een slaafs leven zou leiden, als mens geknecht en klein gehouden werd. Met zijn religieus erfgoed biedt hij de kinderen een stuk geloofsonderricht aan dat de kern vormt van Israëls vroomheid en waarvan hij hoopt dat ze erop kunnen terugvallen als ze zichzelf vragen gaan stellen als: wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar liggen mijn roots (wortels)? Welke waarden wil ik in ere houden en van welke opvattingen doe ik graag afstand? De tekst uit Deuteronomium biedt aanleiding het gesprek tussen verschillende generaties op gang te brengen en de betrokkenheid op elkaars leefwereld te vergroten.

De auteur beschouwt de joodse geloofsidentiteit als een kostbaar goed. Hij koestert haar opvattingen en praktijken en wil ze bewaren en beschermen tegen de invloed van andere religies. Het is een verschijnsel dat vandaag de dag nog te zien is in meer traditionele geloofsgemeenschappen: de geloofsoverdracht op volgende generaties werkt, juist omdat de sociale cohesie, dat wil zeggen de dichtheid sterk is.

De auteur zou volgens mij om twee redenen zijn catecheses niet kunnen herhalen. De eerste is dat een mens die voorstander is van deelname aan religieuze interactie een ‘spontaan’ cognitief wezen is, dat voor haar of zijn handelen niet eerst aanwijzingen hoeft op te volgen en berekeningen hoeft te maken, maar eerder uit eigen beweging gedrag vertoont. De tweede reden is dat de actualiteit van een situatie met al z’n nuances algemene principes problematiseren. En wie als mens juist wel kennis neemt van andere denkbeelden, godsdiensten en levenswijzen zal voelhoorns ontwikkelen voor de complexiteit en meerdimensionaliteit van de werkelijkheid.

De schrijver van de pastorale brief is een fijnproever met oog voor detail. Hij legt het besef aan de dag van de unieke situatie waarin een mens zich bevindt, met al z’n verschillen en ingewikkeldheid als hij spreekt in termen van: “Wees als pasgeboren kinderen begerig naar de zuivere, geestelijke melk waardoor u zult groeien en gered zult worden.” Wie op het punt komt een beslissing te nemen voor de eigen levensloop kan die beslissing proberen te staven met argumenten, statistieken of een traditie, maar zal vooraleerst dat besluit zelf dienen te nemen. Dat besluit vindt plaats in de wereld van de geest, een beweging die gemaakt wordt door geloof, dat zich niet kan beroepen op vaststaande grenzen.

Als je de brief op naam van het pseudoniem Petrus leest, dan komen daar vermanende en leerstellige secties in voor. Die ‘onderdelen’ van de brief staan ten dienste van het doel van de verandering die de auteur wil bewerken. De auteur had wel ‘lef’ te veronderstellen dat hij in de positie verkeerde een ander te vermanen. Had hij er niet goed aan gedaan allereerst het nodige zelfonderzoek te verrichten voor hij een ander de les zou lezen?

Het woord ‘vermaning’ roept vaak negatieve associaties op en de reden dat vermaand worden niet altijd een pretje is, zal zijn dat de persoon die vermaant een hiërarchie aanbrengt, waarvan de vermaande zich kan afvragen of dat terecht is. De vermaner doet voorkomen alsof zij of hij zelf niet onder de terechtwijzingen valt die zij of hij voorstelt en wil een ander aansporen tot ‘het goede’.

Wie als professional wordt opgeleid voor een agogisch beroep, krijgt sociale technieken aangereikt die haar of hem in staat stellen op een constructieve wijze met kritiek om te gaan. Petrus doet iets vergelijkbaars als hij via de metafoor van de steen als christologisch beeld een manier voorstelt om met ‘afwijzing’ om te gaan. Voorbeelden van terreinen waarop afwijzing en afkeuring een rol spelen zijn: voertuigen, werk en relaties. Voor Petrus houdt afwijzing verband met de rol van de christelijk gelovige in de wereld. Die rol is niet een hoofdrol in een strak geregisseerd draaiboek, een succesverhaal om mee te pronken en vormt niet de neerslag van een glanzende carrière.

Om te begrijpen wat er in de tekst gebeurt, gaan we terug naar het verhaal achter de tekst. De brief die Petrus schrijft is gericht aan christelijke groepen die in plattelandssteden wonen. Zijn lezerspubliek bestaat uit boeren die zich na een reorganisatie een plaats proberen te verwerven in een stedelijke gemeente. In hun eigen kleine kring hadden die boeren zich weten te redden: ze spraken dezelfde taal, zetten zich in voor collectieve waarden en deelden een vergelijkbare emotionele wereld. De overgang naar een stadse samenleving had gezorgd voor spreiding en het vergde veel inspanning de couleur locale op te pikken en erop af te stemmen. Een niet gering aantal van deze boeren hadden werk gevonden in de civiele bouw. In de functie van stukadoor, betonstaalvlechter, metselaar of stratenmaker hevelden zij hun kennis en vaardigheden uit de agricultuur over en vulden die aan met het vakmanschap uit de bedrijfstak van de stedenbouw. Zo wisselde een veehouder uit Klein-Azië zijn expertise uit met een ingenieur uit de Romeinse provincie.

De aansluiting echter bij de religiebeleving van stedelingen had voor strubbelingen gezorgd. De religieuze leiders begrepen weinig van de verwevenheid van religie en natuurbeleving bij de boer. Het bestaan van die boer was ondanks hard werken van zoveel onzekere factoren afhankelijk, dat hij de religie vaak nodig had die spanningen te kanaliseren. Hij kon afgaan op de voorspellingen van het KNMI of surfen op de buienradar, hij gebruikte het gebed om zich aan een toekomst toe te vertrouwen die in weerwil van ingewonnen inlichtingen grilligheid met zich meebracht.

Het gebrek aan het vermogen elkaar te verstaan had tot conflict geleid en het is deze tweespalt waar Petrus als pastor op inhaakt. Hij doet dat door aansluiting te zoeken bij het nieuwe arbeidsleven van de boer. Hij verpakt zijn analyse van het conflict in termen van de bouwkundige bedrijfstak waarin zij werkzaam zijn en gaat het principieel voor hen opnemen. De steen die door de bouwlieden is afgekeurd staat symbool voor de boer wiens religiebeleving geen weerklank vond bij een van urbanisme doortrokken religieus leider. Langs de weg van de analogie van de afgekeurde hoeksteen geeft Petrus stem aan een gevoel van verwerping dat de boer vaak in zijn innerlijk beleefd en het lijden dat hij vaak via praktische klussen verbijt. Petrus dicht aan die afkeuring en dat lijden een messiaanse betekenis toe. Hij legt een strategie aan de dag waarin hij solidariteit kweekt door te wijzen op een lijdensfiguur uit het vroege christendom. En hij formuleert een visie waarin hij de emoties van de boer die teleurgesteld is en zich onbegrepen voelt, omsmeedt tot een voorgangersrol die de voormalige boer in de gemeente zal gaan spelen.

De rationele en institutionele religie waarmee de stadsgemeente van die religieuze leiders bekend waren, zou behoefte hebben aan de religieuze ervaringen van de boer die de mystiek nieuw leven zou inblazen. Aangezien veel stadse gemeenteleden hoogopgeleid waren en hun dagelijkse activiteit cognitief van aard was, snakten zij naar praktisch christendom, waarin liefdedaden centraal stonden, een ruimte waarin plaats was voor innerlijke subjectiviteit en een onuitsprekelijke verbondenheid die het verstand te boven ging. De jongere in de gemeente, van wie het leven vooral bestond uit boeken en beeldschermen, leert graag van de oudere hoe zij of hij de fundamenten legt voor de bouw van een buitenhuisje, een hoogbed voor beplanting aanlegt, handschoenen breit of plaatkoek maakt. De oudere zou veel opsteken van de jongere, die laat zien hoe je sociaal netwerkt, een digitale presentatie in elkaar zet, een vreemde taal leert, of een overzicht krijgt van de culturele voorzieningen in een stad. Het effect van een dergelijke uitwisseling tussen mensen die van elkaar willen leren, is waar Petrus op doelt met de zinsnede “(…) uit het duister worden geroepen.” Dan blijft de plattelander niet op het veld kniezen, maar wordt een pionier als het gaat om hervormingen in de kerkelijke gemeente en mondt Petrus’ pedante preek alsnog uit in een cantate.

Amen

Protestantse Gemeente Bolnes, 7 januari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 111 uit 150 psalmen vrij en Kolossenzen 2:6-19 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Epifanie op zondag 7 januari 2018 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente te Bolnes

Gemeente,

Tussen 1308 en 1321 schrijft de Italiaanse dichter Dante Alighieri een episch gedicht getiteld De goddelijke komedie, dat de overgang markeert tussen de late Middeleeuwen en de Renaissance. Dante beschrijft hierin een imaginaire reis door de drie rijken van het hiernamaals: de hel, de louteringsberg en het paradijs. Het zijn drie voorstellingen uit de westerse ideeëngeschiedenis die meekomen met een middeleeuws wereldbeeld. Die reis voert Dante van de diepste ellende van het kwaad naar de uiteindelijke aanschouwing van God. Wie het boek allegorisch leest, kan er ook de pelgrimage van de ziel naar God in zien. In ‘het paradijs’ waarin tal van extatische, mystieke passages staan, poogt Dante uit te tekenen wat hij nauwelijks kan meedelen. De religieuze expressie voor die nauwelijks bespreekbare ervaring of onbepaaldheid is dat een mens ‘Gods gelaat aanschouwt’. Kun je nagaan, iemand die een literair geschrift produceerde, dat uit ruim veertienduizend verzen bestaat, iemand die met verbeeldingskracht schrijft en zowel een persoonlijke als een universele taal schept – en die dát onuitspreekbaar vindt! Bladzijde na bladzijde beleed Dante dat er een werkelijkheid was, die hij met geen pen kon beschrijven!

Ook de lieddichter van psalm honderdelf heeft ‘God in het gezicht gekeken’. In een poëtische overdenking blikt hij terug en via een alfabetisch acrostichon, dat is de Griekse benaming voor een naamvers waarvan de eerste letters van de opeenvolgende regels een naam of zinsnede vormen, typeert hij de werken van God. De neerslag van die werken mag je situeren in de geschiedenis van een joods volk, dat onderdrukt werd en uitzag naar verlossing. Stelde de uitgebuite, gecensureerde en gevangengezette jood zich God voor, dan associeerde zij of hij God met een verbondsvocabulaire van rechtvaardigheid, waarheid, oordeel, oprechtheid, genade, barmhartigheid, wonderen en kracht.

Als je het basisverlangen dat uit de psalm spreekt breder trekt en minder historisch benadert, dan kun je in veel religies een centrale hang naar een existentieel en subjectief welbevinden bespeuren. Het bijbels theologische begrip ‘verlossing’ of het archaïsche begrip ‘heil’ wortelt in de ervaring dat mensen tijdens hun leven butsen oplopen. In een ‘eenheid’ doet zich een breuk voor die een mens vaak doet stilstaan. De breuk stelt de mens in staat te reflecteren op bijvoorbeeld het onvanzelfsprekende karakter van een voorstelling. Wie bijvoorbeeld na een scheiding in het eigen bestaan verder wil, en niet als een trillende naald in de groef van een elpee op een grammofoon wenst te blijven hangen, kan zich tot de religie wenden om hier lijm voor de gebroken ziel te vinden.

De psalmist had initiatieven ontwikkeld, waarin hij religieuze opvattingen huldigde en praktijken herhaalde, waarvan hij hoopte dat die zouden leiden tot het geluk van het joodse volk en hun wensen in vervulling zouden doen gaan. Het algemeen welbevinden bleef uit en in zijn onderneming had hij aanleiding gezien niet langer religieus actief op te treden. ‘Redding’ verwachtte hij nu door een ingrijpen van buitenaf. Ondertussen had hij de ethiek gecultiveerd door morele deugden als socialiteit in de vorm van vrijgevigheid ten opzichte van de armen te benadrukken.

De leerervaring van de psalmist dat hij zijn heil en het verlangen naar de bevrijding van een overheerst volk niet vanuit zijn eigen innerlijk kan bewerken, en nog slechts kan wachten op een initiatief dat hij niet zelf in gang heeft gezet, is een besef dat ook doorklinkt in de inhoud van de Kolossenzenbrief. De auteur had de brief de titel ‘Hoe God verdween uit Kolosse’ mee kunnen geven. Het is een zogenaamde deutero-paulijnse brief, die na Paulus’ dood op zijn naam is gesteld en onder zijn gezag is verspreid.

In Kolosse had de briefschrijver mensen ontmoet die met religieuze overtuigingen en denkbeelden ‘bolwerken’ bouwden, waar ze zichzelf mee insloten. Leerstellingen waar artikelen en voorschriften uit voortvloeiden, geschriften die vol stonden met politieke en ethische bepalingen, bijgeloof dat doorklonk in zienswijzen, een toenemende belangstelling voor kosmische riten en aandacht die men schonk aan elementen uit de esoterie en mysteriegodsdiensten voerde hen volgens de auteur weg in gevangenschap en slavernij. Die constructen en de onderwerping aan die ‘instanties’ werkten in het nadeel van de mensen in Kolosse. Ze raakten er innerlijk door verdeeld en verstrikt in een onoverzichtelijk web van invloeden. Een mens was niet langer ‘een mens uit één stuk’, maar een mozaïekwerk, waarin zij of hij vergeefs naar zichzelf zocht.

Die menselijke praktijken en dat religieuze gedrag riep indelingen in het leven, een soort ranglijsten, waardoor je ergens wel of niet bijhoorde. Ze stonden als een waakhond te blaffen bij de poort van een groot ijzeren hekwerk. Onbeoogd werkten ze tegen de Kolossenzen door grote scheuren in het gemeenteleven te veroorzaken. Ze dienden de christelijke waarden van inclusief denken, tolerantie en het verleggen van grenzen niet. Tegen die situatie gaat de auteur nu een oude geloofsbelijdenis inzetten. Zijn credo is dat geloof geworteld is in de verwachting en de komst van ‘degene op wie ik geen vat heb’. Een persoon wier of wiens komst ik noch kan voorspellen, noch in kaart kan brengen. Een plaats die op geen enkele routemap te lokaliseren valt en in geen reisgids staat afgebeeld. Degene die weer weg was als zij of hij zich omdraaide, en voor zij of hij er erg in had voor haar of hem uitsnelde.

Wie in Kolosse uit was op geestelijke groei, innerlijke vreugde ten deel wilde vallen en troost wilde ervaren, deed er volgens de auteur goed aan zich op te trekken aan deze werkelijkheid ‘die van de andere kant komt’. Wilden de gelovigen in Kolosse opgebouwd worden, dan mochten zij de superioriteit van het geschreven woord – dat wat je zwart op wit kunt stellen en dat het leven in Kolosse in de kiem smoorde – laten varen en vertrouwen stellen in de werkzaamheid van een ‘domein’ dat ze zelf niet in de hand hadden. De auteur voert geen pleidooi voor ‘analfabetisme’, werpt ook geen obstakels op voor culturele bloei en is geen tegenstander van technologische ontwikkelingen. Zijn betoog is gericht op de wijze waarop de mens in de cultuur van Kolosse weer boven de dingen komt te staan, die eerder bezit van haar of hem namen.

Hoe kan het rekenen met ‘het onbeheersbare’ een toename van menselijke vrijheid betekenen? En, op welke wijze oefent dat wat buiten het bereik van de mens ligt, haar of hem in geloof? Wat een mens kan beheersen met behulp van haar of zijn kennis, en die bijvoorbeeld uitmondt in technische toepassingen waardoor een mens oriëntatie en houvast vindt in het bestaan, wekt ook verwachtingen. De producten van kennis roepen gedrag op die leiden tot routines en gewenning, en kunnen veel tijd in beslag nemen. Een hedendaags voorbeeld is dat de aanschaf van moderne apparatuur om zorg vraagt. Wie geen grenzen stelt aan de invloed die dergelijke middelen op het eigen gedrag hebben, kan dagdelen in de weer zijn die zaken te behouden, in werking te stellen, te onderhouden en te vervangen. In plaats van dat die hulpmiddelen mij ten dienste staan, mijn leven comfort verlenen en verrijken, kan de verhouding omslaan tot één waarin ik de loopjongen van die zaken wordt. Ze zouden een bevrijdend effect moeten hebben op het eigen leven en nu lijken die levenloze dingen met de reacties die ze evoceren en de werelden van extra producten die ze meebrengen, de mens te kerkeren.

Datgene waarover ik (nog) niet kan beschikken en voor het zelf uitwijst, vraagt om een houding van geloof. De afstand tussen ‘het nu’ en de God die op je toekomt, valt te overbruggen met geloof, dat eruit kan bestaan níet handelend op te treden. Juist de invulling van het komende dat in de toekomst ligt, roept een act van geloof op. Geloof is een houding, een spier die je kunt trainen. Het is als met denken niet een vermogen, waarmee je wordt geboren. Geloof is aan te leren door uithoudingsvermogen op te rekken en wel door je te oefenen in het uitstel. Met de woorden van de briefauteur kun je dat ‘wandelen in Christus’ noemen. De vervulling van een verlangen geschiedt dan niet ter plekke via de zintuigen of het ken- en redeneervermogen, maar in de geest. In die geest wordt een mens opgewekt uit de levenloze dingen die zo’n beslag op haar of hem kunnen leggen. Als een groot verlangen dan van de andere kant wordt ‘ingewilligd’ – noem het ‘het komende heil’ of een goddelijke komedie –, dan is er de ervaring van intense gelukzaligheid, omdat ik een spoor en een ‘bestemming’ heb gevonden. Het perspectief op het persoonlijk leven dat het weer heel maakt, de nieuw gevonden zin, mijn eigen leven zelf.

Amen

Gereformeerde kerk Ter Aar, 6 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Amos 6:1-10 en Lucas 16:19-31 uit de Groene Bijbel voor de viering op de zevende zondag van de zomer op 6 augustus 2017 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ter Aar

Gemeente,

Amos is werkzaam als boer, hij is een schapenfokker en vijgenkweker die weet wat het betekent hard te werken. Vanuit een plattelandsbestaan maakt hij een carrièreswitch naar het leven als profeet.

Tegen de achtergrond van zijn biografie zou je Amos’ gespierde taal en donderpreek kunnen begrijpen. Zorgeloosheid, zelfverzekerdheid en deel uitmaken van de elite zijn hem vreemd. Voor dag en dauw is hij al in de weer de kwaliteit van zijn vijgen te inspecteren. Hoe staat het met de groei en opbrengst van zijn vijgenstruiken? Zal hij ze aan de westkant snoeien? Gedijt dat nieuwe ras wel bij deze bodemsamenstelling? Zal de productenlijn ‘wilde vijgenjam’ wel lopen? Zal hij de schapen nog voor de zinderende hitte die is voorspeld, kunnen scheren en de wol tijdig verven zodat zijn zoon – het is toch een familiebedrijf – er giletjes en vesten van kan maken? En twee van zijn drachtige ooien staan op het punt lammeren te werpen, die vragen extra zorg. Mijn werk, hoe ga ik het vandaag weer klaarspelen?

Amos is niet zo’n zondagskind, hij moet hard voor zijn levensonderhoud werken, het komt hem niet aangewaaid. Vergelijk zijn inspanningen met het verschil qua leergemak tussen leerlingen op de middelbare school.

Amos is een calvinist avant la lettre, iemand die haarfijn weet hoezeer het welslagen van een onderneming afhangt van niet aflatende inzet. Zijn schapen en vijgen vormen een passie, een hartstocht die met lijden, offers gepaard gaat. En uitgerekend deze man verhuist naar een stedelijk oord waar het lijkt of de inwoners hun gouden eeuw al achter zich hebben. Het is teveel gevraagd Amos probleemloos te laten integreren in een samenleving die bijna haaks staat op het milieu waar hij uitkomt. Assimilatie, aanpassing aan de omgeving is een proces dat hem moeilijk afgaat. Dat het de noordelingen “wel gaat” zonder dat zij daar al te veel moeite voor hoeven te doen, is een gegeven dat Amos maar moeilijk in zijn wereldbeeld kan opnemen. Het is een bestaanswijze die hij niet in zijn verhaal kan passen en ten gevolge daarvan bij hem op ongeloof stuit.

De tekst laat zien dat verschillende werelden niet zo gemakkelijk te harmoniseren zijn en dat het een Amos in het bijzonder tijd kost te wennen, te bedaren en zich opnieuw thuis te voelen. Amos’ oog is zo gekleurd dat hij niet anders kan dan de verschijnselen die hij waarneemt met een ongunstige bijbetekenis te beschrijven. Twee voorbeelden van een dergelijke negatieve weergave vinden we in vers vijf en zeven.

Er staat: “zij verzinnen liederen bij het getokkel van de harp”, er staat niet: “zij musiceren, scheppen, componeren of spannen zich tot het uiterste in liederen samen te stellen bij het getokkel van de harp.” En in vers zeven: “hen die daar lui liggen uitgestrekt”, er staat niet vermeld: “hen die daar liggen” met als mogelijke aanvulling “uit te rusten of te ontspannen.” Amos bekijkt en beoordeelt zijn nieuwe leefomgeving niet op de eigen merites en mogelijkheden, maar benadert hem vanuit zijn oude habitat. In dat licht tekent zich een ongunstig beeld op zijn netvlies af. Zijn blik kan niet fris de wereld inkijken. En dan wordt ‘rusten’ bij Amos de arbeider al heel vlot luieren, lanterfanten, rondhangen. Bedrijvigheid, activiteit, de bezorgdheid om het levensonderhoud, dat is zijn norm en die norm bepaalt de wijze waarop hij ‘het noordelijke leven’ waarneemt.

En dus, een donderpreek, woeste woorden, ruige taal. Amos, raas uit, koel af, beheers je een beetje zou een reactie op zijn aanklacht kunnen zijn. Of zouden we Amos op z’n best mogen nemen en zien dat zijn felle speech tegen sociale en cultische uitwassen een vurig betoog tegen de onverschilligheid vormt? Onverschillig, want Amos gelooft nog in een betere wereld. Als iemand van mening is dat de ene cultuur ‘slechts’ de andere vervangt, en er geen kwalitatief onderscheid is tussen beide’, dan hoeft zij of hij over ‘een trage cultuur’ niet boos te worden. Maar Amos is een idealist en windt zich dus op over wat hij aantreft.

Amos is in beweging. In zijn verhuisdrukte wordt een beroep gedaan op zijn praktische en organisatorische vaardigheden. Die overgang zet zijn leven op z’n kop en die vaart keert ook terug in zijn betoog. Waar Amos voor wil waken is het exces, het keerpunt waarop een cultuur de vruchten plukt van haar beschaving, naar één waarin ze haar idealen verliest, lethargie z’n intrede doet en niets meer voor elkaar krijgt omdat zij zichzelf geen norm of waarde stelt.

De dragers van een cultuur – in geval van Amos zijn dat de notabelen, de artiesten, het koninklijk huis, de aristocratie; beoefenaars van een hoge cultuur – krijgen nog weinig meer voor elkaar. En, als er niet langer iets tot stand wordt gebracht, een mens in haar of zijn pogingen slaagt, dan haalt zij of hij haar of zijn schouders op, verliest haar of zijn geloof, laat de dingen op z’n beloop totdat – voor Amos een schrikbeeld – een mens tot niets meer in staat is. En dus, om met de titel van de Sloveense filosoof en cultuurcriticus Slavoj Žižek te spreken: “Het moet je een reet kunnen schelen!”

Amos beeldt uit wat volgens hem geloof behelst: geloof, dat is geen rustgevende verpozing, het vormt een inbreuk op je oude ‘boerenbestaan’ waardoor je een nieuw perspectief hebt aanvaard en stappen zet om daar gestalte aan te geven. De zorgelozen, zelfverzekerden en notabelen tot wie Amos zich richt, representeren een gebrek dat Amos wil aankaarten en opvullen door hen tot de orde te roepen.

Pastoraal gezien is er voor Amos’ aanpak wat te zeggen: zou je je niet bij het verliezen van je levenslust iemand tegenover je wensen die je uit alle macht aanspreekt, bemoedigt en aan je haren uit het moeras trekt, met beide benen op de grond zet waardoor je leven weer een bepaalde spankracht krijgt?

De gemene deler van onze tekst uit Amos en die van Lucas is het contrast tussen arm en rijk of tussen degene die het voor de wind gaat en degene die het zwaar getroffen heeft. Beide teksten staan kritisch tegenover de positie van de rijke, als die positie met zich meebrengt geen oog meer te hebben voor sociaaleconomisch onrecht. Binnen profetieën, eschatologische en bevrijdingstheologische teksten is een aloude wens dat die indeling ooit omgekeerd zal zijn. Dan eet de rijke man genadebrood en gaat Lazarus gekleed in een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

De parabel richt zich tegen de machthebber die zijn invloed niet gebruikt om sociale ongelijkheid op te heffen en de bestaanscondities van de (kans)armen te verbeteren. Lucas is behalve evangelist ook een profeet in die zin dat hij de rijke in het vooruitzicht stelt dat, zo niet tijdens het aardse leven, dan toch in een hiernamaals, de rollen ooit omgedraaid zullen zijn. De parabel vormt Lucas’ kleine goddelijke komedie waarin hij de welgestelden van zijn tijd in een denkbeeldige reis meevoert van paradijs naar hel en louteringsberg.

Tenslotte, die arme die symbool staat voor alle noodlijdenden en behoeftigen, gaat toch niet sterven voordat zij of hij in haar of zijn leven iets van ‘Gods aangezicht’ heeft aanschouwd? De verzachtende religieuze droom dat engelen de arme zullen dragen in de schoot van Abraham, daar kan de hedendaagse arme haar of zijn lege maag in het alledaagse bestaan toch niet mee vullen?

Voedselbanken, de sociale bijstand, de diaconie zijn initiatieven die op korte termijn goed werk verrichten. Op de lange termijn is een studie nodig, werkgelegenheid, gezondheid, netwerken, het scheppen van mogelijkheden die voor een enkele naaste van grote betekenis kunnen zijn. De arme, hier en nu, heeft meer aan mijn en uw ethiek dan aan religieus opium – die verdoezelt en leidt af.

Goede gemeente, die intieme plaats van beschutting en warmte, Abrahams schoot en dat uitbundige feestje, ik zag hem er laatst, de ‘arme’. Ik herkende hem nauwelijks, hij droeg een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

Amen

De Drieklank Almere Buiten, 7 mei 2017

Preek naar aanleiding van Genesis 8:6-16 uit Tora. De onderwijzing van Mosje (uit het Hebreeuws vertaald door Lineke Buijs en Marianne Storm) en Johannes 20:24-29 uit de Willibrordvertaling voor de viering van de vierde zondag van Pasen Jubilate op zondag 7 mei 2017 om 10.00 uur in De Drieklank van de Protestantse Gemeente Almere

Gemeente,

Noach zegde op een dag zijn baan op, verkocht zijn optrekje in een villawijk en was scheep gegaan. Collega’s en wijkbewoners hadden hem niet begrijpend aangekeken. Hun spotpraatjes had hij verdragen.

Noach werkte als fysicus en de eisen van kwantificering en valorisering waren hem steeds meer gaan tegenstaan. Noach had in Duitsland gestudeerd en bezocht er regelmatig de bijeenkomsten van de studentenecclesia. In Syrië deed hij promotieonderzoek naar het manipuleren van chemische samenstellingen voor sponsachtige oppervlaktestructuren. Na terugkeer in Nederland was de werkgelegenheid in zijn vakgebied gunstig. Hij kon meteen aan de slag.

Hij was zich echter het apezuur geschrokken van de wijze waarop mensen die geen verstand hadden van fysica, voorschriften en doeleinden gingen formuleren waaraan de natuurwetenschap moest voldoen. Statistiek, management en politiek leken in die protocollen de boventoon te voeren en men leek vooral belang te stellen in toepassing en aantoonbare resultaten, terwijl hij, Noach, hield van de speelruimte die nodig is een nieuwe theorie te verzinnen. Het experiment, veel geknoei en mislukkingen, gepuzzel, samenwerking met collegae die vergelijkbare problemen op een andere manier benaderen, is geen vloeiend proces, het verloopt met horten en stoten, is rudimentair, weerbarstig in z’n ontwikkeling.

Noach bevindt zich nu in een als wooncomplex ingericht vaartuig dat hij eigenhandig heeft gebouwd, wacht totdat de hemelsluizen optrekken en drijft met zijn schip – vluchtheuvel, protestbunker en lijkhuis in één – in een stortvloed rond. Al deinend op de maat van de golven, gooit hij lijnen uit naar de toekomst en probeert te peilen waar zijn ideeën blijven haken, waar zijn verbeelding vaste grond vindt. Af en toe graaft hij in z’n geheugen en duikt in die diepte reuzevissen op. Dagen rijgen zich aaneen, een grijze mist ontneemt Noach het zicht op zichzelf en de buitenwereld. Door de regenval kunnen de boomtoppen het hoofd niet meer boven water houden, met vocht geabsorbeerde bladeren grijpen vergeefs naar houvast om zich heen, laten zich meevoeren met de sterke stroming.

De dag is vers, maar voor Noach bedorven. Hij zit nu al ruim een maand in zijn barak en zijn keel staat in brand, roept uit alle macht naar God die zich voor deze drenkeling lijkt te verbergen. In geen velden of wegen is God te bekennen. Het water golft niet langer maar murmelt tegen Noachs slapen. Het lest zijn dorst niet langer, maar doet hem verdrinken. De vloed vreet zijn benen weg: het hout is doordrenkt van nattigheid, de pek laat los, de schimmel staat op de wanden, de voorraad is er doorheen, geen brood, blad of kruid waarmee Noach zich kan voeden, drap staat op zijn spijskaart, ongedierte kruipt rond in zijn watergraf.

Noach heeft kippenvel, bibbert, deze oertoestand overstijgt zijn hart – zelfs God vreest deze chaos, verkleumd van de kou, zoekt met zijn staart tussen de benen de koestering van anderen. God had een voorproefje genomen op dit leven van de mens Noach, als een vlieg om zijn ark heen gezoemd en durfde er niet zijn intrek te nemen. Wie zou op deze plaats die van alle licht beroofd is ook zijn voet durven zetten? Oever van duisternis waarnaar het pad gladder is dan modder en waar de tijd door roest is verweerd. Noach vermoedde het al: in deze onderwereld zonder afgemeten aarde en overvloed is God niet. Dit zwarte gat dat het aardse leven verorbert, doet alle smaak naar geestelijk leven verliezen. Wat Noach door zijn teleurstelling verloor, zijn levenslust, dat verlies doet God tot in z’n wortels sidderen, elk blad snikken van droefheid. De drang tot zelfbehoud die Noach verloor, drijft tussen witte lelies. Zonder God wordt Noach een muur die afbrokkelt, een deur waardoor de wind kermt, een waterkruik vol gaten. Noach voelt nattigheid: het leven vliet uit hem weg, de hoop sijpelt uit zijn aderen. Nog even en die waterbak zal zijn dood betekenen.

De helende zet moest van de empirische wetenschap komen: die zou Noach doen wegtrekken uit zijn doodskist. Hij zou via wiskundige principes de tel van de dagen bijhouden, de dieren in zijn biotoop als meetinstrumenten gebruiken, hen de stand van zaken in de buitenwereld laten peilen. Met de meest basale kennis, observatietechnieken zou hij, langzaam opkrabbelend, proefondervindelijk vernemen of het buiten veilig was. Noach had zichzelf opgesloten in een ark waarbinnen de vormloosheid de overhand op hem krijgt. Als hij gemonsterd heeft hoe het er met hem voorstaat en er weer wat leven door de spleten van zijn ziel gloort, komt hij tot het besef dat alleen hijzelf de deksel van zijn ark kan verwijderen. Die positie is in het Oude Testament de max die een mens kan bereiken als het om zelfinzicht gaat.

Zou je dit verhaal over een uittocht en terugkeer van een mens naar de bewoonde wereld door de bril van het Nieuwe Testament lezen, dan gaat het er rigoureuzer aan toe. Zou Noach een messias ontmoeten, iemand die zalft met geest en Noachs uitgeteerde lichaam zou doordrenken met olie, diegene zou Noachs woonschuit van buitenaf hebben opengebroken.

Waar Noach uiteindelijk de empirie en haar wetten nodig heeft om uit zijn ark van de verbeelding weg te komen, helt Thomas juist over naar de kant van de rede en behoeft de tegenstelling van de verbeelding om vertrouwen te hebben in de waarheid van dingen die zich niet in patronen en structuren laten vatten. Thomas is een systematisch wetenschapper ten voeten uit: hij benadert de hem omringende werkelijkheid vanuit het oogpunt van de meetkunde. Hij leeft van de waarneming, legt vast wat hij ziet, voert metingen en berekeningen uit.

Thomas heeft moeite alle informatie die hij verzamelt en in zijn archieven en geheugens opslaat te gebruiken om zich niet-waargenomen en niet-bestaande dingen voor te stellen. Hij heeft niet geleerd zijn fantasie te gebruiken en moeite aan te haken bij de symbolische dimensie van taal. Dat een mens tot hem spreekt in termen van ‘ik ben uit de doden opgestaan’, daar kan hij niet bij. Thomas staat model voor de mens die denkt, al tastend, dat een voorwaarde voor geloof is dat de eigen berekeningen moeten kloppen. Echter, de resultante waar Thomas op zinspeelt is ‘kennis’, weten, geen geloof – dat is van andere ‘materie’ gemaakt. En de manier waarop de mens die op Thomas lijkt, de betekenis van geloven leert vatten, is de aanraking van een mens van vlees en bloed via de tastzin. De tast vormt het knooppunt waarop de wereld van exacte systemen, ervaring en bovenzinnelijkheid convergeren.

Wie een ander wil laten kennismaken met een nieuwe ziens- of spreekwijze zal genoodzaakt zijn eerst de aansluiting te zoeken bij de vertrouwde verstaanswereld van de ander. Voor Thomas is dat het zintuig van de aanraking, met zijn handen zal hij een onbekende werkelijkheid bevoelen. Tijdens dat ‘proces’ gebeurt er nog iets meer, want wat Thomas’ empirische attitude ontwapent is de affectie. Die insteek past goed in Johannes’ christologie van de geest. Volgens Johannes kan een mens het object van haar of zijn kenvermogen pas kennen als zij of hij zich ermee vereenzelvigt. De mens die zoekt naar kennis dient zich te identificeren met ‘het gekende’, er één mee te worden. Voor die stap is een scheutje geest nodig en dat is precies wat Thomas aan den lijve gaat ondervinden als hij zijn vingers op de zere plek legt. Achter de vraag die Thomas stelt, gaat een wereld schuil aan ongepaste vragen waarmee Johannes in zijn pastorale praktijk werd geconfronteerd. En via een omweg wil hij zijn lezer(es)s(en) duidelijk maken wat het betekent met littekens rond te lopen, levende tekens van menselijk lijden mee te dragen.

Wat kan er gebeuren met een mens als zij of hij de wond van een ander aanraakt? Wat speelt zich af in een mens als zij of hij zich in de nabijheid begeeft van iemand die veel geleden heeft en die besloten heeft schoon schip te maken met die lijdensweg? Jezus spreekt over lijden, offer, geloof en opstanding. Thomas vertegenwoordigt de wereld van de meetkunde en het zijn die werelden die Johannes met elkaar in gesprek brengt. Bij Thomas zal het een blikseminslag zijn geweest als hij de gevoelslaag en belevingswereld van de ander ontdekt en inziet hoe misplaatst zijn verlangen was zo onomwonden naar de effecten van iemands lijden te vragen omdat hij zonodig een bewijs geleverd wilde zien. Met dat gevoel – noem het erbarmen of compassie – zou Thomas voortaan zijn bloedeloze calculaties laten doorstromen. Het zou zijn onderzoeksresultaten geloofwaardiger maken en hem opleiden tot een betere wetenschapper.

Amen