Tag Archives: Openbaring

Zondag 29 december 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & dinsdag 31 december 2019 ‘Hervormde Kerk’ Hoogmade

Preek naar aanleiding van Psalm 25 en Openbaring 22:8-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 29 december 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum van de Protestantse Kerk Castricum en voor de viering van Oudjaar op dinsdag 31 december 2019 in de Hervormde Kerk te Hoogmade van de Protestantse Gemeente Hoogmade-Rijpwetering

Gemeente,

Als u terugblikt op uw leven zoals u uw leven het afgelopen jaar leefde, doet u dat dan ook in beelden, en zo ja, welke? Waarom denken mensen over hun leven na in termen van beelden?

De auteur van het boek Openbaring schrijft voor een groep gelovigen die in de uitoefening van hun religieuze beleving veel weerstand ontmoetten. Zij leefden in een samenleving waarin de Romeinse keizer als heer van de historie en de wereld werd geadoreerd. Sloeg je op school, in bibliotheek of boekhandel een geschiedenisboek open, dan trof je als Israëlitisch burger kolommen tekst aan waarin de keizercultus breed werd uitgemeten: op menig pagina stonden levensgrote illustraties van een koning, keizer of ander politiek-economisch gezagsdrager, doorkruiste je de stad dan kwam je in het imperium van de keizer om de tweehonderd meter een standbeeld van hem tegen, wie betaalde gebruikte daarvoor muntgeld met een afbeelding van de keizer. Als inwoner was het de plicht van de Israëliet te participeren in die keizercultus. Het weigeren de keizer te erkennen als hoogste gezagsdrager van zowel een politiek als een ideologisch rijk riep vijandigheid en vervolging op. Een bijkomstig probleem was dat die keizer beweerde zijn gezag op religieuze basis uit te voeren. Een vorst die zijn macht stoelt op religie heeft al gauw het laatste woord. De religie wordt dan een middel om mee te schermen.

Johannes vond die Romeinse keizer een beest. De keizercultus plaatste de religieus gelovige voor een onmogelijk dilemma. De ziel van de gelovige was permanent op weg naar ‘de Ene’. ‘De Ene’ eiste al haar of zijn aandacht op en zij of hij wilde trouw blijven aan haar of zijn eerste liefde. De gelovige lag aan Gods voeten en kon die vorm van religieuze aanbidding niet opbrengen voor een mens, die devotie kwam ook de keizer niet toe.

Johannes dacht lang na over het genre dat hij zou hanteren om de christenen in zijn tijd aan te sporen te volharden in hun weigering aan de keizer te geven was des Godes is en God te geven was des keizers is. Een argumentatief betoog of historisch relaas kon hij wegstrepen. Een traditioneel religieus volkslied achtte hij te simpel en te swingend voor de hachelijke situatie waarin de gelovige zich bevond en zou al gauw het karakter krijgen van een ‘heiligenmars’ die kwaad bloed zette bij de vertegenwoordigers van de keizercultus.

Wat Johannes gaat doen, is een museum creëren waarin schilderijen hangen die gezamenlijk een eschatologie uitbeelden, dat wil zeggen ‘een begin van het einde’ van in zijn geval een keizerrijk. En daarmee luidt hij ‘een nieuw jaar’ in. In een literair, geschreven werk beeldt hij, als zat hij voor een schildersezel, zijn visioenen uit en doopt zijn ‘pen’ daarbij in de apocalyps. De apocalyps is de natuurlijke taal van de religie. Het is de taal van de openbaring waardoor de gelovige in staat is haar of zijn geloof tot het einde toe vast te houden en te beleven. De apocalyps is een goudmijn van profetie. Een apocalyps doet geen voorspellingen over het einde van de empirische wereld, gaat niet over wat een wereld gaat overkomen.

De apocalypticus begeeft zich niet op het gladde ijs van de speculatie waar een religieus gelovige in haar of zijn tijd bovendien niet mee geholpen is. Een apocalypticus is een figuur die ‘beelden’ voor zich ziet en opschrijft met als doel gevoelens bij de lezer(es) op te roepen en een reactie teweeg te brengen. De lezer(es) mag zich als een museumbezoeker vrijelijk van zaal naar zaal bewegen en zelf bepalen welke schilderij haar of hem aanspreekt, op welke wijze zij of hij door ‘het visuele’ wordt geraakt en hoe zij of hij er antwoord op gaat geven. Het is alsof Johannes achter een projector staat en sheet voor sheet laat zien, in de hoop dat de stemming van de Israëliet omslaat. Hij zegt een bepaalde hoop voor en geeft daarmee een religieuze uitleg van zijn tijd.

In de wijze van de openbaring die Johannes voor zijn tijdgenoten uitvouwt, ervoer de gelovige dat er religieuze mededelingen en boodschappen over de werkelijkheid werden gedaan. De openbaring bood de gelovige oriëntatie in een werkelijkheid zoals het luiden van een klok, het meten van de wind op een mast met een anemometer of een krant je helpen je positie te bepalen. De gelovige kreeg met de bezorging van de openbaring het idee dat haar of zijn smeekbeden en klaagliederen werden verhoord. Op al die sheets werden beelden en metaforen gebruikt die, als je ze met elkaar verenigt, een pad uitstippelden waarop de voet van de gelovige kon gaan. De apocalyps heeft bijna de functie van een klok: ze gaf de huidige tijd aan en begeleidde de gelovige naar de toekomst. De metafoor die Johannes gebruikt voor het leven is die van een weg.

En er gebeurt nog iets meer in de apocalyps. Zoals een eenentwintigste-eeuwer de symbooltaal in de openbaring nauwelijks kan begrijpen, zo stond ook een Romein voor een raadsel met dit type schrijven. En dat is precies Johannes’ intentie, want met zijn beeldbeschrijvingen bedient hij zich van een figuurlijke, overdrachtelijke taal die voor de christelijke gelovige van zijn tijd goed te volgen is. Johannes beschermt en ‘onderricht’ zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd. Schrijft Johannes “engel”, dan wist de gelovige dat hij doelde op een persoon die een boodschap kwam brengen. Gebruikte Johannes het woord “kleding”, dan las de gelovige daarin ‘iemands kwaliteit, waardigheid of handelwijze’. Las je “zegel”, dan betekende die term ‘iemand toebehoren’. “Alfa en omega”? Dat gaat over begin en einde. En kwam je het subjectivum ‘boek’ tegen, dan kon je al raden dat Johannes daarbij aan de zin van de geschiedenis dacht. Al lezende ontcijferde en ontleedde de religieus gelovige Johannes’ beeldtaal. Die taal is dus heel geschikt om op een voor de Romein verkapte wijze de Israëliet te ondersteunen in de verwoording van levenservaringen, geloof uit te drukken dat tot de verbeelding spreekt, emoties op te wekken en tot handelen aan te zetten.

Lijken Johannes’ schetsen nog op enige wijze op de wereld waarin wij leven? Hoe ziet ons heden eruit? Hoe kijken wij naar onze tijd? Valt er nog iets van de toekomst te verwachten? Welk type beelden spreken ons aan op een manier dat wij er iets van onze tijd in herkennen? Hoe verhoud ik mij tot de wijze waarop hedendaagse publieke figuren voorstellingen naar voren brengen over de wereld, de ander, de geschiedenis en de toekomstige tijd? Herken ik het dilemma van de gelovige in die Romeins-christelijke cultuur dat er op een bepaald front zoveel aandacht van mij wordt gevraagd, dat ik die intensiteit niet kan opbrengen en tot het besef kom dat ook ik geen twee heren kan dienen? Het gebed van Johannes om de komst van God die feestelijk de stad van licht en leven opent, is dat een utopie of kan ik er ook iets van zien in de suiker op de warme oliebollen, de slagroom in de nieuwjaarsrolletjes, knallende champagnekurken, feestkleding en het siervuurwerk dat schittert aan de hemeltrans?

Oudjaar leent zich voor bespiegeling. Het is alsof je een laken optilt waar je behalve eerder slechts contouren te zien, nu ook onder kunt kijken. Voor het aankomende jaar kunnen leidvragen zijn: waarnaar is mijn ziel onderweg? Naar wie kijk ik uit? En ik neem me voor – niet als teken van egozwakte, maar als geloofsact – loyaal te zijn aan mijn passies, ook als die moeilijk te realiseren zijn, omdat ik in waarheid wil leven. Dan leef ik niet in tegenspraak met mezelf, maar leid ik een leven in overeenkomst met een notie van God.

Amen

Zondag 20 mei 2018, Open Hof Bleiswijk en Oude Kerk Voorburg

Preek naar aanleiding van Genesis 11:1-9 en Handelingen 2:12-20 uit de Groene Bijbel voor de viering van Pinksteren op zondag 20 mei 2018 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk Open Hof te Bleiswijk en uit de Naardense Bijbel voor de Vesper op zondag 20 mei om 19.00 uur in de Oude Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorburg

Gemeente,

Het begin van het boek Genesis voert een mensbeeld op waarin de auteur van de visie getuigt dat het individu zonder de vonk van de geest een vegetatief en een niet-zelfgenoegzaam bestaan leidt. Na de beschrijving van ‘oertoestanden’ komen we in heel ander vaarwater terecht. Er is sprake van de eerste vormen van een samenleving, bevolkingsgroei en expansie. Mensen zijn noch ‘wilden’, noch nomaden meer en hebben zich gevestigd. Met het uitdijen van de bevolking is er meer ruimte nodig allen te huisvesten. Mensen kijken uit naar bouwgrond, stellen bouwplannen op, brengen die onder de aandacht van aannemers, en bedrijven werken samen om hun ‘bouwprojecten’ uit te voeren. Als er niet langer in de breedte woonruimte beschikbaar is, dan wordt er in de hoogte gebouwd. Wolkenkrabbers verrijzen in de skyline van het Oude Nabije Oosten.

Aandacht schenken aan andere wereldgodsdiensten is niet alleen bevorderlijk voor de oecumene, het is ook vruchtbaar voor vreedzaam samenleven. Maar met de komst van gebouwen in de lucht, ontstond bij de volkeren in Mesopotamië een vijandige houding ten opzichte van de religie van de Babyloniërs door het geestelijke overwicht van hun godsdienst en de bijbehorende god Marduk.

De auteur reageert op de collectieve energie van zijn geloofsgenoten die in een soort ‘samenzwering’ tegen de Babyloniërs via een toren aan het opbieden zijn en het is zijn overtuiging dat respect en, als het even kan, samenwerking en dialoog – en geen concurrentie en monologen – aspecten zijn van de joodse openbaring. Genesis elf vers een tot negen probeert over te brengen hoe God uit Mesopotamië verdween, doordat God niet langer in de ontmoeting tussen mensen met verschillende contexten, etnische achtergronden en geloofsculturen kon oplichten.

Een toren die onderdeel uitmaakt van een religieus gebouw, doet denken aan de fysieke verbinding tussen hemel en aarde en vormt voor mensen een oriëntatiepunt. Wilde je in vroeger tijden om wat voor reden ook schuilen, dan kon je aan de toren een veilig adres herkennen. Er valt echter meer te zeggen over het functioneren van de toren als kenmerk van religieuze architectuur in relatie tot het zelfbeeld van een mens. Als bezoeker van een religieuze ruimte ga je het gebouw via de toren binnen. Die toren bepaalt de bezoeker bij haar of zijn historiciteit en ‘natuurlijke grenzen’, en pas daarna begeef je je richting het schip en het koor waar ‘godsdienstoefeningen’ plaatsvinden. Vooraleerst is de mens er als eindig wezen en nadat zij of hij de toren is gepasseerd, wordt de toegang tot God gefaciliteerd.

In het verhaal van de torenbouw van Babel vallen die verschillende functies samen. In een ‘samenballing’ vergeet de mens zichzelf als eindig wezen en bundelt een energie waarmee zij of hij denkt boven tijd en ruimte uit te reiken. De Genesis-auteur legt die daad, die steeds meer beslag legt op menselijke ambities, uit als rebellie tegenover God. De zorg van de auteur is dat indien een mens zichzelf als eindig persoon ontkent, zij of hij niet langer in staat is te overzien wat de eigen handelingen teweeg kunnen brengen in het bestaan van de ander. In dit verband valt ook te denken aan de woede van omwonenden die de komst van een religieus gebouw in een woonwijk kan oproepen.

De auteur vreest een situatie waarin mensen elkaar met hun geloofskennis, godsvoorstellingen en godenverering beginnen te bestrijden en de communicatieproblemen die dat gekrakeel veroorzaakt en die doorwerken op allerlei andere levensterreinen. In zijn literaire drama staat het hele bestaan van het mensdom op aarde op het spel. De oplossing die hij ziet weggelegd voor de ontwikkeling van mensen die bij aanvang van het bouwproject nog in een eenheid verenigd zijn en waarvan hij vindt dat ze hun eigen eindigheid onderschatten, is veelheid. Door een ‘eensgezinde taal’ uiteen te laten vallen, wordt klei steen, asfalt steengruis en valt een hechte taalgemeenschap uit elkaar. Met balal, het Hebreeuwse werkwoord voor ‘in verwarring brengen’ hoopt hij de gedeelde taal van mensen zo te verbrabbelen, dat zij niet langer in staat zijn dit project gezamenlijk tot stand te brengen. De taal verkeert in staat van ontbinding. Het hele bouwwerk die de sociale constructie van de werkelijkheid via de taal constitueert, stort in elkaar. Meertalig zullen mensen elkaar horen spreken, beluisteren en toch ‘woorddoof’ zijn. De een zal de ander vragend aankijken, in verlegenheid raken, niet meer kunnen begrijpen, en de samenwerking zal stranden.

In het Oude Testament wordt op andere plaatsen een ‘middel’ gepresenteerd dat ook weer een einde zal maken aan een situatie van spraakverwarring, namelijk de profetische taal. In het Nieuwe Testament is de remedie gelegen in de komst van de geest en ‘buitenbijbels’ kan de eigen geestesgezindheid weer eenheid stichten. De profetische taal komt mee met de joodse traditie die geworteld is in de ervaring van de mogelijkheid, van een getroffen, een geraakt zijn door de ander. In het jodendom wordt de Ander – met kapitaal geschreven – voorgesteld als een openbaring, die zich onttrekt aan de pluriformiteit en veranderlijkheid van menselijke benaderingen. ‘De grote Ander’, God, stelt uit zichzelf ‘iets’ voor, los van cultuur, etniciteit of taal.

Het is de bron van zin die uit de hoogte een huis optrekt en zich onderscheidt van de veelzinnigheid van culturen. Binnen het joodse denken vormt de presentie van de ander een hoofdlijn. De ander is geen kopie van mijzelf, niet mijn alterego en dat mag ik naar goed joods gebruik ook in het achterhoofd houden als ik de ander benader. De ander is hier een tegenpool die mij uit het solipsisme van het eigen denken haalt en behoedt voor goddeloosheid doordat ik in de relatie met de ander in de godverhouding sta. De mens die in die relatie dezelfde torens bouwt, dat wil zeggen zichzelf hoort spreken, opvijzelt en blijft herhalen, zal altijd weer ‘hetzelfde’ ontdekken. Het joodse mensbeeld zet zich af tegen de mens die beweert dat er ‘niets nieuws onder de (hori)zon is’.

Wie torens van Babel bouwt, construeert een sluitend systeem, waarin geen plaats meer is voor de ander – die vreemde ander die wellicht helemaal niet in mijn schema’s, vooronderstellingen, denkstelsels en spreekwijzen past –, die wordt dan ‘een rest’ die niet in mijn betoog kan meekomen en in het ergste geval ‘in een mortuarium wordt bijgezet’, in plaats van iemand die ik als verrassing ontmoet en ontvang. Het zijn die momenten waarop een profeet optreedt, omdat de profetische taal niet de taal is van wat redelijk en evident is. De profetische taal toont niet aan, maar kenmerkt zich door kritiek op bepaalde praktijken en spreekt in de gebiedende wijs. Nu is de sfeer van de profetie daar aanwezig, waar geen enkel mens een toren kan bouwen van waaruit zij of hij de gehele werkelijkheid inclusief ‘alle anderen’ en de wijzen waarop zij er zijn, kan overzien. De profetische taal die aanspoort, voorkomt enige vorm van totaliteitsdenken. Ze zorgt er wel voor dat ze je zo tot handelen opwekt, dat je ‘de zaak’, namelijk de werkelijkheid en je perspectief op de ander niet rond kan krijgen. Je zou dit het komen van de geest kunnen noemen.

Ook Lucas doet via Petrus in Handelingen twee vers twaalf tot twintig moeite zijn lezer(es)s(en) uit te leggen wat voor soort taal ‘profetische taal’ is en hoe je haar mag begrijpen. De preek van Petrus op pinksterdag is geadresseerd aan de niet-sympathiserende toeschouwers die het extatisch spreken van de leerlingen afdeden als dronkenmanspraat. En inderdaad, als je profetische taal vanuit de rede benadert, dan hoor je een onsamenhangende taal. Gewauwel. Met humor verdedigt Petrus zijn geloofsgenoten door erop te wijzen dat het nog te vroeg dag is voor ‘gelal’. Als het ijs gebroken is, wordt hij ernstig, want ook hier lopen de spanningen in de samenleving hoog op, doordat mensen met de hokjesgeest – niet met heilige geest – hebben geprobeerd ‘de ander’ te ontraadselen en zich beelden van haar of hem te vormen die versteend zijn.

Hoog tijd voor een beeldenstorm, de komst van de geest die al die beeldvorming weer ondergraaft. De dynamiek die ervoor zorgt dat de gebarricadeerde straat naar de ander wordt opengebroken, opnieuw geplaveid en weer begaanbaar wordt. Ze is als de wind die bij vlagen gaat waaien, een glans van korte duur, schaduw op geblakerd land, stroom van heil, waardoor alle verhoudingen weer in beweging komen. Lucas interpreteert dit gebeuren door een joodse bril en grijpt naar de profeet Joël  terug. Het is Joëls raamwerk, waardoor hij deze gebeurtenis kan plaatsen. De entree van de geest die door het eenheidsdenken van het bewustzijn heenprikt, heeft raakvlakken met dat van de theofanie op de Sinaï. Er komt veel geraas en vuur aan te pas.

Hoe zouden Lucas’ toehoorders hebben gereageerd? Zouden ze hebben begrepen dat getuigen door een profetische taal die wil begeesteren van ander cement is gemaakt, dan de taal van het verstand, waarmee zij bekend waren en die hun vertrouwd was? Volgens Lucas is het de taal van ‘wat je voor je ziet’, ga je ervan dromen, openen zich vergezichten. Ze is als een woord dat een weg wil wijzen, richting geeft en ruimte biedt. Wie met een nieuwe werkelijkheid of een andere manier van spreken dan eigen is in aanraking komt, kan volgens de evangelist niet langer leven en handelen als voorheen. Je gaat merken dat je als mens verandert, dat je jonger wordt. Niet voor niets werd de heilige geest uitgestort op de volgelingen van Jezus: die stond een hele tegennatuurlijke wending voor.

Amen

Oude Kerk Rijswijk, 31 december 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 25 uit 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis en Openbaring 22:8-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Oudjaar op zondag 31 december 2017 om 19.30 uur in de Oude Kerk te Rijswijk van de Protestantse Gemeente Rijswijk

Gemeente,

Als u terugblikt op uw leven zoals u uw leven het afgelopen jaar leefde, doet u dat dan ook in beelden, en zo ja, welke? Waarom denken mensen over hun leven na in termen van beelden?

De auteur van het boek Openbaring schrijft voor een groep gelovigen die in de uitoefening van hun religieuze beleving veel weerstand ontmoetten. Zij leefden in een samenleving waarin de Romeinse keizer als heer van de historie en de wereld werd geadoreerd. Sloeg je op school, in bibliotheek of boekhandel een geschiedenisboek open, dan trof je als Israëlitisch burger kolommen tekst aan waarin de keizercultus breed werd uitgemeten: op menig pagina stonden levensgrote illustraties van een koning, keizer of ander politiek-economisch gezagsdrager, doorkruiste je de stad dan kwam je in het imperium van de keizer om de tweehonderd meter een standbeeld van hem tegen, wie betaalde gebruikte daarvoor muntgeld met een afbeelding van de keizer. Als inwoner was het de plicht van de Israëliet te participeren in die keizercultus. Het weigeren de keizer te erkennen als hoogste gezagsdrager van zowel een politiek als een ideologisch rijk riep vijandigheid en vervolging op. Een bijkomstig probleem was dat die keizer beweerde zijn gezag op religieuze basis uit te voeren. Een vorst die zijn macht stoelt op religie heeft al gauw het laatste woord. De religie wordt dan een middel om mee te schermen.

Johannes vond die Romeinse keizer een beest. De keizercultus plaatste de religieus gelovige voor een onmogelijk dilemma. De ziel van de gelovige was permanent op weg naar ‘de Ene’. ‘De Ene’ eiste al haar of zijn aandacht op en zij of hij wilde trouw blijven aan haar of zijn eerste liefde. De gelovige lag aan Gods voeten en kon die vorm van religieuze aanbidding niet opbrengen voor een mens, die devotie kwam ook de keizer niet toe.

Johannes dacht lang na over het genre dat hij zou hanteren om de christenen in zijn tijd aan te sporen te volharden in hun weigering aan de keizer te geven was des Godes is en God te geven was des keizers is. Een argumentatief betoog of historisch relaas kon hij wegstrepen. Een traditioneel religieus volkslied achtte hij te simpel en te swingend voor de hachelijke situatie waarin de gelovige zich bevond en zou al gauw het karakter krijgen van een ‘heiligenmars’ die kwaad bloed zette bij de vertegenwoordigers van de keizercultus.

Wat Johannes gaat doen, is een museum creëren waarin schilderijen hangen die gezamenlijk een eschatologie uitbeelden, dat wil zeggen ‘een begin van het einde’ van in zijn geval een keizerrijk. En daarmee luidt hij ‘een nieuw jaar’ in. In een literair, geschreven werk beeldt hij, als zat hij voor een schildersezel, zijn visioenen uit en doopt zijn ‘pen’ daarbij in de apocalyps. De apocalyps is de natuurlijke taal van de religie. Het is de taal van de openbaring waardoor de gelovige in staat is haar of zijn geloof tot het einde toe vast te houden en te beleven. De apocalyps is een goudmijn van profetie. Een apocalyps doet geen voorspellingen over het einde van de empirische wereld, gaat niet over wat een wereld gaat overkomen.

De apocalypticus begeeft zich niet op het gladde ijs van de speculatie waar een religieus gelovige in haar of zijn tijd bovendien niet mee geholpen is. Een apocalypticus is een figuur die ‘beelden’ voor zich ziet en opschrijft met als doel gevoelens bij de lezer(es) op te roepen en een reactie teweeg te brengen. De lezer(es) mag zich als een museumbezoeker vrijelijk van zaal naar zaal bewegen en zelf bepalen welke schilderij haar of hem aanspreekt, op welke wijze zij of hij door ‘het visuele’ wordt geraakt en hoe zij of hij er antwoord op gaat geven. Het is alsof Johannes achter een projector staat en sheet voor sheet laat zien, in de hoop dat de stemming van de Israëliet omslaat. Hij zegt een bepaalde hoop voor en geeft daarmee een religieuze uitleg van zijn tijd.

In de wijze van de openbaring die Johannes voor zijn tijdgenoten uitvouwt, ervoer de gelovige dat er religieuze mededelingen en boodschappen over de werkelijkheid werden gedaan. De openbaring bood de gelovige oriëntatie in een werkelijkheid zoals het luiden van een klok, het meten van de wind op een mast met een anemometer of een krant je helpen je positie te bepalen. De gelovige kreeg met de bezorging van de openbaring het idee dat haar of zijn smeekbeden en klaagliederen werden verhoord. Op al die sheets werden beelden en metaforen gebruikt die, als je ze met elkaar verenigt, een pad uitstippelden waarop de voet van de gelovige kon gaan. De apocalyps heeft bijna de functie van een klok: ze gaf de huidige tijd aan en begeleidde de gelovige naar de toekomst. De metafoor die Johannes gebruikt voor het leven is die van een weg.

En er gebeurt nog iets meer in de apocalyps. Zoals een eenentwintigste-eeuwer de symbooltaal in de openbaring nauwelijks kan begrijpen, zo stond ook een Romein voor een raadsel met dit type schrijven. En dat is precies Johannes’ intentie, want met zijn beeldbeschrijvingen bedient hij zich van een figuurlijke, overdrachtelijke taal die voor de christelijke gelovige van zijn tijd goed te volgen is. Johannes beschermt en ‘onderricht’ zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd. Schrijft Johannes “engel”, dan wist de gelovige dat hij doelde op een persoon die een boodschap kwam brengen. Gebruikte Johannes het woord “kleding”, dan las de gelovige daarin ‘iemands kwaliteit, waardigheid of handelwijze’. Las je “zegel”, dan betekende die term ‘iemand toebehoren’. “Alfa en omega”? Dat gaat over begin en einde. En kwam je het subjectivum ‘boek’ tegen, dan kon je al raden dat Johannes daarbij aan de zin van de geschiedenis dacht. Al lezende ontcijferde en ontleedde de religieus gelovige Johannes’ beeldtaal. Die taal is dus heel geschikt om op een voor de Romein verkapte wijze de Israëliet te ondersteunen in de verwoording van levenservaringen, geloof uit te drukken dat tot de verbeelding spreekt, emoties op te wekken en tot handelen aan te zetten.

Lijken Johannes’ schetsen nog op enige wijze op de wereld waarin wij leven? Hoe ziet ons heden eruit? Hoe kijken wij naar onze tijd? Valt er nog iets van de toekomst te verwachten? Welk type beelden spreken ons aan op een manier dat wij er iets van onze tijd in herkennen? Hoe verhoud ik mij tot de wijze waarop hedendaagse publieke figuren voorstellingen naar voren brengen over de wereld, de ander, de geschiedenis en de toekomstige tijd? Herken ik het dilemma van de gelovige in die Romeins-christelijke cultuur dat er op een bepaald front zoveel aandacht van mij wordt gevraagd, dat ik die intensiteit niet kan opbrengen en tot het besef kom dat ook ik geen twee heren kan dienen? Het gebed van Johannes om de komst van God die feestelijk de stad van licht en leven opent, is dat een utopie of kan ik er ook iets van zien in de suiker op de warme oliebollen, de slagroom in de nieuwjaarsrolletjes, knallende champagnekurken, feestkleding en het siervuurwerk dat schittert aan de hemeltrans?

Oudjaar leent zich voor bespiegeling. Het is alsof je een laken optilt waar je behalve eerder slechts contouren te zien, nu ook onder kunt kijken. Voor het aankomende jaar kunnen leidvragen zijn: waarnaar is mijn ziel onderweg? Naar wie kijk ik uit? En ik neem me voor – niet als teken van egozwakte, maar als geloofsact – loyaal te zijn aan mijn passies, ook als die worden tegengewerkt, omdat ik in waarheid wil leven. Dan leef ik niet in tegenspraak met mezelf, maar leid ik een leven in overeenkomst met een notie van God.

Amen