Tag Archives: Marcusevangelie

Zondag 21 februari 2021, Doopsgezinde Gemeente Aardenburg

Preek naar aanleiding van Marcus 1:1-20 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 21 februari 2021 om 10.30 uur in de Vermaning Het Lam van de Doopsgezinde Gemeente te Aardenburg

Gemeente,

De navolging van Christus, is dat niet te hoog gegrepen? Moet je dat wel willen? Behelst die navolging niet een bovenmenselijke of liever onmenselijke denkstijl en levenswijze? En, wat zou die navolging tegenwoordig kunnen inhouden, eventueel in onderscheid tot wat het ten tijde van het schrijven van het Marcusevangelie inhield? Zou je er niet goed aan doen, ongeacht de tijden, de navolging van Christus niet aan te bevelen, maar integendeel, vanuit de conclusie dat ze onnavolgbaar is, haar ten strengste moeten ontraden? Dit zijn enkele bezwaren die een lezer of geroepene zowel destijds als nu zou kunnen hebben ten aanzien van de navolging van Christus.

Kennelijk niet voor Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, want terstond laten ze, zonder pardon, arbeid en familie achter zich om Jezus onvoorwaardelijk te volgen, niet eens wetend wat die navolging betekende en wat het vissen van mensen impliceerde. Begrepen deze vissers wel waarop ze met hun navolging ja zeiden voor ze hun jawoord gaven en hun huidige bestaan opgaven om, ja om wat eigenlijk? Hadden ze er niet goed aan gedaan zich vooraf wat beter te laten informeren over de inhoud van de navolging? Waren ze daar niet te slecht op voorbereid? Hun reactie op de uitnodiging tot navolging was er een van spontaniteit en gehoorzaamheid, maar was dat dus wel zo verstandig? Was dat programma van de navolging niet veel te rigoureus en te radicaal, zodanig dat ze het van de hand hadden moeten wijzen of er op z’n minst voor hadden moeten bedanken? Hoe is het mogelijk dat de oproep tot navolging voor hen niet zeer ongelegen komt? Of hadden ze goede redenen, voorstelbare motieven, zoals een behoefte aan avontuur, reislust om hun leven, zoals ze het tot dusver hadden geleefd te beëindigen en een ander, nieuw, onvertrouwd leven te gaan leiden? Of zou je deze schrijversstrategie van de auteur toch anders moeten lezen, bijvoorbeeld als een om de figuur van Jezus wat meer gezag toe te kennen door te laten zien hoe gezwind en, althans zo lijkt het, gedachteloos deze vier vissers hun netten achter zich laten, een onbekende toekomst tegemoet?

We lezen vanochtend een verhaal, waarin de auteur antwoord geeft op de vraag wie Jezus van Nazareth volgens hem was. Hij beantwoordt die vraag ten overstaan van een lezerspubliek, dat voornamelijk bestond uit christenen met een heidense achtergrond. U ziet dat bijvoorbeeld aan de keren dat de auteur beschrijft en uitlegt wat Jezus deed en welke uitwerking dat had op de mensen met wie hij zich engageerde. Zoals een Griek een niet-Griek een barbaar noemde, zo noemde een christen een niet-christen wel een heiden. De auteur legt voormalige heidenen uit wat typisch christelijke praktijken zijn.

In de manier waarop de auteur Jezus van Nazareth portretteert doet hij iets gewaagds en contrasterends ten opzichte van zijn omgeving: in de context van Rome met zijn heldenverering gaat hij uiteindelijk een lijdensfiguur uittekenen. Nu kunnen we dit verhaal op veel verschillende manieren proberen te begrijpen, bijvoorbeeld door te kijken naar de geografische aanwijzingen, de thematieken of de reacties van de figuranten. Wij kijken vanochtend naar de thematiek van de navolging in dit verhaal. We laten ons daarbij door twee vragen leiden, namelijk: waar herken je een volgeling, een navolgeling van Christus aan? En, wat zou het vandaag de dag kunnen betekenen een navolgeling van Jezus te zijn?

Over de identiteit van Jezus van Nazareth is veel geschreven en vooral gespeculeerd. Vanuit historisch perspectief weten we enkel, dat hij een jood was en Aramees sprak. Het portret van Jezus zoals dat ons schriftelijk wordt overgeleverd door de auteur van het Marcusevangelie, gemotiveerd door zijn eigen psychologische, theologische en politieke belangen, is zijn geïdealiseerde variant van een figuur van wie hij dacht dat zijn lezers daar baat bij hadden, namelijk een van een bevrijder uit veel religieus-politieke benauwdheid zoals vervolgingssituaties. De auteur van het Marcusevangelie laat Jezus als een filosoof, anarchist en hervormer optreden, omdat deze vervolgingssituaties voor veel van zijn voorgangers en tijdgenoten fataal is afgelopen dan wel nog nauwelijks is uit te houden. De ene na de andere beperking werd ingevoerd, het welbevinden, het doorzettingsvermogen en de lijdzaamheid van zijn tijdgenoten werd zwaar op de proef gesteld. Het gebrek aan vrijheid van denken en leven in zijn land had van een auteur die eerder veel vrijblijvender schreef, op slag een evangelist en pastor gemaakt. Om zijn medechristenen door de crisis heen te helpen, gaat hij hen literair een hart onder de riem steken.

De lezers van het Marcusevangelie gedroegen zich moreel, zolang zij gesocialiseerd waren, dat wil zeggen zich hielden aan de civiele wetten en sociaal geldende normen van een elite, maar kwamen hiermee op basis van hun persoonlijke overtuigingen hoe langer hoe meer mee in conflict. Nu zij vanwege een deel van die overtuigingen, van religieuze aard, worden vervolgd, is dat voor de auteur reden een geschrift, zijn evangelie, te laten verschijnen, waarin hij zal oproepen tot maatschappelijk onaangepast gedrag. Dat doet hij door Jezus te karakteriseren als een voorbeeldfiguur die de bestaande orde problematiseert. Hij benadrukt de contextualiteit en historische bepaaldheid van civiele wetgeving en normen, die, bovendien, met name de belangen dienen van een kleine, invloedrijke, vermogende groep mensen. De wetten die zij produceerden en de normen die zij bedachten, waren niet universeel, maar moesten worden gezien als constructen die binnen een cultuur waren ontworpen door een selecte groep mensen op grond van eigenbelang. Het geldende gezag deed deze constructen met haar eigen veronderstellingen en vanzelfsprekendheden voorkomen als in het algemeen van toepassing. De evangelist echter plaatste ze tussen haakjes en zag ze als relatief. Sterker nog, hij zou zijn lezerspubliek uiteindelijk oproepen om te breken met deze normen om hogere doelen te bereiken.

Doch eer het zover is, laat hij Jezus heel vaak in het publieke domein optreden als een figuur die door transgressies te plegen en scheidslijnen te laten vervloeien, inbreuk maakt op de heersende orde, waardoor de een hem als een bevrijder zag en de ander hem als een bedreiging ervoer, afhankelijk van wat je te winnen of te verliezen had. Maar of je hem nu enerzijds de koosnamen verlosser, godszoon of vredevorst toedichtte of hem anderzijds de scheldnamen raddraaier, relschopper of oproerkraaier meegaf, beide groepen waren het er over eens dat het met de entree van Jezus van Nazareth in het openbare leven met de maatschappelijke rust wel was gedaan. En dit was slechts het begin. De evangelist zal het gedragskenmerk van grensoverschrijding in toenemende mate doorvoeren door Jezus te doen kennen als een figuur die elk gezag relativeert ten opzichte van de godsverhouding. Naast de oproep tot verzet tegen de staat en sociale normen, en tot het verlaten van have en goed zal daar in de loop van Jezus’ optreden de oproep bijkomen geweld niet met geweld, maar met geweldloosheid te beantwoorden en desnoods het eigen leven te offeren ter wille van een ander mens.

De navolging van Christus, dat lijkt een handleiding voor asociaal en onnavolgbaar gedrag, want on- en bovenmenselijk gedrag, niet? De evangelist laat Jezus niet zeggen dat de vier mensen die hij oproept tot navolging, de leidinggevenden van het volk moeten volgen. Het lijkt wel alsof Jezus met zijn oproep begint met de vorming van een nieuwe gemeenschap, een andere samenleving door vier mensen te werven, die de kern zullen vormen van een apostolische groep, waarin je als geroepene dus niet primair wordt gezien als lid van een staatsgemeenschap. Op het moment dat Simon, Andreas, Jakobus en Johannes instemden met de navolging, werden zij geen lid van een politiek georganiseerde samenleving, maar van een groep die geloof, geweldloosheid en opofferingsgezindheid als bestaanswijzen uitdroeg. In die apostolische groep golden veelal andere normen en regels dan in de burgerlijke samenleving gebruikelijk was. Niet zelden stonden ze er haaks op.

De navolging van Christus impliceert een inbreuk op het bestaan, waartoe de oproep urgent, complex en dramatisch te noemen is, aangezien het de manier waarop mensen zichzelf en anderen definiëren, de rollen die zij in het dagelijks leven spelen, bevraagt en relativeert. Je positie in politiek en sociaaleconomisch opzicht werd ermee naar een tweede plan geschoven. Wie een volgeling van Jezus van Nazareth wilde zijn, diende te breken met overtuigingen, werd gemaand zichzelf opnieuw uit te vinden en gedragsveranderingen in gang te zetten. In een bekering werd het eigen bestaan van de volgeling in een crisis geplaatst, zij of hij heroriënteerde zich op een nieuw bestaan, dat de volgeling vaak in oppositie met vermeende vromen en autoriteiten bracht. De navolging van Christus, dat is geen sinecure. Geroepenen zijn er vele, maar uitgelezenen weinig.

Amen

Zaterdag 26 oktober 2019, ‘Molentocht’ Purmerend

Preek naar aanleiding van Jesaja 35:1-10 en Marcus 7:31-37 uit de Naardense Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 26 oktober 2019 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend

Zeer gewaardeerde gemeente,

Waarvoor gebruikt u uw spraakvermogen en uw gehoor? In de proloog van het boek The Poetry of Thought vraagt de Frans-Amerikaanse denker en schrijver George Steiner zich af hoe de filosofische concepten en de metafysische verbeeldingen van een doofstomme eruitzien. Hij stelt die vraag omdat alle filosofische acten, elke poging om überhaupt te denken, bemiddeld worden door taal. Toch is er in de wereld van theologie en filosofie het verlangen te bespeuren te ontsnappen aan de taal.

Het verhaal van de genezing van een doofstomme uit Marcus 7 vers 31 tot 37 maakt deel uit van een verhalencyclus waarin een genezing plaatsvindt binnen heidens gebied. Bijbels gesproken staan we op barbaarse grond, want iemand die doofstom is brengt voor een mens die de taal machtig is dierlijke, incoherente klanken voort. Welke wereld bewoont de doofstomme mens in onze tekst? En, hoe begrijpt een doofstomme de wereld van een horende? In een wereld van doofheid geboren worden betekent opgroeien in een geluidloze wereld. Een horende kan die wereld omschrijven als leven in een kooi of achter een glazen wand. Voor een mens die zich in een taalgemeenschap bevindt, kan de wereld van een stomme primitief, ongecultiveerd lijken. Het is een stadium van ongearticuleerdheid dat ieder mens die leert spreken in de kindertijd ontstijgt. Bij een baby is in de fase van taalverwerving waarin spraakklanken worden geoefend zonder dat ze tot betekenisvolle eenheden worden verenigd sprake van brabbelen. De figuur in Marcus 7 vers 31 tot 37 bevindt zich in een conditie van woestheid en ledigheid. Hij brabbelt en haspelt. Zijn attitude jegens het woord is vijandig en gesloten. Wij treffen hem in een periode van taalkundige ballingschap.

Een persoon die in staat is zich te verzetten tegen de taal lijkt zich bewust te zijn van de mogelijkheden en implicaties van het gesproken woord. De dove man in het evangelie heeft een keuze gemaakt, verricht een daad van protest. Hij heeft zichzelf een spreekverbod opgelegd. Wanneer we de grondwoorden die in verband met zijn ‘stomheid’ worden gebruikt erop naslaan dan lijkt ‘moeilijk’ of ‘met een schorre, holle stem spreken’ meer op zijn plaats.

Nu zou je het evangelie op naam van Marcus kunnen lezen als het werk van een auteur die zijn geschrift schreef in een gecodeerde taal. Met het oog op politieke autoriteiten verpakt hij zijn boodschap uiterst voorzichtig in de vorm van een genezingsverhaal. De doofstomme staat symbool voor een tijdgenoot van Marcus in wie hij een klokkenluider ziet. Marcus zou graag zien dat de doofstomme zijn beslissing om voor stommetje te spelen opgeeft, misstanden binnen een systeem openbaar maakt en het met het verbreken van het zwijgen opneemt voor een monddood gemaakte minderheid.

We kunnen de positie van de moeilijk sprekende dove ook meer psychologiserend uitleggen. De ‘stomme’ is in dat geval te omschrijven als iemand die moeite heeft om haar of zijn opinie te vormen en zich te uiten in het bijzijn van anderen. Vergelijk haar of hem met een persoon die tijdens een vergadering nauwelijks aan het woord komt, geen spreektijd vraagt en op die manier geen ruimte durft in te nemen.

De stomme staat in een schare en verneemt op die plaats nauwelijks nog zijn eigen stem. Het besef dat hij zelf iets te zeggen heeft wordt niet geactiveerd. In de massa kan de enkeling zichzelf vergeten en raakt op die wijze niet alleen van zichzelf vervreemd, maar ook geïsoleerd van de wereld. Hij wordt er niet echt zichzelf. Wanneer die situatie is doorzien gaat Marcus heel pastoraal te werk. Hij arrangeert een ontmoeting tussen hem en Jezus waarbij de doofstomme op het niveau wordt aangesproken waarop hij zich bevindt. Hij ontvangt een persoonlijke uitnodiging en Jezus benadert hem via een vermogen dat bij de doofstomme mogelijk in vergevorderde staat was ontwikkeld: de tastzin. Als wij signaleren dat een persoon in groepsverband moeilijk uit de verf komt en een zetje nodig heeft om het woord te nemen dan kun je in de communicatie affectie tonen. Je probeert iemand op haar of zijn gemak te stellen, op te beuren, op een uitnodigende manier te behandelen door de persoon in kwestie vriendelijk toe te spreken. Door aanmoediging en verzoeken kun je als gesprekspartner moeite doen om het miniemste woord of kleinste teken over iemands lippen te krijgen. Het zijn interventies die pogen de deur bij de ander open te krijgen.

In onze tekst echter is die wijze van benaderen niet passend. Marcus was namelijk op een uitgeblust mens gestoten die in een wereld leefde waar de dingen ophouden vertaalbaar te zijn en een menselijke situatie niet langer inleefbaar is. Marcus’ pogingen zijn sprakeloze tijdgenoot aan het praten te krijgen hadden niet gewerkt. Vergelijk zijn situatie met je eigen streven iets voor elkaar te krijgen dat ondanks het toepassen van diverse strategieën niet lukt. Je kunt je geduld verliezen, er wanhopig van worden, de ogen ten hemel slaan en zuchten: God, waar ben je? Dat Marcus vervolgens nogal rigoureus te werk gaat in zijn aanpak van de man heeft niets te maken met de eenvoud van zijn Grieks, maar eerder met de inadequaat gebleken tactieken waarmee hij had geprobeerd de radiostilte tussen hem en zijn tijdgenoot te verbreken. Wilde hij echt naar de wereld van deze doofstomme man toegaan, dan diende hij dieper te reiken dan in te zetten met sociale en communicatieve vaardigheden. De doofstomme leert niet zijn eigen zegje te doen door hem vriendelijk toe te spreken. Marcus moest roepen om zijn spraak te motiveren, zo niet schreeuwen om gehoor te vinden; woelen en spitten in een wereld van voor de taal, in de hoop dat de ander uit het graf komt dat hem omsluit, ergens voor uit durft te komen en zichzelf wordt.

Ik denk ook niet dat je dit genezingsverhaal, zoals wel is gebeurd, als een zogeheten wonderverhaal moet lezen, zoals wel is gebeurd om de figuur van Jezus van Nazareth de status van een god te verlenen. In een wonderverhaal blijft een bepaald gegeven onopgehelderd. Van magie en mysterieuze dampen moet een mens die uit is op precisie doorgaans weinig hebben. Een exegeet kan er dan nog voor kiezen een allegorische interpretatie van het verhaal te geven. De hoofdpersonages worden in zo’n uitleg symbolen. Vanuit een rationale blik op het verhaal worden al die verhaalelementen waar we niet mee uit de voeten kunnen gemythologiseerd of vergeestelijkt. Voor de rede heeft een genezingsverhaal zonder tussenkomst van erkend medisch-wetenschappelijk onderzoek iets gênants.

Vanwege een verlegenheid met de ongerijmde aspecten van het verhaal ligt de focus bij dit verhaal ook niet zozeer bij de genezing zelf en de methode waarop die genezing heeft plaatsgevonden, maar op het effect ervan. Want, hoor toch eens en komt dat zien! Zoals Jesaja 35 vers 1 tot 10 in het teken staat van een beweging waarin een uittocht plaatsvindt, zo wordt in Marcus 7 vers 31 tot 37 verhaalt hoe een mens verlost wordt van verkramping. Het is de beschrijving van een levensgebeurtenis die leidt tot het einde van een gevangenschap dat vreugde schept en het leven van die ene mens doet bruisen. Het onderhavige verhaal laat zich dan ook lezen als een opstandingsverhaal. De steen wordt voor de mond van de doofstomme weggerold. Door uit een menigte te treden, treedt hij uit een sprakeloos verleden. De overgang van iemand zijn met een spraakgebrek naar iemand die zich de taal weer actief eigen maakt zal een verschil van dag en nacht betekenen voor de manier waarop deze mens zichzelf en de wereld ervaart. Er gaat een wereld voor hem open! De doofstomme gaat zo in de wereld staan dat de dingen gaan spreken en niet stom blijven. Het was wellicht het duwtje in de rug dat hij nog nodig had om van een stamelaar een redenaar te maken.

Wie vrijheid leert kennen waar zij of hij eerder gevangenschap ervoer, een situatie of onvermogen waarin je opgesloten lijkt te zitten en wie voor zichzelf mogelijk geen wegen ziet om daar vanaf te komen kan er goed aan doen zich door een ander een handje te laten helpen. Het overwinnen van een onvermogen, capabel en misschien zelfs deskundig worden op een bepaald terrein kan tot gevolg hebben dat je met nieuwe ogen en oren in de wereld rondloopt.

Amen

Zondag 14 april 2019, ‘Koepelkerk’ Arkel

Preek naar aanleiding van Psalm 118 uit 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis, Marcus 11:1-11 en Marcus 14:1-15 uit de Willibrordvertaling voor de viering van Palmzondag op 14 april 2019 om 10.00 uur in de Koepelkerk te Arkel

Gemeente,

In de debuutroman Vertrek van station Atocha van Ben Lerner lees je hoe de Amerikaanse dichter Adam Gordon zich telkens op een kruispunt van wegen bevindt en afwegingen maakt tussen keuzes waarbij ofwel de rede de doorslag geeft, ofwel hij zich door zijn hartstocht laat leiden. Gordon heeft een stipendium gekregen om in Madrid een jaar onderzoek te doen naar de invloed van de Spaanse burgeroorlog op de poëzie, maar verkiest het onder invloed van marihuana en kalmeringspillen door het Prado te zwerven. Het zijn dit type dilemma’s die Lerner in de roman presenteert en via Gordon ook de lezer(es) aanreikt.

Een lezer(es) van romans is een estheet in de zin dat de lezer(es) met een zekere distantie van en over de levensloop van een onbekende ander leest. Toch kun je als auteur een literaire compositie zo rangschikken dat ook de lezer(es) uit die esthetische houding wordt gemanoeuvreerd. Met behulp van schrijf- en presentatietechnieken kan de auteur de lezer(es) bij zichzelf en haar levenskeuzes bepalen. Adam Gordon verlangt naar een ervaring van ‘het sublieme’ die hem boven de historiciteit uittilt en probeert schema’s te construeren waarin de verhoudingen tussen taal, kunst, werkelijkheid en waarheid overzichtelijk zijn. De climax zit in hoe Adam omgaat met de aanslag die in 2004 op het treinstation Atocha wordt gepleegd. Hij maakt deze historische gebeurtenis in Madrid mee, is erbij, maar neemt hij er ook aan deel? Deelname maakt van een estheet een ethicus. Adam kan er ook toe besluiten in de rol van toeschouwer aan de zijlijn te blijven staan en wat zich op het treinstation afspeelt vanaf een afstand registeren, er foto’s van te maken, beelden van te volgen op de televisie en erover te lezen via de journalistieke berichtgeving.

In de Joodse liturgie eindigt het pascha-hallel met Psalm honderdachttien die je kunt lezen als een processie. De processie is een plechtige optocht van priesters en leken binnen of buiten een religieus gebouw waarbij vaak een kruis of een sacrament wordt rondgedragen. In Nederland worden in de plaatsen Overdinkel, Boxtel, Boxmeer en Sittard processies gehouden. Wie fotomateriaal van deze processies uit de tweede helft van de twintigste eeuw bekijkt, ziet hoe mensen zich hebben verkleed als bruidje, koorlid, preister, engel, herder, boeteling, Maria en sint Nicolaas, Romein te paard, Christus en Pilatus en zich omringen met attributen als vaandels, reliekschrijnen en kaarsen. Wat doen mensen in een processie en de tijd die eraan voorafgaat?

De voorbereiding op een processie kun je karakteriseren als het optuigen van mensen die van een gebeuren gaan getuigen. Ze maken zich op, spelen een rol en imiteren in hun ritueel een sociaal-religieuze dynamiek, waarin ze laten zien dat theologisch recht het uiteindelijk aflegt tegen juridisch recht en de opinievorming van de massa, maar dat het ook anders kan. Het is de massa die als een onbepaalde, gezichtsloze hoeveelheid mensen aan de kant staat te kijken en eventueel leuzen scandeert die mogelijk door de beweeglijkheid van de individuele spelers in de processie uit elkaar valt en van haar plaats komt. Op het moment dat de processiegangers de straat opgaan en in een lange optocht een weg afleggen, dan creëren zij de mogelijkheid dat de toeschouwer, die wellicht aarzelend en beschouwend dit gebeuren van een afstand gadeslaat, de stap zet mee te doen aan wat hier wordt gespeeld en uitgebeeld. Uit de rol van toeschouwer en in de rol van participant wordt een mens geloofsgetuige. Zij of hij wordt als het ware in het gebeuren getrokken, verkrijgt de status van betrokkene, maakt er deel van uit.

Die transitie heeft mogelijk gevolgen voor de eigen beleving van een religieus ritueel en voor de eigen reflectie op de plaatsbepaling van ooggetuige en geloofsgetuige zijn. Zo kan de ooggetuige worden opgeroepen om voor de rechter een verklaring af te leggen en plaats, tijd en handelingen te bevestigen. Wat een geloofsgetuige in onderscheid van een ooggetuige doet, is zich via de verbeelding relateren aan een voorziene werkelijkheid die zij of hij vervolgens in de eigen existentie tot uitdrukking brengt. Een geloofsgetuige toont iets van een werkelijkheid die zij of hij zelf wel heeft waargenomen en die voor derden onzichtbaar is.

In Nederland is er onder protestanten een belangstelling voor de traditionele katholieke geloofsrituelen van pelgrimages, processies en heiligenverering en er lijkt sprake van een omgekeerde beeldenstorm nu iconen, kunst en beamer vaak onderdeel uitmaken van een protestantse viering. Die herwaardering is te situeren in een brede cultuur waarin de beleving een centrale rol speelt. Ook binnen de religie lijkt er naast het intellectuele aspect meer aandacht en ruimte te komen voor de gevoelswereld. De beleving kan een toegangsweg zijn voor het je eigen maken van bepaalde religieuze kennis. Wie echter de wereld van hedendaagse processies en iconen wil begrijpen, mag aan het getuigenisgehalte gevolg geven. De icoon trekt je als je in het doek stapt.

De processie doet een handreiking om grip te krijgen op een menselijk drama door in eigen naam in de lange stoet mee te gaan lopen. Op die belichaming is ook de lieddichter van Psalm honderdachttien uit. De eerste ietwat plechtige oproep tot lof is gericht aan het adres van priesters, zij die in het huis van Aäron zijn geboren en dus bij God kind aan huis waren. De tweede categorie mensen die aangesproken wordt, zijn de proselieten, mensen die huiverden bij alleen al de gedachte aan een god. De dichter gaat vertrouwelingen en vreemdelingen via de processie in beweging brengen. De groep van intimi spreekt hij vooral toe met imperatieven. Hij roept ze op om in een soort heilige dans geloofsuitspraken te proclameren om de onbuigzamen, de notabelen in zijn tijd uit te dagen.

Vervolgens vertolkt hij een persoonlijk geloofsgetuigenis, waarmee hij de prominenten wil overtuigen waarom het verkieslijker is af te gaan op theologisch recht, dan op het decorum van historische instellingen. Hij plaatst de lezer(es) voor een keuze. Gedurende een onveilige situatie in zijn habitat in het Oude Nabije Oosten was hij omsingeld. Tijdens de belegering van Jeruzalem was hij omringd door mensen die hem tegenstreefden. De indruk dat zijn laatste uur heeft geslagen, vormt de aanleiding voor een religieuze ervaring: met de dood voor ogen zet hij een lofzang in. Is het mogelijk triomfantelijker met de dood om te gaan?

De dreiging en mishandelingen die hij in een oorlogssituatie onderging, maakten dat hij zich met de dood voor ogen enkel nog verliet op hemelse muziek. De ervaring van deze oorlogsoverlevende hadden van een lijdende die het geweld schuwde een dichter gemaakt. De schone woorden die uit zijn mond komen, putten uit een bron van oorlogsterreur. In zijn reis naar het einde van de nacht had hij zich de gevaren en zinloosheid van bewapening en collectief georganiseerde moordpartijen waarvoor mensen in de rij waren gaan staan, gerealiseerd. Als een hijgend hert was hij aan de jacht ontkomen en zijn vredesvoorstel is een relatie aan te gaan met een niet-zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, omdat alleen die er volgens hem in slaagt dat mensen elkaar niet bevechten. De mens die zichzelf met bladertakken rond het altaar van de Ene plaatst, lijkt goed in staat zich te ontledigen van eigen overtuigingen en belangen en haar of zijn bestaan te voeden met dat van de ander.

Marcus is evenals de psalmist een getuige die een lijdensaankondiging doet. Hij past zijn messiaanse verwachting toe op de intocht van Jezus van Nazareth. Hij beschrijft die scènes niet als een poëet in galant Griek. Marcus bedient zich van een vlotte volkstaal. Hij stond ooit aan de kant en zag in de joodse komaf van Jezus en de conflicten die hij tegelijkertijd met de Joodse en religieuze leiders in zijn context had de voorbode van een vroeg levenseinde. Marcus had hem als ooggetuige niet kunnen redden van de dood, maar beseft wel hoe je de religieuze mens die uiteindelijk in het beklaagdenbankje komt te zitten kunt helpen de dood onder ogen te zien en enigszins draaglijk te maken.

Marcus zou Jezus vereeuwigen en een schat van een vrouw op hem afsturen. In haar blijk van genegenheid biedt ze verzachting voor de dood die ophanden is en verspreidt ze de geur van de mens die in staat is tot opoffering. Een ter doodveroordeelde of terminaal patiënt kan een laatste maaltijd met dierbaren intens beleven. De gelovige kan in de eucharistie de anticipatie op de eschatologische maaltijd met God lezen. Die schaarse momenten waarop een mens instaat voor de ander kun je de vleeswording van het evangelie noemen. Als toejuiching en “Hosanna red me” niet meer baten, kunnen de daden van mensen die present zijn en elkaar in gemeenschap op handen dragen troost bieden.

Amen