Zaterdag 3 april 2021, Protestantse Gemeente Voorhout, zondag 4 april 2021, Protestantse Gemeente Breukelen, zondag 11 april 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 25 april 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop & zondag 2 mei 2021, Amstelkerk Ouderkerk aan de Amstel

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op Stille Zaterdag 3 april 2021 om 21.30 uur in de Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorhout, voor de viering van Pasen op zondag 4 april 2021 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente te Breukelen, voor de kerkdienst op zondag 11 april 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de kerkdienst op zondag 25 april 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop en voor de kerkdienst op zondag 2 mei 2021 om 10.00 uur in de Amstelkerk te Ouderkerk aan de Amstel

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes zogezegd alles uit de kast of liever uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar ‘Johannes’ mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte, de realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in één keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geest oproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het evangelie volgens Johannes is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, en anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord ‘wereld’ tegenkomt, dan duidt ‘wereld’ op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting? Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door definities, noch door identiteiten, noch door polemiek, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in ons zelf, zingt ook Andra Day met haar Rise Up. U kunt deze opname via internet bekijken.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.  

Amen 

Zondag 9 december 2018, ‘De Rank’ Mijdrecht

Preek naar aanleiding van 2 Samuël 7:4-16 en Lucas 1:26-38 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 9 december 2018 om 10.00 uur in De Rank van de Protestantse Gemeente te Mijdrecht

Gemeente,

In de verhalencultuur van het Oude Testament en in de evangeliën van het Nieuwe Testament werken de auteurs vaak met contrasten. Het contrast functioneert als stijlmiddel, waarmee een onderscheid kenbaar wordt gemaakt en wil de lezer(es) prikkelen zich te positioneren. De tekst uit 2 Samuël is te karakteriseren als een verhaal over het ontstaan van de monarchie. Israël krijgt een regeringsvorm, waarbij een koning het land gaat besturen. David zal straks de papieren ondertekenen en de troon bestijgen.

Wie was David? En, hoe zag David de invulling van dat koningschap voor zich volgens de profeet Natan? David was een herder, een beroep, waarbij hij met overzicht over het geheel een kudde schapen bewaakte. Hij zal in de loop van de tijd als herder leiderschapskwaliteiten hebben ontwikkeld, een visie hebben gehad op zijn vak, zich hebben bekwaamd in de technieken van het schaaphoeden en een aantal keren per jaar met de herdersstand hebben vergaderd over actuele kwesties. Het beroep ‘herder’ heeft de status een archaïsch beroep te zijn, het zou behoren tot een oude periode van de beschaving. In Nederland echter bestaan er anno 2018 nog steeds herders, die grote kuddes schapen begeleiden om natuurgebieden af te grazen.

David kon in de weiden waar hij vertoefde, gaan en staan waar hij wilde, werd door niemand beperkt of gehinderd. Hij was volkomen vrij zijn beroep naar eigen inzicht vorm te geven. Natan hoopt dat David die onafhankelijke positie ook in religieuze zaken blijft behouden en zijn godsbeeld niet gaat systematiseren.

In een landelijke omgeving had David God dag en nacht bij zich. David had God bij de hand, zoals een eenentwintigste-eeuwer een tablet, IPod, mobieltje of smartphone bij de hand heeft. In welke uithoek, stal, hei of kooi David ook sliep, daar legde ook God zijn hoofd te ruste. David neemt al heel snel de disciplines van het hof over en stelt bij aanvang van zijn koningschap voor een tempel te bouwen. Nu hij zelf een koninkrijk toegewezen heeft gekregen en dagelijks in een huis en op een troon te vinden is, blijft hij zich binnen een bepaalde omtrek bevinden. David gaat omheint leven en God kon niet dakloos achterblijven. David ging God huisvesten. Je zou David op dit punt kunnen zien als de persoon die symbool staat voor ‘de systematicus’ die God onderbrengt in een allesoverkoepelend systeem. Als de systematicus alle deelgebieden van het systeem heeft gedefinieerd en in kaart heeft gebracht, dan zou dat ogenschijnlijk resulteren in ‘het thuisbrengen van God’. 

Natan is een profeet en zal David prijzen of berispen voor zijn gedrag. David dient tijdens zijn koningschap veel van die natuurlijke, losse omgang met God te behouden. Als koning neigt David tot het domesticeren van God en Natan is hiervoor op zijn qui-vive. Natan roept David tot de orde dat tempelbouw niet tot zijn opdracht behoort. David is geroepen tot koning en niet gezalfd tot priester. Die afgrenzing zal er voor zorgen dat in het boek Koningen de centrale vraag is welke rol religie speelt in de vormgeving van de maatschappij. David mag wel in de rol van koning ‘de onbegrensdheid van God’ gaan cultiveren. Als koning heeft David zo’n machtspositie. 

Natan echter houdt zijn hart vast als een koning God gaat claimen. Het is Natan’s profetie die het beeldverbod bewaakt. Israëls God is beweeglijk, dynamisch, laat zich niet vastleggen en mag juist wel ‘gisten’. Telkens wanneer het spreken over God al te vaste vormen krijgt aangemeten, staat er in de traditie van het Oude Nabije Oosten een profeet op die de dreiging van een statisch godsbeeld van God te niet doet.

Wie zich weinig  gelegen laat liggen aan de chronologische consistentie van historische gebeurtenissen, kan in Natan een iconoclast dat wil zeggen, een beeldenstormer zien. In de joodse religie wordt vanuit de grondhouding van ontzag en het besef van de beperktheid van menselijk spreken over God met grote voorzichtigheid met denkbeelden omgegaan. Niet voor niets wordt de godsnaam niet letterlijk uitgesproken. God krijgt geen concreet gezicht. Zijn gestalte is vaag of bevindt zich op de achtergrond. In symbolen, metaforen en droge beschrijvingen heeft God vaak een masker op. Ze duiden slechts een ‘weg’ aan naar God, maar stellen hem nimmer centraal. God heeft geen kostuum, geen publiek imago, gaat incognito, undercover, stapt het liefst met een zonnebril op in een geblindeerde auto, zodat niemand uiteindelijk kan zeggen: “Kijk, daar gaat God.” God was de grote onbekende van wie je geen kennis kon opdoen via tempelgang.

Maar er is ook een politieke reden aan te wijzen waarom Natan David ervoor behoedt een tempel te bouwen. De aanwezigheid van de tempel zou communiceren dat Israël zijn God gevonden heeft. Met de tempel creëert ze een sfeer van insiders en outsiders: joden die de tempel bezoeken als plaats van samenkomst om er hun godsdienst te beoefenen en niet-tempelgangers. Met de aanwezigheid van zo’n prominent gebouw in de samenleving – een kolossaal gebedshuis waar geen goud voor werd gespaard – zouden de joden vijanden maken onder mensen die er heel andere religieuze of niet-religieuze ideeën op na hielden. De tempel als een belangrijk symbool die de eigen religieuze identiteit markeert, is een gemakkelijke prooi voor destructie als de verhoudingen in een samenleving gespannen zijn. De lancering van een religieus gebouw vindt plaats in een politieke context en daar heeft David niet bij stilgestaan. Natan is zijn adviseur die hem op dat bredere landschap wijst.

David zou er goed aan doen zijn koningschap te beginnen met een oriëntatie in de directe omgeving van het koningshuis. Mensen opzoeken, hen ontmoeten, dialogiseren om op die wijze innerlijke gedachten en gevoelens op het spoor te komen en dan alsnog de afweging maken of hij een voorstel zou doen voor de zichtbaarheid van God in het publieke domein van Jeruzalem. David had als herder geleefd en een vaste woonplaats gekregen. De gedachte vat bij David post nu ook God in een gebouw neer te planten.

De overeenkomst tussen David en Maria is dat ze beide niet om een vorm van bestuur hebben gevraagd. David had de functie van koning niet geambieerd en Maria had geen aanstalten gemaakt hemelkoningin te zijn. In de logica van de bijbel lijkt het er vaak op dat mensen die het minst hun best doen God ‘in bezit te nemen’ iets van hem ontvangen.

Maria is in verwachting, is ontvankelijk voor beïnvloeding van buiten. Het is een vruchtbare houding voor een wonderlijke conceptie. Met de geboorteaankondiging die zij krijgt aangezegd, vindt een omkering plaats, doordat de instelling van het koningshuis in het Nieuwe Testament een theologische betekenis krijgt. Het koningshuis dat Maria vertegenwoordigt, manifesteert zich niet via een vorm van bestuur door heersen en nemen, maar door ontvangen en geven. In dit verhaal wordt Maria zwanger van hoop en krijgt een toekomst toebedeeld, niet op basis van de erotische liefde, maar door een intens verlangen, waarmee ze de ontwikkeling van de geest een stap verder gaat helpen. Ik denk dat dit de christelijke liefde is, die de Griekse liefde voorbijstreeft. Met de eros haal je iemand naar je toe, terwijl je in de christelijke liefde een geschenk te beurt valt. 

Maria’s allereerste liefde was God en die liefde is ze zich tijdens haar relatie met Jozef, die van Davidische afkomst is, altijd blijven herinneren. In die godsrelatie, die geen seksuele bijklank heeft, was ze onafhankelijk. De maagdelijke geboorte verloopt via het oor.

Door de relatie met Jozef zou Maria’s toekomst pas veiliggesteld zijn als ze na haar huwelijk met Jozef zou leven van een bruidsschat – een cultureel gebruik. In haar cultuur gold het huwelijk als het toegangspoortje tot de seksualiteit. Die twee aspecten vormden haar staat van vernedering, waarvan ze zich verlost zou weten. Zoals in Genesis wordt beschreven dat Gods geest over de wateren ging, zo kwam Gods geest over Maria. Die zegswijze geeft een moment van inspiratie aan: het duidt op een ogenblik, waarop je tot creativiteit in staat bent en mogelijkheden ziet. Je hele binnenwereld gaat stromen. Maria is meer dan een geloofsgetuige of ‘geloofsmodel’: ze is het genie van het christendom, een mens met een aangeboren gave bij wie de eros geen voet aan wal krijgt. Maria is een maagd, een creatieve geest, die haar energie aanwendt om nieuwe dingen te maken. Dat is de reden dat zij tot op de dag van vandaag door alle geslachten de hemel in wordt geprezen.

Amen

Zaterdag 10 november 2018, ‘Novawhere’ Purmerend

Preek naar aanleiding van Psalm 24 uit Altijd hetzelfde lied van Gerard Swüste en Matteüs 1:18-25 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de protestantse gebedsviering op zaterdag 10 november 2018 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend

Gemeente,

Kunt u zich nog herinneren hoeveel aandacht er in de media werd besteed aan de abdicatie van koningin Beatrix en de troonsbestijging van Willem-Alexander? De liturg van psalm vierentwintig  zoekt naar een treffend beeld waarmee hij de ontmoeting met God en de intrede van God in de tempel kan bezingen. Met name in de laatste vier verzen trekt hij alle registers open om die entree aan te kondigen en te proclameren. Een beeld dat die feestelijke binnenkomst verwoordt ontleent hij aan de dynastie, het koninklijk huis van zijn dagen.

De psalm laat zich ook lezen als een hymne op ‘bezitters’ en ‘grondleggers’. Wie allerlei voorbereidende maatregelen heeft getroffen voor het opzetten van een bedrijf, kan blijmoedig uitzien naar het moment waarop het startschot eindelijk klinkt, en zij of hij haar of zijn bedrijfsnaam bij de kamer van koophandel geregistreerd ziet staan en in de telefoongids terugvindt. Zo kun je het enthousiasme van de psalmist over de intocht van God in de tempel zien. Met die intocht staat of valt de functie van de tempel. Het leven in de tempel ligt al een tijdje stil, het is ‘stuurloos’, en wil dat leven weer gaan stromen, dan is een bepaalde structuur nodig. Een voorwaarde dat de tempel als heiligdom dienst doet, is dat God en mensen er hun plek innemen. Pas dan zullen van heinde en verre mensen naar deze ontmoetingsruimte toekomen om iets van dat ‘koninklijke’ leven mee te maken.

Wat opvalt is dat de psalmist een zuivere levenswandel als het entreekaartje, de vergunning beschouwt voor het betreden van ‘Gods woonplaats’. Dat puriteinse denken als conditie voor de ontmoeting met God bedingen, kan als keerzijde hebben dat het al gauw trekken gaat vertonen van elitaire gnostiek, religieus fundamentalisme, ideologie en autoritaire, ondemocratische machtsposities. Daarom wordt vandaag de dag van menig kerkelijk vertegenwoordiger ‘transparantie’ verwacht.

Als lezer(es) zou je met de psalmist in discussie kunnen treden over de schaduwkanten van zijn visie, en vragen hoe hij zich verhoudt tot de stelling dat God zich autonoom aan ieder mens als geschenk ‘openbaart’. En wellicht heb ik dat ‘onderonsje’ juist hard nodig op m’n slechtste momenten, die keren dat ik niet zo’n heilig boontje ben.

De psalmist stelt zich ‘zijne koninklijke hoogheid’ voor als een ‘wezen’ dat zich in de ijle atmosfeer van het hooggebergte ophoudt, zoals Paleis Huis ten Bosch door koningin en koning wordt gebruikt voor officiële ontvangsten en bijeenkomsten. Veel van de verhalen in het Nieuwe Testament gaan ervanuit dat God helemaal niet op een berg wil wonen. Op eenzame hoogte God zijn, dat gaat vervelen; onder de mens, tussen mensen, daar ‘gebeurt het heilige’ en dus, zo luidt de boodschap, heeft God zijn alp ingeruild voor asfalt, klinkers en keien.

Met zoveel ‘poeha’ als de intrede van God in de tempel en het ‘grote vertoon’ waarmee het bestijgen van de berg wordt bezongen in een liturgie, zo heimelijk en stilletjes schrijft Matteüs over de geboorte van Jezus. Hij doet het bijna op fluistertoon, zo ongemerkt en onopvallend lijkt hij het ontstaan van Maria’s geesteskind te presenteren.

De tekst roept vragen op over de aard van Maria’s verlangen en de wijze waarop de relatie tussen Maria en Jozef functioneert. Waar was Maria zo vol van? Hoe kan het dat Jozef niet op de hoogte is van wat er in haar binnenste omgaat? Een suggestie is dat Maria, een jonge vrouw die nog aan het begin van haar leven staat en is uitgehuwelijkt, het nog helemaal niet ziet zitten in het huwelijksbootje te stappen.

De levensverbintenis die zij aangaat, geschiedt niet vanuit haar zelf, op vrijwillige basis. Geen mens heeft haar iets gevraagd. Er is over haar levensloop beslist, zonder dat zij daar zelf inspraak in had. Maar zo zijn we niet getrouwd!, heeft Maria allicht gedacht. Maria had misschien wel plannen op een heel andere manier tot volle wasdom te komen. In plaats van dat zij haar oog op Jozef heeft laten vallen, hoopt ze op een ‘reddende engel’, die haar uit die opgedrongen situatie komt verlossen.

Het inkijkje in de relatie tussen Maria en Jozef roept de vraag op: hoe goed ken ik mijn partner? Denkelijk geschiedt er veel in het verborgene, waardoor ik ver van die partner verwijderd leef. Wat zegt het over de communicatie tussen partners als de een barslecht op de hoogte is van wat er bij de ander speelt en ten gevolge waarvan zij of hij situaties verkeerd inschat? Een cruciaal moment om met ‘een engel van de Heer’ om de tafel te gaan zitten en van gedachten te wisselen over de manier waarop je de innerlijke behoeften van de ander kunt begrijpen en helpen tot stand te brengen.

Voor Jozef, een jongeman die haarfijn wist ‘hoe de dingen hoorden’, zal dat betekenen dat hij een geadopteerd kind als zijn wettige zoon mag aanvaarden. Dat is even slikken, want in de cultuur waarin hij is opgegroeid, is dat niet gebruikelijk. Voor de lijn die hij in gedachten had, wordt een stokje gestoken. De opdracht die hij meekrijgt te staan achter dat dappere ventje uit Nazareth zal van hem een man maken die zich in de toekomst minder gelegen laat liggen aan ongeschreven regels en verwachtingspatronen die in zijn milieu gewoongoed waren. Het vormt ook het ‘offer’ dat hij zal brengen om Maria voldoende ruimte te geven in hun relatie en haar tot bloei te laten komen.

Onze tekst uit Matteüs heeft het herstel van verhoudingen als thema. Dat herstel wil zeggen dat het leven van de een niet ten koste gaat van het leven van de ander. Dat je de vinger aan de pols van je relaties houdt. Dat in samenlevingsverbanden geen enkel mens opgesloten komt te zitten. Dat er geen maatregelen worden getroffen waardoor iemands potentie in de knel komt. Die voorwaarden leiden de messiaanse tijd in die afrekent met biologie en het begin inluidt van christologie. Wie haar of zijn geest laat verzachten door ‘Gods geest’ bruist van leven, zowel in de privéruimten achter de eigen voordeur, als in de openbaarheid van het publieke domein.

Amen