Tag Archives: Het andere

Zondag 12 januari 2020, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede, zondag 26 januari 2020, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 2 februari 2020, De Wingerd Krimpen aan den IJssel, zondag 9 februari 2020, Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen Zwijndrecht, zondag 23 februari 2020, Protestantse Wijkgemeente Pauluskerk Breukelen, zondag 1 maart 2020, Protestantse Gemeente De Bron Amsterdam-Watergraafsmeer & zondag 8 maart 2020 10.00 uur Protestantse Kerk Egmond aan Zee

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 12 januari 2020 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 januari 2020 om 09.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de viering op zondag 2 februari 2020 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel, voor de viering op zondag 9 februari 2020 om 10.00 uur in de Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht, voor de viering op zondag 23 februari 2020 om 10.00 uur in de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk te Breukelen, voor de viering op zondag 1 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Bron te Amsterdam-Watergraafsmeer en voor de viering op zondag 8 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Kerk te Egmond aan Zee.

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een schok die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De zelfbezorging die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate een vreemde voor zichzelf.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een antischepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat onding ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende werking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette om hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belicht en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt om God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten.

Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Kerkelijk Centrum Zeist, 18 februari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op de eerste zondag van de veertigdagentijd op 18 februari 2018 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum van de Protestantse Wijkgemeente te Zeist-West

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een ‘schok’ die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets, waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen, lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De ‘zelfbezorging’ die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate voor zichzelf een vreemde.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een anti-schepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat ‘onding’ ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende uitwerking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door een nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belichten en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten. Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving  van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Novawhere Purmerend, 8 juli 2017 en De Amandelhof Zeist, 9 juli 2017

Preek naar aanleiding van Genesis 32:22-31 en Lucas 18:1-8 uit de Willibrordvertaling voor de gebedsviering op zaterdag 8 juli 2017 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend en uit de Groene Bijbel voor de kapelviering op zondag 9 juli 2017 om 10.00 uur in De Amandelhof te Zeist

Gemeente,

Wat zou Esau hebben gedacht toen hij, nietsvermoedend, vanuit de verte een karavaan aan geschenken op zich af zag komen? De afzender had er werk van gemaakt – met de grootst mogelijke zorgvuldigheid, alsof de afzender wist dat er veel van afhing, waren de cadeaus ingepakt. Imponerend! Zou Esau, eenmaal wetend wie voor hem kosten nog moeiten had gespaard, zich hebben laten overreden, overrompelen, ontwapenen? Is niet ook even argwanend door zijn hoofd geflitst: typisch Jakob, de manipulator en demagoog in de familie, die met gladde praatjes en het tentoonspreiden van zijn geslaagde leven mij wil inpakken? Ik, ruwe Noordeling, behaard, rijk aan testosteron, man van weinig woorden die er graag alleen op uittrekt – aldus de karikatuur die Jakob van Esau had geschetst na het gekrakeel en gekijf van de pubertijd.

In de retorica ofwel redenaarskunst worden tal van technieken en overtuigingsmiddelen beschreven om een dialoogpartner aan de eigen kant te krijgen. Zo wordt er in de stijlleer, de leer van de welsprekendheid, elocutio in het Latijn, apart aandacht besteed aan taalschoonheid door het gebruik van versieringen. Het larderen van de eigen taal met decoraties is een stijlkwaliteit die ertoe bijdraagt de ander voor het eigen betoog te doen smelten. Dit trucje om een soort psychologische buffer te creëren alvorens een kritische vraag te stellen, bezwaren te formuleren of een gevoelig onderwerp aan te snijden, wordt vandaag de dag nog gebruikt bij slechtnieuwsgesprekken en conferenties waar collegae reageren op elkaars lezingen. Of denk aan de complimenten waarmee je, al flirtend, de persoon op wie je je oog hebt laten vallen voor je probeert te winnen.

De protagonist in ons verhaal, Jakob, is naar bijbels Hebreeuws verluidt, drager van een belofte, maar – zo leert ons zijn voorgeschiedenis – hij heeft zich die belofte eigenhandig en geraffineerd toegeëigend. Een groot verschil tussen beide broers is dat Esau op de korte termijn denkt en zich weinig gelegen laat liggen aan wetten, instellingen en levenslange beloften die deel uitmaken van een burgerlijke wereld. Esau leeft het onconventionele leven van een jager. Hij is een natuurmens, de zigeuner, de bohème van de familie. Een jongen die zich vandaag de dag thuis had gevoeld in een uitgesproken masculiene cultuur of in het losse, vrije leven van studenten en kunstenaars. Jakob dacht op de lange termijn, had zich laten informeren wat die belofte waard was en had de belofte afgetroggeld. Jakob was de brave hendrik, studiebol, Gods Benjamin – aldus de karikatuur die Esau van Jakob had geschetst na het in onmin verlaten van het ouderlijk huis.

Jakob had veel gereisd, zakelijke contacten opgedaan en vanuit zijn handelsinstinct manieren gevonden zijn zelfvoorzienend bedrijf te laten groeien tot een internationaal erkende industrie. Jakob heeft goed geboerd. De verwijdering van Esau echter en de radiostilte die op hun laatste samenzijn was gevolgd, drong zich de laatste tijd ten volle aan hem op. Het kwam hem voor dat indien hij zijn weg als gezegend mens wilde vervolgen, hij zich eerst met Esau diende te verenigen. Jakob had daarvoor een strategie bedacht: hij zou Esau goedgunstig stemmen, paaien met een veestapel, een aanbod waar Esau geen nee tegen zou kunnen zeggen. Die veestapel zou de voorbode vormen van hun bemiddelingsgesprek.

Verkiezing, uitverkoren zijn, schuld uit het verleden en het delgen van die schuld, met de eigen onhebbelijkheden in het reine komen via verzoening, zijn de joodse denkbeelden in dit literaire familiedrama. De theologische themata van vergeving en gezegend worden door God gaan een rol spelen als Jakob zijn burgerlijke bestaan achter zich heeft gelaten of liever, voor zich uit heeft geschoven – al die elementen en relaties die in de sfeer van de civitas liggen.

Van jongs af aan heeft Jakob zich altijd omringd met anderen. Hij hing aan moeders rokken, nam als vertegenwoordiger deel aan commissies, heeft een groot gezin en is sociaal capabel in zijn omgang met personeel. Deze man staat er, in het holst van de nacht, alleen voor. Het is aardedonker, stervenskoud, guur, bar en hier, ontdaan van alle houvast, begint de veldslag van Jakobs leven. Jakob was God altijd een stap voor geweest, had zijn leven zo goed gemanaged dat God er nauwelijks in kon interveniëren. Jakob is Israëls roosteraar, iemand die de zaken tot in de puntjes regelt zodat er zich geen onvoorspelbare, spontane gebeurtenissen in voordoen. Jakobs godsbeeld wordt gekenmerkt door een ongeleide, moeilijk te beheersen factor waar hij tegen opbokst. God, daar werkte hij niet mee samen of naartoe, hij knokte ertegen.

Zweetdruppels parelen over zijn gezicht, zijn keel zit dichtgeklemd, de gemoedsonrust neemt toe, de innerlijke spanningen hopen zich op, Jakobs nachtelijke demonen komen om de hoek kijken. Hij staat daar in de mangrove van een ondoorwaadbare plaats en daar is dan weer die gedaante die Jakob niet thuis kan brengen. Het ondefinieerbare, dat wat nog niet geïdentificeerd is, datgene waarover de joodse auteur nog niet in klaarheid verkeert, duidt hij aan als ‘het andere’ of ‘het vreemde’. Hij kan het de naam ‘engel’, ‘de man’ of ‘God’ meegeven, dan nog is er sprake van een vermomde figuur, een man-in-black die Jakob en ook wij als lezer(es)s(en) in het plot ontmaskerd willen zien.

Het oneigene, het ‘exotische’ gedijt vaak in grensstreken. Het nachtleven leent zich goed voor het uit de kast komen van mensen die overdag geen voet aan de grond krijgen. Het is een wereld waar Esau de avonturier zich in zijn element zou voelen. Jakob weet er zich geen raad mee. Jakobs innerlijke strijd bereikt op uitgerekend deze onherbergzame plaats een climax. In de vijandigheid, de contradictie herinnert hij zich hoe hij zich zijn succes heeft verworven, namelijk, over de rug van Esau. Achter cultuur, de triomfen van een beschaving gaat iets schuil van barbarij lijkt de auteur te willen zeggen.

Als de kritische vragen die je als lezer(es) aan de centrale testen uit Genesis en Lucas kunt stellen zijn: wat koop ik vandaag de dag voor deze oude meestervertelling over joods-christelijke verlossing? Zijn deze verhalen niet proeven van meeslepende oosterse overtuigingen, toonbeelden van een gebrek aan verlichtingsdenken waar ik, de aloude folklore voorbij, nauwelijks nog mee uit de voeten kan?, dan zit het tegoed wellicht in ‘het licht dat Jakob opgaat’ waardoor hij in al zijn vezels begrijpt hoe het mogelijk was dat ‘de zon tot dusver voor hem scheen’.

Helderder dan ooit staat Jakob namelijk voor de geest dat zijn esthetiek en parmantigheid niet passen bij de verschrikkingen die Esau heeft doorgemaakt. Al het geëtter komt uit die oude, ontstoken wond. Deze nacht van zelfgevecht is er een van besef en betrokkenheid bij Esau. Peni-ël is de plaats van Jakobs bekering. Het inzicht dat Jakob opdoet, zijn theofanie, is wat het betekent God van aangezicht tot aangezicht te zien. Jakob komt niet ongeschonden uit die tweestrijd: zijn jeuïg onderonsje met God vormt een pleisterplaats en kwetsuur dat een litteken zal achterlaten. Dit was Jakobs vuurgevecht waardoor hij de dingen fundamenteel en structureel op een andere manier is gaan bekijken, de paradigmawisseling van zijn leven, en hij zal er niet meer gewoon door kunnen lopen.

Amen