Zondag 24 april 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 24 april 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen, waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes alles uit de kast, of liever, uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar Johannes mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte. De realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in een keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geestoproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het Johannesevangelie is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord “wereld” tegenkomt, dan duidt “wereld” op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, hij deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting. Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door polemiek, noch door identiteiten, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in onszelf, zingt binnen de lichte muziek ook Andra Day met haar Rise Up.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.

Amen

Zondag 11 november 2018, ‘Adventskerk’ Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de Cantateviering op zondag 11 november 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven, uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken. Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten, waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden, waarin hij verheldering gaat scheppen.

De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis van fysieke, sociale en emotionele repressie te worden bevrijd. In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft om haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw, die wordt gepresenteerd als “het dochtertje van Jaïrus”, is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting de volwassenheid, en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord “mijn dochtertje”. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer, en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door, waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken. Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven, dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon, die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis, terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen, waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present, en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor een lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze toestand van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord ‘slaap’. Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo, die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar, en hij heeft Jezus van Nazareth als revolutionair nodig om die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd, die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput. In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd.

Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’, is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag, omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. Noli me tangere (Raak me niet aan!) is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil dat wil zeggen, dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof, dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt ‘evangelie’ nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt, omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Zondag 22 juli 2018, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn & Immanuelkerk Ermelo

Preek naar aanleiding van Hooglied 5:2-8 en 1 Johannes 5:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 22 juli 2018 om 10.00 uur in de Oudshoornse Kerk te Alphen aan den Rijn en om 17.00 uur in de Immanuelkerk te Ermelo

Gemeente,

Wie de correspondentie leest tussen de Franse non Héloïse en de middeleeuwse filosoof Peter Abelard, krijgt inzage in de liefdesperikelen van twee ‘intellectuelen’, die heen en weer geslingerd worden tussen de liefde voor religie, filosofie en vrijheid, en erotische verlangens jegens elkaar. Roekeloze extase, erudiete, intieme liefdesverklaringen, wanhopig smachten, publieke schandalen en een ‘wrede scheiding’ geven blijk van een gepassioneerde romance die uiteindelijk geen stand hield. In een passage uit een van de brieven doet Abelard de bekentenis dat hij Héloïse niet werkelijk lief had, hij voelde vooral lust voor haar, waarna hij haar adviseerde haar aandacht te richten op de enige persoon die haar ooit waarlijk lief kon hebben: Jezus Christus, en stimuleert haar zich voorts te wijden aan haar religieuze roeping.

De tekst uit Hooglied vijf vers twee tot acht kun je lezen als een ‘verliefdheidsdocument’, waarin een minnares de psychologische staten ontsluiert, waarin ze zich bevindt, nu ze ziek is van liefde. Een soort ‘kalverliefde’ van jongeren, die nog veel ervaring mogen opdoen in de liefde. De beminde heeft haar eetlust verloren, haar maag krimpt in elkaar alleen al bij de gedachte aan de minnaar, slapeloze nachten heeft ze ervan. Hoe ‘verliefdheid’ technisch gezien in z’n werk ging, wist ze niet precies – feromonen had een chemicus gezegd –, maar zij las en schreef, wandelde uren achtereen in de natuur, reisde naar de meest onherbergzame plaatsen, en kennelijk is er een persoon die haar had opgemerkt, haar zo bekoorlijk vond in de manier waarop ze er was, dat hij van alles had geprobeerd om haar aandacht te trekken.

Je kunt de tekst ook anders lezen, namelijk als het voorstadium van een aanstaand bruidspaar. Het ‘minnelied’ bezingt de gelukzalige roes waarin bruid en bruidegom verkeren. De bruid is op van de zenuwen, bezwijkt bijna, want morgen is ‘de grote dag’. In het Oude Nabije Oosten bestond een type huwelijk, waarbij de vrouw in haar huidige huis bleef wonen, totdat de aanstaande echtgenoot haar kwam bezoeken, en zij vervolgens een huishouden deelden bij hem. Wij ontmoeten de bruid op het moment dat zij het huis nog bewoont en er min of meer in opgesloten zit.

En dan lijkt zich een klein drama in de psychische gesteldheid van de bewoonster af te spelen. Op het punt gekomen dat zij een nieuwe levensfase zal betreden, slaat de twijfel toe. De bruidegom staat in z’n beste pak op de stoep en heeft gedichten en liederen bij zich om zijn liefde voor haar te bezingen. Een viertal woordenboeken had hij bestudeerd om haar met lieve woordjes in het Hebreeuws, Aramees, Perzisch en Grieks haar huis uit te laten komen. Het waren koosnaampjes die als codes fungeerden om bij haar binnen te komen, in de hoop dat zij naar buiten kwam. Het openen van die deur vormde een definitief jawoord.

En toen veranderde de aanvang van de dag die een trouwdag had mogen worden in een treurspel. Bij het ochtendgloren staat de minnaar ongeduldig bij de deur, roept nog een paar keer “duifje”, “mijn volmaakte”, maar het blijft stil aan de andere kant van de deur. Zijn roep vindt geen gehoor, wordt niet beantwoord. Hij knapte bijna uit elkaar, voelde zich gespannen, begon zich zorgen te maken. Geluid, eindelijk. De bruid begon vragen te stellen, stelde zijn motieven ter discussie, riep hem ter verantwoording, maakte tegenwerpingen, wierp praktische bezwaren op, gooide haar emoties in de strijd, maakte niet ter zake doende opmerkingen die de dynamiek van het liefdesspel aan de poort stilzetten. Daar zat ze in haar japon in elkaar gezakt en met haar armen om haar benen geklemd op de vloer en leunde met haar hoofd tegen de muur. Als een roos in de knop had ze haar bladeren gesloten om wat haar zo dierbaar was. Ze was het zinnebeeld van de omslotenheid geworden. Haar vingers trilden, ze snikte, geduld en ongeduld, actie en reactie wisselden elkaar af. De bruid was zoveel geest, dat ze nauwelijks uit de voeten kon met het erotische.

In de tijden van het Oude Testament werd het huwelijk sterk religieus beleefd. Het geestelijke en het erotische vertegenwoordigden twee sferen waar de bruid in de religie mee overweg kon, maar daarbuiten, van mens tot mens, vlees en bloed, had ze zich er geen raad mee geweten. De periode voor het huwelijk in het Oude Nabije Oosten was een kuis gebeuren. Een breed gedragen cultureel-religieuze opvatting was dat de seksualiteit zich pas ten volle kon ontplooien binnen het huwelijk. En nu het zover was, deinsde de bruid terug. De bruidegom stak zijn hand door een deuropening om haar vertrouwen te wekken. Zij verzamelde moed, stond stevig op haar naaldhakken, trok haar jurk weer recht en deed open. Maar na haar opstanding, het vermogen zichzelf te hernemen, zag ze dat haar lief weg was, en start zij een wanhopige zoektocht. Terwijl ze in gescheurde bruidskleding en ladders in haar panty, zonder schoenen, met een behuild gezicht, uitgelopen mascara en vlekkerige lippenstift door de straten rent en riep, zagen de stadswachten, de bewakers van de muren – conservatieve lieden – haar aan voor een waanzinnige, een prostituee of vrouw in een beschonken toestand. Zij beletten haar nog verder op zoek te gaan naar de weggelopen liefste.

De tekst is naast een puur liefdeslied ook vanuit religieus oogpunt te benaderen en is op die wijze in lijn te brengen met de mystiek van de auteur uit 1 Johannes vijf vers een tot zes. De mystiek is een stroming waarin mystici systematisch reflecteren op de uitleg die mensen geven van hun contemplatieve streven naar eenheid met God en innerlijke ervaringen met ‘goddelijke oneindigheid’. Binnen dit genre bestaat er een subdiscipline die zich bezighoudt met bruidsmystiek. Onze tekst uit Hooglied is te situeren in en te exegetiseren vanuit die bruidsmystiek.

De bruid staat op de drempel van een godsontmoeting die haar bevrijdt van de menselijke ziel. Weken voordat dit moment aanbrak, had de beminde een strenge ascese toegepast, lichaam en ziel gereinigd, en hoe leger zij werd, hoe intenser haar ervaringen. Het contrast wordt nu steeds groter: des te duidelijker God tot haar spreekt, des te meer begint zij te stamelen. Het naderende aanschouwen van God, of de geboorte van God in de menselijke ziel plaatst de mens voor ‘het onzegbare’.

De ziel en de ‘reguliere spraak’ lijden onder de gave van het heilige. De beelden in de eerste vier verzen uit Hooglied vijf symboliseren de geslotenheid van de bruid. Als zij opendoet en ingaat op zijn smeekbede, dan deelt God zichzelf aan haar mee. Die ervaring van transcendentie overleeft ze niet, ze houdt nog teveel van het materiële, en houdt angstvallig de deur op slot. Wanneer de zinderende mogelijkheid tot een ongekende genade-ervaring de revue is gepasseerd, God op z’n schreden is teruggekeerd, slaat de beminde voor de wereld op de vlucht, en zal ontheemd zijn, rusteloos, altijd op zoek naar haar liefste, de onvindbare God.

Ook de auteur van onze tekst uit 1 Johannes vijf vers een tot zes beschrijft op mystieke wijze beelden die uitdrukking geven aan het godsverlangen van de mens. Hij is een oude mysticus die schrijft aan mensen in de streek Efeze, die hij pastorale zorg verleent, en die verspreid leven over diverse huiskerken. Hij lijkt er daarbij in te slagen de mystiek te incarneren door haar niet af te zonderen van het wereldlijke, maar de ontmoeting met God te zien in de materiële en historische werkelijkheid. Hij doet dat door zijn lezer(es)s(en) te onderwijzen in de subtiliteiten van het geestelijk leven en een ‘beschermlaagje’ aan te brengen tegen al wat hun ziel bedreigd. De middelen die hij hiertoe inzet, zijn onderscheidingsvermogen en wijsheid. Hij biedt ze een filosofiecursus voor beginners aan en leert hen via de logica netjes te redeneren. Via de weg van het denken kunnen zij iets van ‘goddelijk leven’ nastreven en met aandacht voor het innerlijke kunnen ze iets van ‘waarheid’ bereiken. Geloof is zowel gebaseerd op ‘vlees en bloed’, de empirie, dat wat je met je zintuigen kunt waarnemen en via rationele categorieën interpreteert, als op de uitwerking van wat je in de geest voor je ziet.

Als die analytische vaardigheden en die opmerkzaamheid voor wat zich van binnen afspeelt voldoende zijn getraind, dan kunnen volgens de auteur uiterlijke daden niet uitblijven. Sterker nog, hij leest aan externe daden de geestelijke conditie van de mens af. Die daden bewijzen voor hem een innerlijke realiteit. De rede die teert op het woord en de focus op de eigen binnenwereld, vormen een bron van energie. Ze transformeren de persoonlijkheid. En om zijn visie te illustreren, beschrijft hij hoe het handelen van een persoon die geboren is uit God eruit kan zien. Een mens die in God woont, ervaart een intieme eenheid van geloof en liefde, waardoor zij of hij enig ander tot op het diepste niveau van de innerlijkheid kan liefhebben. Het is agapè eigen zelfs de grootste onmens met behagen en genade tegemoet te treden. Het is misschien wel de hoogste vraag die aan een mens kan worden gesteld, en ook de meest veelbelovende, omdat ze de geest een stap verder helpt. Ze is de overwinning op de zwartgalligheid, donkerte, het hoogtepunt in elke geschiedenis.

Amen

Het Kruispunt Voorschoten, 16 april 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 119:9-16 uit 150 psalmen vrij (vert. Huub Oosterhuis) en Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering van Pasen op zondag 16 april 2017 om 10.00 uur in Het Kruispunt van de Protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

De psalmist in de lange wijsheidspsalm 119 maakt gebruik van herhaling en het is de monotonie die eruit volgt waardoor de lezer(es) die de psalm reciteert het eigen leven erdoor kan verdiepen. In een vertrouwd basispatroon leer je nieuwe aspecten van eenzelfde ‘wereld’ te ontdekken. De psalmist heeft een parcours uitgetekend, zet een paar lijnen uit om je als lezer(es) een grondstructuur te geven. Daarbinnen krijg je de vrijheid het avontuur te zoeken, opgravingen te doen en je eigen leven meer perspectief te geven.

Het met regelmaat lezen van Psalm 119 is te vergelijken met hetzelfde rondje hardlopen waarin je zo gewend bent geraakt aan de route dat je de tijd hebt te mediteren en te observeren, of met een stuk tekst dat je zo dierbaar is dat je het by heart kent en er los van de context je eigen interpretatie van kunt geven. Kortom, als je het stadium van ‘beginner’ bent ontstegen kun je je aandacht verplaatsen naar ‘andere zaken’.

We lopen nu een paar ‘technische’ kanten van de psalm langs om te begrijpen hoe dit loflied is opgebouwd. Wie de elementen van de psalm krijgt aangereikt, ze herkent en weet toe te passen heeft voldoende kennis verder in de psalm eigen wegen te gaan.

Psalm 119 is een poëtisch gebed dat binnen het vroege jodendom een heel meditatieve functie had. Joodse godsdienstige mensen leerden de psalmen uit het hoofd en droegen die in allerlei verbanden voor. De psalm leest in z’n geheel als een acrostichon, dat wil zeggen dat elk couplet begint met een letter uit het Hebreeuwse alfabet. De verssectie negen tot zestien begint met de tweede Hebreeuwse letter Beth. De beth wil bijsturen, kleine correcties aanbrengen. Psalm 119 is bij de poëtische geschriften ingedeeld en maakt binnen de poëtische geschriften deel uit van een wijsheidstraditie. De term ‘wijsheid’ verwijst niet naar academische filosofie zoals je dat vandaag de dag als geesteswetenschap aan de universiteit kunt studeren. Zoals er nu een levensbeschouwelijke doelgroep bestaat van zinzoekers, spirituelen en mensen die belangstelling hebben voor levenskunst, zo formuleert de psalmist een ‘joodse levenskunst’ voor de ballingen. Elk couplet uit Psalm 119 bevat een term waarmee ‘gelovige levenskunst’ wordt beschreven en die de psalmist in het geheel ‘het woord van God’ zal noemen.

De psalmist richt zich in vers negen tot zestien in het bijzonder tot de jongere die in een veelvormige wereld leeft, nog geen geschiedenis heeft opgebouwd en van wie de identiteit nog vele kanten op kan. De joodse jongere die op vreemde bodem vertoeft, is de adressant van onze psalm. De jongere is op zoek naar ‘bronnen van het zelf’, heeft vragen over herkomst, is uit op levensrichting en experimenteert om zichzelf te worden. Als je de psalm woord voor woord herleest, zul je zien dat de psalmist ‘de verstrooide jongere’ in de psalm een thuis geeft. De psalmist heeft zijn lied zo geconstrueerd dat het onder begeleiding van een snaarinstrument als een poëtisch gebed in de privéruimte te gebruiken is. In het rijmen van gedachten hanteert hij een poëtisch stijlmiddel die de jongere uitnodigt meerstemmig waar te nemen. De psalmist spoort de zoekende jongere aan te mediteren. Is hij aan het einde gekomen? Dan verwijst de spiraalvorm weer terug naar het begin. In het maken van die cirkelbewegingen ontsluiten zich niet eerder opgedane inzichten. De herhaling zorgt voor focus die ertoe kan leiden dat de lezer(es) of zanger(es) zo in de tekst of melodie verdiept raakt dat het een vernieuwing van het eigen denken tot gevolg heeft en je als herboren uit de psalm stapt.

In de verwantschap van de verzen ontspint zich een patroon van ‘hoor en wederhoor’, er ontstaat een bepaald proces waarin de verzen wederzijds op elkaar ingaan. Het is een mengvorm die het spiegelbeeld vormt van het menselijk leven zelf met haar grondlijnen en onverwachte wendingen. De psalmist heeft via zijn psalm getoond dat hij mee kan komen in het New York van de joodse jongere. En als de beweging van het pluriforme menselijke leven de jongere teveel wordt, dan loodst de psalmist haar of hem naar de prikkelarme, rustgevende omgeving van de eentonige lof aan een monotheïstische God. De psalm lijkt op een mantra.

De pastorale zorg van de psalmist reikt verder dan de leefwereld van jongeren, want telkens wanneer een mens haar of zijn geloof in zichzelf, God, medemens en wereld begint te verliezen, klaagt en smeekt, dan zet de psalmist in met lof en dank. Zinkt de moed je in de schoenen? Hoort hij een ‘valse noot’? Dan deelt hij complimentjes uit om je vertrouwen weer op te vijzelen. Psalm 119 vers negen tot zestien vormen dus niet enkel verhelderende en elegante verzen, het zijn pastoraal gezien uitstekende verzen!

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken.

Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden waarin hij verheldering gaat scheppen. De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis bevrijd te worden van fysieke, sociale en emotionele repressie.

In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw die wordt gepresenteerd als ‘het dochtertje van Jaïrus’ is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting volwassenheid en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord ‘mijn dochtertje’. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken.

Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze ‘toestand’ van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord slaap.

Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar en hij heeft Jezus als revolutionair nodig die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput.

In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd. Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’ is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. “Raak me niet aan!” is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil, dat wil zeggen dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt evangelie nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen