Tag Archives: Liefde

Kerkelijk Centrum Zeist, 18 februari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op de eerste zondag van de veertigdagentijd op 18 februari 2018 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum van de Protestantse Wijkgemeente te Zeist-West

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een ‘schok’ die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets, waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen, lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De ‘zelfbezorging’ die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate voor zichzelf een vreemde.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een anti-schepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat ‘onding’ ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende uitwerking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door een nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belichten en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten. Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving  van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Open Hof Bleiswijk, 13 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Hooglied 5:9-6:3 en 1 Johannes 5:9-15 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de achtste zondag van de zomer op 13 augustus 2017 om 09.30 uur in de Open Hof te Bleiswijk

Gemeente,

Als ik de cijfers mag geloven rondom echtscheiding en het aantal mensen dat kampt met relatieproblemen, is er weinig reden voor een hallelujastemming op relatiegebied. Wat beweegt mensen een relatie met elkaar aan te gaan, het via een samenlevingscontract of huwelijk voor een leven lang met elkaar te wagen en een hecht paar te vormen? Welke verwachtingen, verlangens en hoop koester je bij de relatie? Hoe kun je er zorg voor dragen dat beide levenspartners afzonderlijk, en de relatie zelf liefdevol blijven? Hoe blijf je in een relatie in contact met jezelf, ontvankelijk voor de ander en vergroot je de intimiteit? Hoe houd je de vinger aan de pols bij wat er bij de ander leeft, wat zij of hij nu belangrijk vindt en hoe breng je verdieping aan in je relatie? Hoe maak je je behoeften kenbaar en vertrouw je twijfel, angsten en leed aan elkaar toe? Hoe creëer je kwaliteitstijd voor de relatie en stimuleer je de liefde?

In de predikantspraktijk ontmoet ik mensen die hun huwelijk kerkelijk willen laten inzegenen. De religieuze vormgeving van een huwelijksinzegening vraagt tijd, aandacht en is ingebed in een breder zingevingsnetwerk. Als stellen op gesprek komen, stel ik hen vragen om een beeld te krijgen van hun persoon en wie zij volgens henzelf in de relatie zijn. Soms blijkt het nog knap lastig te articuleren wat een levenspartner in de ander ziet en de emoties, gevoelens en beleving die daarmee samenhangen. Een pastor kan taal, symboliek, rituelen, spiegelverhalen, gebeden en vertelkunst aanreiken om die onderlinge verbondenheid talig en visueel gestalte te geven.

In diezelfde praktijk ontmoet ik ook mensen met verbroken relaties of partners die een scheiding overwegen. Aan dat besluit, zo komt in gesprekken naar boven, gaan vaak verstoringen op het gebied van communicatie en het onvermogen patronen te doorbreken vooraf. Er is bijvoorbeeld niet evenveel ruimte voor beide partijen om ideeën in te brengen. Mensen gaan langs elkaar heen leven, ergeren zich aan elkaar doordat de praktische kanten van een gedeeld huishouden gaan overheersen. Geliefden gaan elkaar argwanen, begrijpen de wereld waar de ander uit komt niet voldoende. De verwachting van de ander als tegenover die kanten in je aanspreekt die je tot dusver nog nauwelijks hebt ontwikkeld, komt niet uit. Zielen die ooit niet van elkaar af konden blijven, ontlopen elkaar, sluiten zich op in hun eigen wereld, er klinken verwijten door in wat de ene partner tegen de ander zegt of er is een derde in het spel.

De vreugdestemming waarin je ooit trouwde en de liefdesliederen die je er zong, zijn omgeslagen in verdriet, teleurstelling en een klaagzang. Als dergelijke relatieproblemen stand houden of verergeren dan biedt de beroepsgroep van psychologen en psychotherapeuten in de vorm van relatietherapie of consulten vaak handvatten om aan de relatie te werken. In de counseling worden veelal inzichten uit de systeembenadering, psychotherapie, communicatiewetenschappen, cognitieve psychologie en gedragstherapie verdisconteert die op de relatie worden toegesneden.

In onderscheid van een psychologische benadering, bieden het pastoraat en de geestelijke verzorging een meer theologische en narratieve benadering van relatieproblemen. Ze werken met andere modellen, mensbeelden, bedienen zich van een andere taal en leggen bijvoorbeeld accenten bij structuren van de relatie en narrativiteit, dat wil zeggen: de verhalen die mensen over zichzelf en de ander vertellen. Een belangrijk punt daarbij is als pastor op zoek te gaan naar aanknopingspunten voor transcendentie in die relatieverhalen. Via gesprek gaat een pastor na op welke plaatsen mensen hun gesitueerdheid overstijgen, waar hun bevlogenheid ligt en schept zij mogelijkheden. Religieus gesproken is de vraag hoe ‘God’ oplicht in de verhalen van mensen, hoe zij hun ziel opnieuw in God kunnen dopen en op welke manieren de transcendentie kan worden vergroot.

Wie ‘de fictieve ander’ in die gesprekken naar voren brengt en die je meer algemeen als ‘de grond van je eigen vrijheid’ kunt beschrijven en die door een religieus gelovige ‘God’ wordt genoemd, kan bovendien tot de ontdekking komen dat ‘wie voor God leeft’ ook in een relatie ten langen leste niet afhankelijk is van de waardering, erkenning en invloed van de partner. Je spiegelen aan de fictieve ander en de relatie daaraan ondergeschikt maken is wat we kunnen leren uit 1 Johannes vijf vers negen tot vijftien.

In de passage komen een aantal zwaartepunten naar voren die je kunt omsmeden naar vragen en vormen van aandacht die een relatie vruchtbaar maken. Wie naar het gedrag van haar of zijn partner kijkt, observeert waar haar of zijn zintuigen op reageren en luistert hoe de ander spreekt, kan zich afvragen waarvan de ander getuigt en begrijpen in welke overtuigingen de ander is geworteld. Een tweede vraag is: wat gelooft die ander? en dan doel ik niet zozeer op een inhoud, maar op een verlangen dat die ander wil verwezenlijken en hoe je de relatie zo vormgeeft dat je voorziet in wegen waarop de ander zich naar de uitwerking van dat verlangen kan toebewegen. In dat geval moedig je de partner aan en schenk je vertrouwen. Een derde aandachtspunt is attent te zijn op de mate waarin beide partners vrijheid van spreken hebben. Is er een gelijke verdeling van spreektijd? Komen beide partners evenveel aan het woord?

De situatie waarin wij de geliefde in Hooglied vijf vers negen tot zes vers drie ontmoeten is er één waarin ze verhinderd is op zoek te gaan naar haar lief. Ze schakelt de dochters van Jeruzalem in haar te helpen zoeken naar het ‘object’ van haar begeren. Zij zouden als intermediairs berichten dat de beminde ziek van liefde is. Dat verzoek roept bij de dochters vragen op over zijn profiel: hoe ziet hij eruit? Waaraan is hij te herkennen?

Dan komt de vraag die in aanloop naar een samenlevingsvorm tussen twee geliefden een rol speelt en zich soms nauwelijks laat beantwoorden, namelijk: wat is er zo speciaal aan hem of haar dat je uitgerekend aan hem of haar een eed wilt zweren? De beminde geeft antwoord op deze vragen via een beschrijvend loflied op de minnaar. Via het gedicht worden gevoelens uitgesproken en een ondersteunend klimaat geschapen dat uitnodigt tot groei en het waarmaken van mogelijkheden.

Hoe gaat de dichter van het Hooglied te werk? En, hoe slaagt hij erin een tekst neer te zetten die ervoor kan zorgen dat twee van elkaar verwijderde partners weer nader tot elkaar kunnen komen? Via het loflied vergroot hij de afwezige uit. De fysieke afwezigheid van ‘de ene geliefde’ die voor een verliefde jonge vrouw in het Oude Nabije Oosten een levenspartner was en voor een religieus gelovige ‘God’ kan zijn, doet het besef ontluiken hoe sterk de band van de liefde is. Paradoxaal genoeg lijkt wel alsof de absentie van je lief, een onderbroken vereniging, innerlijk toont hoe een persoon in je aanwezig is. Iemand is lijfelijk mijlenver weg en in de eigen voorstellingen toch ook zo dichtbij.

Wat de dichter doet is dat hij de beminde de geliefde laat roemen. De beminde geeft de geliefde complimenten op een wijze waaruit blijkt wat en waarom de beminde daar zo vol van is en door weer te geven wat de ander heeft bijgedragen aan wat hij voor haar betekent. De dichter wordt heel specifiek in z’n beschrijvingen en spitst die toe op de persoon. Het zijn twee communicatietechnieken die interactie mogelijk maken doordat de geliefde zich er in het bijzonder door aangesproken zal weten. De beminde prijst de schoonheid van de geliefde door de afzonderlijke ledematen van boven naar beneden te verheerlijken. Een afbeelding van het gezicht is ook het eerste waarnaar wordt gevraagd bij officiële documenten en profielschetsen omdat het hoofd het lichaam representeert. Mensen hebben pas het idee dat ze de ander hebben gezien als ze er letterlijk een gezicht bij hebben.

De bewondering die de beminde voor de geliefde koestert, straalt af op haar woordkeus: kostbaar is de geliefde in haar ogen, oogverblindend mooi. De ogen en het hoofd van de minnaar worden beschreven met visuele beelden, kleur, schittering en vergeleken met bewegende duiven. Voor wangen en lippen wordt geur gebruikt en het beeld van een kruidentuin opgeroepen. Wangen zijn als torens van kruiden en lippen als lelies. De keuze van beelden die de dichter maakt, is van belang voor het begrijpen van het gedicht. Door de geurbeelden suggereert de beminde haar vereniging met de minnaar en wellicht herinnert ze hem aan plaatsen waar zij eerder gezamenlijk hebben vertoefd. In haar beschrijvingen maakt ze duidelijk waar zij naartoe getrokken wordt. De armen, het bovenlijf en de benen vergelijkt ze met kostbare materialen. In het algemeen is de beminde onder de indruk van de schoonheid van de minnaar en tot in de details prijst ze zijn voorkomen. Nu hebben ook de dochters een beeld bij de geliefde aan de hand waarvan ze hem kunnen herkennen en zijn ze gemotiveerd naar hem op zoek te gaan.

Religieuze liefdespoëzie kan functioneren als een consult tijdens ‘stadia’ op de eigen levensweg waarin je relatie met ‘de ene’ in het slop raakt, er sprake is van partnerrelatieproblemen. Het kan je op weg helpen je over te geven en terug te keren tot de liefde als ‘een goddelijke grond’, het bewuste niveau van de innerlijkheid waardoor je in staat bent schoon en goed met je lief te spreken.

Amen

Dorpskerk Zoeterwoude, 19 februari 2017

Preek naar aanleiding van Genesis 2:15-3:9 uit Tora. De onderwijzing van Mosje uit het Hebreeuws vertaald door Lineke Buijs en Marianne Storm en Matteüs 21:6-14 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 19 februari 2017 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zoeterwoude

Gemeente,

Het lezen van de mythe over de oorsprong van de mens uit Genesis twee vers vijftien tot chapiter drie vers negen, kan het effect sorteren dat je naderhand ‘nog niets weet’. Wie uit is op een objectief-historisch betoog of een symbolische verzinnebeelding over de herkomst van de mens komt met dit originele verhaal geen stap verder. Ondanks de ambiguïteit en het paradoxale karakter van het paradijsverhaal blijft de betekenis ervan in mysteriën gehuld.

Alle mededelingen die in de vorm van een lumineus inzicht over de komaf en creativiteit van de mens worden gedaan ten spijt, bewaart dit verhaal over het ontstaan van de mens haar geheim. Die lezerservaring van ‘de ondoorzichtigheid van het begin’ is wellicht precies de crux die de auteur de lezer(es) aan den lijve wil laten ondervinden. Het probleem dat hij namelijk behandelt is dat van kennis en ethiek.

De auteur is de wetenschap niet vijandig gezind – integendeel – de mens mag boven de dingen staan zoals je heer en meester kunt zijn over ‘de stof’ nadat je die intens hebt bestudeerd en zal via het maken van abstracte onderscheidingen haar naïviteit verliezen. De auteur voert geen pleidooi voor onwetendheid of een gebrek aan zelfbewustzijn maar wel voor het stellen van een grens aan een eerdere saamhorigheid.

Het gebruik van de ratio verbreekt harmonieuze eenheden en heeft tot gevolg dat een mens een soort ‘onmiddellijke eenheid’ die je nog bij kinderen kunt aantreffen, kwijtraakt. Een deelprobleem dat met het vergaren van praktische en ethische kennis samenhangt is voor de auteur dat een mens verstandelijke verklaringen kan aanwenden om achteraf, na het overtreden van morele grenzen, niet zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen keuzes. De mens bekleedt zich dan met de vijgenbladeren van uitvluchten en excuses omdat zij of hij niet in alle naaktheid durft toe te geven dat zij of hij op een tijd op een zekere plaats was en er een bepaalde handeling uitvoerde. Maar er is ook een andere interpretatie mogelijk.

De genesisschrijver beschouwt de mens als een religieus wezen, maar wie kennis neemt van ‘goed en kwaad’ heeft ethisch leren denken. Het is juist de religie die een mens vrijwaart van de verleiding die uitgaat van een maakbare werkelijkheid. Die werkelijkheid ontstaat door een ingespannen gerichtheid die kenmerkend is voor het handelen en de morele oordelen die aan het handelen ten grondslag liggen.

Wie religie reduceert tot ethiek, instrumentaliseert haar en ontkent het genot en de aandacht voor een mens of ding omwille van die mens of het ding zelf. In het uiterste geval kan de absorptie van ‘het heilige’ in de ethiek leiden tot geestelijke sterfte. In de existentiesfeer van de religie verbindt een mens het onzichtbare met het zichtbare, het heilige met het profane. In haar verschijnt de contemplatieve liefde tot de concrete medemens en de synergie, dat wil zeggen de innige samenwerking die je daarin kunt ervaren – de wijze waarop een mens haar of zijn God het meest nabij kan weten.

De tekst uit Genesis heeft als thema de wijze waarop een mens de wereld kan ervaren als zij of hij niet langer in staat is tot het vermogen te ontvangen. Adam en Eva representeren de mens die zich via kennis heeft afgesloten voor ‘het onvoorziene’. De mens die geen enkel terrein meer met rust kan laten, haar of zijn universum volledig beheerst – ook het laatste onbekende domein heeft verkend en ‘ontmaskerd’, laat zich mogelijk nog moeilijk verrassen en ontroeren. Noli me tangere oftewel raak me niet aan! De mens lijkt dan op een vakantieganger die zich tot in de puntjes heeft voorbereid zodat – hoewel zij of hij gemotiveerd wordt door avontuur en uit is op nieuwe ervaringen – er weinig ruimte is voor ‘onverwachte wendingen’.

In het jodendom bestaat de overtuiging dat God zich openbaart als ‘de andere’, datgene waarop de mens niet gerekend heeft. Zo ook in het tweede scheppingsverhaal waarin God op zijn tijd aan de mens een geschenk wilde geven, de gift van de liefde waarvan God wist dat de mens die zo nodig had om niet ten dode toe aan haar of zijn eigen zorgen overgeleverd te zijn. Je kunt die verhouding vergelijken met een exclusief cadeau dat iemand voor je heeft gekocht. Het geschenk, omhult met folie, cadeaupapier en linten, ligt op je te wachten totdat de gever het jou – omdat jij, jij bent – wil geven.

Adam’s keel is droog van het roepen naar een partner die niet komt. Binnen de flora en fauna, zoölogie en dendrologie vindt hij geen maatje. Hij plaatst contactadvertenties en struint datingsites af. Het mag allemaal niet baten: Eva zit er niet bij en wellicht omdat hij zijn evenbeeld zocht. Hij was zijn zoekacties gestaakt, voelde zich leeg, Adam’s leven vloeit niet over van geluk. Eindelijk laat Adam God zijn gang gaan de wereld af te reizen om voor hem een deelgenoot te selecteren die naar zijn smaak helemaal bij Adam past. Het is die ervaring die de auteur aan het licht wil brengen: dat de mens die gemeenschap nodig heeft daarvoor rechtstreeks van God afhankelijk is.

In zijn zoektocht had Adam zich niet langer afhankelijk geweten van de onvoorziene daden van de voorzienigheid. De religie was bezweken voor het programmeren van het eigen liefdesleven en geen gebeurtenis uit onverwachte hoek kon er meer plaatsvinden. Als Adam Eva ontmoet, voelt hij zich als een magneet tot haar aangetrokken. Ze bezit een surplus van de componenten die hij niet of in mindere mate in zijn biotoop tegenkwam: ze was begaafd met intellect, had een ijzersterke wil en een groot hart. Je zou bijna kunnen zeggen dat in de ontmoeting met Eva, Adam pas geboren wordt, transformeert tot het er zijn als mens.

Zoals Odysseus het gezang van de sirenen niet kon weerstaan – zodat hij zich moest laten vastbinden aan de mast van het schip –, zo kon ook Eva de mysterieuze kracht van ‘de onderwereld’ – de slang die een icoon is voor het kwaad in een mensenleven – niet trotseren. Eva kuiert rond, verkent de lommerrijke omgeving en beroept zich op de rede om een grens die aan haar is gesteld te overschrijden, een grens die ‘een exercitie in gehoorzaamheid’ vormt zoals je een pup ter zinnelijkheid traint of beveiligingsmaatregelen in huis aanbrengt om een peuter te beschermen.

De mens wordt hier voorgesteld als een wezen met een ongebreidelde nieuwsgierigheid die met de rede in staat is vastgestelde grenzen te ondermijnen en beloftes te verbreken. Ook Eva kan niet wachten tot ze jarig is en pakt een voor haar verstopt cadeau te vroeg uit. Ze had het al gezien. De kennis die ze nu in haar geest ontwaarde, kon haar niet meer geschonken worden. De eerste verwondering was weg en had het verrassingskarakter van een toekomstig ‘event’ teniet gedaan. Het geschenk dat ze van God zou krijgen, de wereld van kunst en wetenschap waar ze nog lang van zou leven, werd nu een box van Pandora. In plaats van voorlopig in de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad te leven, keek ze met haar tere huid zonder zonnebril en hoge beschermingsfactor in één keer in de felle zon en stal het vuur van de goden. Het is nu wachten op een mens die de doorgeknipte navelstreng van de religie gaat lijmen en alle kwalen in die box gaat terugstoppen.

Dat is althans de hoop van al die pelgrims uit Galilea die aan de kant van de weg staan en Jezus komen begroeten. Dit keer is het niet hommeles in de hof van Eden, maar wordt de zinzoeker in de voorhof geconfronteerd met een commercieel circus van vraag en aanbod. Ditmaal is het religieuze leven niet versmald tot de ethiek, maar gecorrumpeerd tot politiek en economie. Het kopen van een presentje namelijk een lam als offer om God te aanbidden was voor een welgesteld persoon veel gemakkelijker dan voor iemand die uit de sociale onderklasse kwam, arbeidsongeschikt was verklaard of een Wajong-uitkering kreeg. Priesters kregen het monopolie op deze handel en schroefden de prijzen op. De religieuze praxis je lof met een lam ten hemel te dragen, veranderde daardoor in een offersysteem dat een lucratieve business werd. Geen wonder dat de mens die zich in een maatschappelijke minderheidspositie bevond en dit ‘bolwerk’ niet omver wist te werpen een verband gaat zien tussen het inluiden van een nieuw tijdperk en de mens die bovenop de ezelin zit.

De loper wordt uitgerold, de opwinding groeit en in een politiek beladen en controversieel gebaar wordt Jezus toegejuicht. Hij draagt geen nieuw inzicht bij zich waarmee hij de religie een impuls gaat geven. Hij gaat allereerst de tempel reinigen, schoon schip maken met calculatie en machtsverhoudingen die niet in de religieuze ruimte thuishoren, de eigen ziel ontledigen om zo plaats te maken voor God en die oorspronkelijke band te herstellen. Dan kan de messiaanse tijd aanleiding zijn voor wat voorbehouden is aan de mythe of poëtische voorstellingswijze: dat een mens in een avondbriesje weer wandelt met God zoals ooit in liefland.

Amen