Tag Archives: Keizercultus

Zondag 29 december 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & dinsdag 31 december 2019 ‘Hervormde Kerk’ Hoogmade

Preek naar aanleiding van Psalm 25 en Openbaring 22:8-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 29 december 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum van de Protestantse Kerk Castricum en voor de viering van Oudjaar op dinsdag 31 december 2019 in de Hervormde Kerk te Hoogmade van de Protestantse Gemeente Hoogmade-Rijpwetering

Gemeente,

Als u terugblikt op uw leven zoals u uw leven het afgelopen jaar leefde, doet u dat dan ook in beelden, en zo ja, welke? Waarom denken mensen over hun leven na in termen van beelden?

De auteur van het boek Openbaring schrijft voor een groep gelovigen die in de uitoefening van hun religieuze beleving veel weerstand ontmoetten. Zij leefden in een samenleving waarin de Romeinse keizer als heer van de historie en de wereld werd geadoreerd. Sloeg je op school, in bibliotheek of boekhandel een geschiedenisboek open, dan trof je als Israëlitisch burger kolommen tekst aan waarin de keizercultus breed werd uitgemeten: op menig pagina stonden levensgrote illustraties van een koning, keizer of ander politiek-economisch gezagsdrager, doorkruiste je de stad dan kwam je in het imperium van de keizer om de tweehonderd meter een standbeeld van hem tegen, wie betaalde gebruikte daarvoor muntgeld met een afbeelding van de keizer. Als inwoner was het de plicht van de Israëliet te participeren in die keizercultus. Het weigeren de keizer te erkennen als hoogste gezagsdrager van zowel een politiek als een ideologisch rijk riep vijandigheid en vervolging op. Een bijkomstig probleem was dat die keizer beweerde zijn gezag op religieuze basis uit te voeren. Een vorst die zijn macht stoelt op religie heeft al gauw het laatste woord. De religie wordt dan een middel om mee te schermen.

Johannes vond die Romeinse keizer een beest. De keizercultus plaatste de religieus gelovige voor een onmogelijk dilemma. De ziel van de gelovige was permanent op weg naar ‘de Ene’. ‘De Ene’ eiste al haar of zijn aandacht op en zij of hij wilde trouw blijven aan haar of zijn eerste liefde. De gelovige lag aan Gods voeten en kon die vorm van religieuze aanbidding niet opbrengen voor een mens, die devotie kwam ook de keizer niet toe.

Johannes dacht lang na over het genre dat hij zou hanteren om de christenen in zijn tijd aan te sporen te volharden in hun weigering aan de keizer te geven was des Godes is en God te geven was des keizers is. Een argumentatief betoog of historisch relaas kon hij wegstrepen. Een traditioneel religieus volkslied achtte hij te simpel en te swingend voor de hachelijke situatie waarin de gelovige zich bevond en zou al gauw het karakter krijgen van een ‘heiligenmars’ die kwaad bloed zette bij de vertegenwoordigers van de keizercultus.

Wat Johannes gaat doen, is een museum creëren waarin schilderijen hangen die gezamenlijk een eschatologie uitbeelden, dat wil zeggen ‘een begin van het einde’ van in zijn geval een keizerrijk. En daarmee luidt hij ‘een nieuw jaar’ in. In een literair, geschreven werk beeldt hij, als zat hij voor een schildersezel, zijn visioenen uit en doopt zijn ‘pen’ daarbij in de apocalyps. De apocalyps is de natuurlijke taal van de religie. Het is de taal van de openbaring waardoor de gelovige in staat is haar of zijn geloof tot het einde toe vast te houden en te beleven. De apocalyps is een goudmijn van profetie. Een apocalyps doet geen voorspellingen over het einde van de empirische wereld, gaat niet over wat een wereld gaat overkomen.

De apocalypticus begeeft zich niet op het gladde ijs van de speculatie waar een religieus gelovige in haar of zijn tijd bovendien niet mee geholpen is. Een apocalypticus is een figuur die ‘beelden’ voor zich ziet en opschrijft met als doel gevoelens bij de lezer(es) op te roepen en een reactie teweeg te brengen. De lezer(es) mag zich als een museumbezoeker vrijelijk van zaal naar zaal bewegen en zelf bepalen welke schilderij haar of hem aanspreekt, op welke wijze zij of hij door ‘het visuele’ wordt geraakt en hoe zij of hij er antwoord op gaat geven. Het is alsof Johannes achter een projector staat en sheet voor sheet laat zien, in de hoop dat de stemming van de Israëliet omslaat. Hij zegt een bepaalde hoop voor en geeft daarmee een religieuze uitleg van zijn tijd.

In de wijze van de openbaring die Johannes voor zijn tijdgenoten uitvouwt, ervoer de gelovige dat er religieuze mededelingen en boodschappen over de werkelijkheid werden gedaan. De openbaring bood de gelovige oriëntatie in een werkelijkheid zoals het luiden van een klok, het meten van de wind op een mast met een anemometer of een krant je helpen je positie te bepalen. De gelovige kreeg met de bezorging van de openbaring het idee dat haar of zijn smeekbeden en klaagliederen werden verhoord. Op al die sheets werden beelden en metaforen gebruikt die, als je ze met elkaar verenigt, een pad uitstippelden waarop de voet van de gelovige kon gaan. De apocalyps heeft bijna de functie van een klok: ze gaf de huidige tijd aan en begeleidde de gelovige naar de toekomst. De metafoor die Johannes gebruikt voor het leven is die van een weg.

En er gebeurt nog iets meer in de apocalyps. Zoals een eenentwintigste-eeuwer de symbooltaal in de openbaring nauwelijks kan begrijpen, zo stond ook een Romein voor een raadsel met dit type schrijven. En dat is precies Johannes’ intentie, want met zijn beeldbeschrijvingen bedient hij zich van een figuurlijke, overdrachtelijke taal die voor de christelijke gelovige van zijn tijd goed te volgen is. Johannes beschermt en ‘onderricht’ zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd. Schrijft Johannes “engel”, dan wist de gelovige dat hij doelde op een persoon die een boodschap kwam brengen. Gebruikte Johannes het woord “kleding”, dan las de gelovige daarin ‘iemands kwaliteit, waardigheid of handelwijze’. Las je “zegel”, dan betekende die term ‘iemand toebehoren’. “Alfa en omega”? Dat gaat over begin en einde. En kwam je het subjectivum ‘boek’ tegen, dan kon je al raden dat Johannes daarbij aan de zin van de geschiedenis dacht. Al lezende ontcijferde en ontleedde de religieus gelovige Johannes’ beeldtaal. Die taal is dus heel geschikt om op een voor de Romein verkapte wijze de Israëliet te ondersteunen in de verwoording van levenservaringen, geloof uit te drukken dat tot de verbeelding spreekt, emoties op te wekken en tot handelen aan te zetten.

Lijken Johannes’ schetsen nog op enige wijze op de wereld waarin wij leven? Hoe ziet ons heden eruit? Hoe kijken wij naar onze tijd? Valt er nog iets van de toekomst te verwachten? Welk type beelden spreken ons aan op een manier dat wij er iets van onze tijd in herkennen? Hoe verhoud ik mij tot de wijze waarop hedendaagse publieke figuren voorstellingen naar voren brengen over de wereld, de ander, de geschiedenis en de toekomstige tijd? Herken ik het dilemma van de gelovige in die Romeins-christelijke cultuur dat er op een bepaald front zoveel aandacht van mij wordt gevraagd, dat ik die intensiteit niet kan opbrengen en tot het besef kom dat ook ik geen twee heren kan dienen? Het gebed van Johannes om de komst van God die feestelijk de stad van licht en leven opent, is dat een utopie of kan ik er ook iets van zien in de suiker op de warme oliebollen, de slagroom in de nieuwjaarsrolletjes, knallende champagnekurken, feestkleding en het siervuurwerk dat schittert aan de hemeltrans?

Oudjaar leent zich voor bespiegeling. Het is alsof je een laken optilt waar je behalve eerder slechts contouren te zien, nu ook onder kunt kijken. Voor het aankomende jaar kunnen leidvragen zijn: waarnaar is mijn ziel onderweg? Naar wie kijk ik uit? En ik neem me voor – niet als teken van egozwakte, maar als geloofsact – loyaal te zijn aan mijn passies, ook als die moeilijk te realiseren zijn, omdat ik in waarheid wil leven. Dan leef ik niet in tegenspraak met mezelf, maar leid ik een leven in overeenkomst met een notie van God.

Amen

Oude Kerk Rijswijk, 31 december 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 25 uit 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis en Openbaring 22:8-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Oudjaar op zondag 31 december 2017 om 19.30 uur in de Oude Kerk te Rijswijk van de Protestantse Gemeente Rijswijk

Gemeente,

Als u terugblikt op uw leven zoals u uw leven het afgelopen jaar leefde, doet u dat dan ook in beelden, en zo ja, welke? Waarom denken mensen over hun leven na in termen van beelden?

De auteur van het boek Openbaring schrijft voor een groep gelovigen die in de uitoefening van hun religieuze beleving veel weerstand ontmoetten. Zij leefden in een samenleving waarin de Romeinse keizer als heer van de historie en de wereld werd geadoreerd. Sloeg je op school, in bibliotheek of boekhandel een geschiedenisboek open, dan trof je als Israëlitisch burger kolommen tekst aan waarin de keizercultus breed werd uitgemeten: op menig pagina stonden levensgrote illustraties van een koning, keizer of ander politiek-economisch gezagsdrager, doorkruiste je de stad dan kwam je in het imperium van de keizer om de tweehonderd meter een standbeeld van hem tegen, wie betaalde gebruikte daarvoor muntgeld met een afbeelding van de keizer. Als inwoner was het de plicht van de Israëliet te participeren in die keizercultus. Het weigeren de keizer te erkennen als hoogste gezagsdrager van zowel een politiek als een ideologisch rijk riep vijandigheid en vervolging op. Een bijkomstig probleem was dat die keizer beweerde zijn gezag op religieuze basis uit te voeren. Een vorst die zijn macht stoelt op religie heeft al gauw het laatste woord. De religie wordt dan een middel om mee te schermen.

Johannes vond die Romeinse keizer een beest. De keizercultus plaatste de religieus gelovige voor een onmogelijk dilemma. De ziel van de gelovige was permanent op weg naar ‘de Ene’. ‘De Ene’ eiste al haar of zijn aandacht op en zij of hij wilde trouw blijven aan haar of zijn eerste liefde. De gelovige lag aan Gods voeten en kon die vorm van religieuze aanbidding niet opbrengen voor een mens, die devotie kwam ook de keizer niet toe.

Johannes dacht lang na over het genre dat hij zou hanteren om de christenen in zijn tijd aan te sporen te volharden in hun weigering aan de keizer te geven was des Godes is en God te geven was des keizers is. Een argumentatief betoog of historisch relaas kon hij wegstrepen. Een traditioneel religieus volkslied achtte hij te simpel en te swingend voor de hachelijke situatie waarin de gelovige zich bevond en zou al gauw het karakter krijgen van een ‘heiligenmars’ die kwaad bloed zette bij de vertegenwoordigers van de keizercultus.

Wat Johannes gaat doen, is een museum creëren waarin schilderijen hangen die gezamenlijk een eschatologie uitbeelden, dat wil zeggen ‘een begin van het einde’ van in zijn geval een keizerrijk. En daarmee luidt hij ‘een nieuw jaar’ in. In een literair, geschreven werk beeldt hij, als zat hij voor een schildersezel, zijn visioenen uit en doopt zijn ‘pen’ daarbij in de apocalyps. De apocalyps is de natuurlijke taal van de religie. Het is de taal van de openbaring waardoor de gelovige in staat is haar of zijn geloof tot het einde toe vast te houden en te beleven. De apocalyps is een goudmijn van profetie. Een apocalyps doet geen voorspellingen over het einde van de empirische wereld, gaat niet over wat een wereld gaat overkomen.

De apocalypticus begeeft zich niet op het gladde ijs van de speculatie waar een religieus gelovige in haar of zijn tijd bovendien niet mee geholpen is. Een apocalypticus is een figuur die ‘beelden’ voor zich ziet en opschrijft met als doel gevoelens bij de lezer(es) op te roepen en een reactie teweeg te brengen. De lezer(es) mag zich als een museumbezoeker vrijelijk van zaal naar zaal bewegen en zelf bepalen welke schilderij haar of hem aanspreekt, op welke wijze zij of hij door ‘het visuele’ wordt geraakt en hoe zij of hij er antwoord op gaat geven. Het is alsof Johannes achter een projector staat en sheet voor sheet laat zien, in de hoop dat de stemming van de Israëliet omslaat. Hij zegt een bepaalde hoop voor en geeft daarmee een religieuze uitleg van zijn tijd.

In de wijze van de openbaring die Johannes voor zijn tijdgenoten uitvouwt, ervoer de gelovige dat er religieuze mededelingen en boodschappen over de werkelijkheid werden gedaan. De openbaring bood de gelovige oriëntatie in een werkelijkheid zoals het luiden van een klok, het meten van de wind op een mast met een anemometer of een krant je helpen je positie te bepalen. De gelovige kreeg met de bezorging van de openbaring het idee dat haar of zijn smeekbeden en klaagliederen werden verhoord. Op al die sheets werden beelden en metaforen gebruikt die, als je ze met elkaar verenigt, een pad uitstippelden waarop de voet van de gelovige kon gaan. De apocalyps heeft bijna de functie van een klok: ze gaf de huidige tijd aan en begeleidde de gelovige naar de toekomst. De metafoor die Johannes gebruikt voor het leven is die van een weg.

En er gebeurt nog iets meer in de apocalyps. Zoals een eenentwintigste-eeuwer de symbooltaal in de openbaring nauwelijks kan begrijpen, zo stond ook een Romein voor een raadsel met dit type schrijven. En dat is precies Johannes’ intentie, want met zijn beeldbeschrijvingen bedient hij zich van een figuurlijke, overdrachtelijke taal die voor de christelijke gelovige van zijn tijd goed te volgen is. Johannes beschermt en ‘onderricht’ zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd. Schrijft Johannes “engel”, dan wist de gelovige dat hij doelde op een persoon die een boodschap kwam brengen. Gebruikte Johannes het woord “kleding”, dan las de gelovige daarin ‘iemands kwaliteit, waardigheid of handelwijze’. Las je “zegel”, dan betekende die term ‘iemand toebehoren’. “Alfa en omega”? Dat gaat over begin en einde. En kwam je het subjectivum ‘boek’ tegen, dan kon je al raden dat Johannes daarbij aan de zin van de geschiedenis dacht. Al lezende ontcijferde en ontleedde de religieus gelovige Johannes’ beeldtaal. Die taal is dus heel geschikt om op een voor de Romein verkapte wijze de Israëliet te ondersteunen in de verwoording van levenservaringen, geloof uit te drukken dat tot de verbeelding spreekt, emoties op te wekken en tot handelen aan te zetten.

Lijken Johannes’ schetsen nog op enige wijze op de wereld waarin wij leven? Hoe ziet ons heden eruit? Hoe kijken wij naar onze tijd? Valt er nog iets van de toekomst te verwachten? Welk type beelden spreken ons aan op een manier dat wij er iets van onze tijd in herkennen? Hoe verhoud ik mij tot de wijze waarop hedendaagse publieke figuren voorstellingen naar voren brengen over de wereld, de ander, de geschiedenis en de toekomstige tijd? Herken ik het dilemma van de gelovige in die Romeins-christelijke cultuur dat er op een bepaald front zoveel aandacht van mij wordt gevraagd, dat ik die intensiteit niet kan opbrengen en tot het besef kom dat ook ik geen twee heren kan dienen? Het gebed van Johannes om de komst van God die feestelijk de stad van licht en leven opent, is dat een utopie of kan ik er ook iets van zien in de suiker op de warme oliebollen, de slagroom in de nieuwjaarsrolletjes, knallende champagnekurken, feestkleding en het siervuurwerk dat schittert aan de hemeltrans?

Oudjaar leent zich voor bespiegeling. Het is alsof je een laken optilt waar je behalve eerder slechts contouren te zien, nu ook onder kunt kijken. Voor het aankomende jaar kunnen leidvragen zijn: waarnaar is mijn ziel onderweg? Naar wie kijk ik uit? En ik neem me voor – niet als teken van egozwakte, maar als geloofsact – loyaal te zijn aan mijn passies, ook als die worden tegengewerkt, omdat ik in waarheid wil leven. Dan leef ik niet in tegenspraak met mezelf, maar leid ik een leven in overeenkomst met een notie van God.

Amen