Zondag 16 mei 2021, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 23 mei 2021, Bethelkerk Den Helder, zondag 30 mei 2021, Het Kruispunt Prinsenbeek, zondag 13 juni 2021, Bethlehemkerk Papendrecht, zondag 20 juni 2021, De Spil Kudelstaart, zondag 27 juni 2021, Ter Coulsterkerk Heiloo, zondag 4 juli 2021, Dorpskerk Zandvoort, zondag 11 juli 2021, De Ark Schiedam, zondag 18 juli 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 25 juli 2021, Stationskerk Hardinxveld

Preek naar aanleiding van Galaten 5:13-26 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 mei 2021 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente te Nieuwveen, op zondag 23 mei 2021 om 10.00 uur in de Bethelkerk van de Protestantse Gemeente te Den Helder, op zondag 30 mei 2021 om 10.30 uur in Het Kruispunt te Prinsenbeek, op zondag 13 juni 2021 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk van de Hervormde Gemeente te Papendrecht, op zondag 20 juni 2021 om 10.00 uur in De Spil van de Protestantse Gemeente te Kudelstaart, op zondag 27 juni 2021 om 10.00 uur in de Ter Coulsterkerk van de Protestantse Gemeente te Heiloo, op zondag 4 juli 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zandvoort, op zondag 11 juli 2021 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam, op zondag 18 juli 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk van de Protestantse Gemeente te Soesterberg en op zondag 25 juli 2021 om 9.30 uur in de Stationskerk van de Protestantse Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

Als je de brieven van Paulus leest, dan kom je daarin de thema’s van vrijheid en geloof, de geest en de ethiek, en evangelie en wet tegen. Ook in de Galatenbrief is dat het geval. De brief van Paulus aan de Galaten, die waarschijnlijk in de Turkse regio Centraal-Anatolië woonden, dicht bij het huidige Ankara, is een document uit de eerste eeuw, dat je een indruk kan geven van de ontstaansgeschiedenis en voortgang van de eerste gemeenten en van de rol die het paulinische christendom daarin speelde. Meer nog dan een historisch document van Paulus zelf, bevat de brief van Paulus aan de Galaten het verslag van zijn bekering, die constitutief is voor zijn eigen religieuze positie. Paulus wil in de Galatenbrief duidelijk maken, dat hij niet via een historische traditie tot het christendom is gekomen, maar dat hij door een ervaring tot een levenshouding is bekeerd. Paulus wil naar die ervaring terugkeren, maar het probleem is, dat hij die ervaring niet van een religieuze uitleg kan voorzien, wellicht, omdat hij die ervaring niet historisch benadert, maar veeleer relationeel en die ervaring ziet als een complex van betekenissen en haar daardoor onbeschreven laat en niet nader interpreteert. Paulus kan en wil zijn ervaring niet via de historisch-religieuze taal van zijn tijd met haar reeds bestaande religieuze en juridische begrippen articuleren en weigert daarmee elke systematisering en verdere schematisering van een voor hem authentieke, originele, individuele ervaring die hij zonder religieuze afhankelijkheden heeft opgedaan en die de drijvende kracht achter zijn nieuwe levenshouding vormt, de motivatie achter zijn apostolische missie in het leven van de gemeenschappelijke wereld. Paulus kan zijn ervaring noch framen aan de hand van Grieks-Helleense ideeën, noch aan de hand van joods-israëlitische concepten. En, om die ervaring intact te laten en er voeling mee te houden, communiceert Paulus er niet uitvoeriger over en maakt zijn oerervaring daardoor voor anderen niet begrijpelijk. Paulus’ bekering is een privékwestie. In plaats van over zijn ervaring te spreken, doet Paulus iets anders: hij bewijst en toont de geest door de authentieke wijze waarop hij zijn tijdelijke leven leeft. Ervaring, geloof, levenshouding en geest, zij zijn het die doen aan existentiecommunicatie, en de apostel Paulus is de figuur om dit te laten zien.

De Galatenbrief wordt veelal gedateerd tussen 50 en 57 na Christus en voordat Paulus zijn brief aan de Romeinen liet opstellen. Deze gemeenten in Galatië functioneerden binnen de context van de politiek en de economie van het Romeinse rijk en hadden tot dusver hun leven geleefd in het licht van de ethiek van het jodendom, met haar nadruk op het naleven van diverse wetten en regels. De brief doet verslag van een conflict tussen Paulus, de Galaten en een groep joodse christenen, maar ook van interne conflicten tussen leden uit de gemeenten van Galatië. Dit conflict wordt eerst theoretisch uiteengezet en vervolgens toegepast op het leven. Veel van de leden uit de gemeenten van Galatië kwamen uit de middenklasse die in de Griekse cultuur waren gesocialiseerd. Zij waren voornamelijk handelslieden, kunstenaars, oorlogsveteranen, en ook slaven. Enkel de gemeenteleden uit de middenklasse kenden economische welvaart en hadden toegang tot de Griekse cultuur. Een ander, groot deel van de bevolking, zoals arbeiders en handwerkslieden, leefden aan de rand van de samenleving. Dit deel van de bevolking wist uit eigen ervaring wat het kon betekenen gediscrimineerd en onderdrukt te worden, mensen uit de middenklasse lazen er met name over. Dit aspect van sociale klasse en de verschillende belangen die ermee samenhangen, spelen een rol in Paulus’ toespitsing op de kwestie van vlees en geest in Galaten 5 vers 13 tot 26. Voor nu is van belang de bekeerling Paulus te zien in zijn strijd met de religieuze opvattingen in zijn bestaan als apostel, een strijd tussen wet en geloof. Het gedrag dat kenmerkend is voor christelijk bewustzijn, is vanuit die strijd te begrijpen. Wet en geloof zijn beide modi, tussenstadia, doorgangen die naar het leven moeten leiden, een doelstelling die de toekomst beheerst. Paulus was zowel Romeins burger als farizeeër en kende de Romeinse en de joodse wereld dus van binnenuit. Paulus wist heel goed wat het betekende om onderworpen te zijn aan zowel de Romeinse wet als aan de joodse wetten, die vooral ritueel, ceremonieel en moreel van aard zijn. Vanwege het evangelie dat hij verkondigde, was hij door vertegenwoordigers van beide werelden lijfelijk bestraft: door de Romeinen via geseling, door de joden met 39 slagen. Je zou kunnen verdedigen dat het ondergaan van deze martelingen een teken is van geest. Wellicht hebben deze lijfstraffen Paulus ook gemotiveerd tot het cultiveren van een houding van je eigen lijden dragen en het opstaan uit je doden versterkt. Tegelijkertijd tonen die lijfstraffen de onverdraagzaamheid van regimes die zich bedreigd voelden door Paulus als andersdenkende, één die een evangelie proclameert van Jezus van Nazareth, een anarchist die mensen probeert in te nemen voor een nieuw leven dat in het teken staat van vrijheid en daarvoor uiteindelijk onschuldig werd gekruisigd. De levensleer van Jezus van Nazareth, met z’n specifieke, onderscheidende manier van spreken, denken, oordelen en handelen heeft het leven van Paulus 180 graden gedraaid. De parallel en de mogelijke identificatie van het lichaam van Paulus met het lichaam van Jezus is niet onbelangrijk: Paulus’ lichaam was een vervolgd, gemarteld en bekritiseerd, een mishandeld lichaam, waaruit wellicht daardoor des te sterker de radicale roep klinkt om de wet of liever het recht van de voorkeursloze naastenliefde, al gelovend en praktiserend, in vrijheid te leven. En werd Jezus uiteindelijk gekruisigd, Paulus zal worden onthoofd.

De Galaten leden aan de ene kant onder het juk van de joodse wetten, aan de andere kant onder de last van het Romeinse gezag met zijn slavenhandel, militaire praktijken en arbitrair rechtssysteem. Stelt u zich voor, dat er voortdurend legertroepen door de wijk waar u woont, trekken en u op instigatie van de overheid verplicht wordt om in de behoeften van het leger te voorzien, u in financieel opzicht met het provinciebestuur moet meewerken om de economische last van de soldij te dragen, dat op de lokale markten waar u uw boodschappen doet, verkoop van slaven plaatsvindt, mensen vanwege hun levensbeschouwelijke overtuigingen vervolgd konden worden, zonder dat dit als een strafbaar feit werd gezien en mensen door de meest invloedrijke politieke bestuurders werden vermoord zonder daarvan een spoor achter te laten.

Het eerste probleem waar Paulus met zowel de Romeinse wet als de joodse wetten op stuitte, is dat zij uitsluiting, discriminatie en sociale verschillen in de hand werkte. In Paulus’ visie was de verstedelijkte samenleving waarin hij leefde, gebaseerd op intolerantie, wederkerigheid, macht, geld en standen. Mensen die dit niet bezaten, waren geen, zoals wij modern zouden zeggen, “kwetsbare individuen”, maar maakten überhaupt geen deel uit van de samenleving. En dus is een evangelie dat pretendeert universeel te zijn, te allen tijde bestemd voor een ieder, ongeacht maatschappelijke status, een ongewenste nivellering van maatschappelijke verhoudingen voor de een, en een bevrijdende, humanistische boodschap voor de ander.

Het tweede probleem dat Paulus met de genoemde wetten had, is dat deze via voorschriften opnieuw tot plichten met verantwoordelijkheden leidde, waarmee hij en de  Galaten opnieuw hun vrijheid verloren. Op basis van Paulus’ ervaring die zijn leven op z’n kop had gezet, stond hij vrij tegenover de tradities die achter die wetten schuilden. Wat hem door de geest werd ingegeven, was een nieuwe standaard voor zijn eigen levenswijze geworden en beveelt hij ook de  Galaten aan.

De brief aan de Galaten is te kwalificeren als een apologetische, retorische brief, die veel emotioneel beladen taal bevat met als doel de lezers te overtuigen van Paulus’ opvatting van het evangelische christendom en van wat aantrekkelijke redenen zijn om je met dat gedachtegoed en die inherente levensstijl in te laten. Paulus is hier als auteur via zijn scribent, die de brief voor hem opschreef, doelbewust uit op polarisatie om een structurele verandering in die hiërarchische samenleving op gang te brengen. Een van de uitdagingen waar Paulus voor staat is die gewenste, op gang te brengen polarisatie niet te lang te laten duren, aangezien kortdurende polarisatie weliswaar productief is om maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen en verschillende, conflicterende belangen te verhelderen, maar langdurige polarisatie zou die Romeins-joodse samenleving nog veel verdeelder, meer gesegregeerd maken dan ze al was. Doorgaans is het relatief makkelijk om groepen te vormen op basis van definities of sociologische kenmerken waarmee mensen zich onderscheiden van anderen, hun identiteit laten gelden op basis van die al dan niet verworven kenmerken en ze in veel gevallen te laten manifesteren als dat in hun voordeel is. Als u bijvoorbeeld denkt aan de wijk waarin u woont, de scholen waarop u hebt gezeten en uw kinderen en kleinkinderen zitten, de omgevingen waar u werkzaam bent geweest, de sociale media waar u gebruik van maakt en uw eventuele lidmaatschappen van allerlei organisaties, herkent u dan hoe deze instanties, instituten en media u definiëren door u te profileren als openbaar versus religieus, nationaal versus multi-etnisch-cultureel, kosmopolitisch versus lokaal, rijk versus arm, theoretisch versus praktisch opgeleid, links versus rechts of Randstedelijk versus niet-Randstedelijk? Paulus nu was gericht op het stichten van een nieuwe geloofsgemeenschap waarin dit type sociale tegenpolen idealiter geen enkele rol meer spelen. Hij treedt op als katalysator en maatschappelijk hervormer door de invloed van die polen te ontbinden.

Paulus echter doet nog iets meer door een speciaal voorstel te formuleren ten aanzien van de Galaten. Paulus heeft een goede relatie met de gemeenteleden van de Galaten ontwikkeld, maar op het moment van schrijven dreigt deze relatie door concurrerende evangeliën die rondgaan, verstoord te raken. De gemeenteleden uit Galatië waren inwendig verdeeld geraakt: welke prediker of evangelist moest men geloven nu zij tegenstrijdige evangeliën verkondigden? In de brief neemt Paulus stelling tegen zijn concurrerende medepredikers.

Paulus gaat zijn best doen om de goede relatie met de Galaten te behouden door een uitgewerkt antwoord te bieden op een vraag die voor hen beide essentieel is, namelijk: hoe behoudt je je vrijheid buiten een wet die je gedrag stuurt door middel van voorschriften zonder die wet te schenden? Volgens Paulus is het mogelijk om je zonder de wet goed te gedragen als je je laat leiden door de geest, waardoor je uit liefde handelt, omdat, één, wie zich laat leiden door de geest niet langer onder de wet staat, en twee, de wet niet gericht is tegen de effecten van de geest, zoals de liefde. Leven in de geest van de liefde leidt inherent tot elkaar aanmoedigen, steunen, opbouwen, helpen en ontwikkelen. Een dergelijke geestesgezindheid maakt dat je geen externe wetten nodig hebt om je billijk en beminnelijk te gedragen, aangezien je een nieuw mens bent, niet langer levend naar de wil van het vlees. De liefde verklaart die wet als overbodig. Op basis van zijn eigen, aan het begin van de preek genoemde ervaring, is Paulus ervan overtuigd, dat enkel het aanvaarden van een andere leiding voor het eigen gedrag dan wetten, kan resulteren in een nieuw leven en de effecten van de geest zal voortbrengen.

Om mogelijke misverstanden over de betekenis van de term “vlees” te voorkomen, als Paulus in Galaten 5 vers 13 tot 26 het Griekse woord sarx, vlees, gebruikt, dan bedoelt hij daar iets anders mee dan er in de biologie mee wordt bedoeld. In de context van de Galatenbrief is vlees een psychische categorie, die staat voor negatieve neigingen, ongunstige tendensen die veroorzaakt worden door de wil van een mens en leiden tot destructief gedrag. Paulus presenteert vlees gewild dualistisch als tegengesteld aan geest. Vlees en geest zijn geen ethische categorieën en gaan hier dientengevolge niet over ondeugden en deugden: het zijn waarneembare gedragingen van twee aan elkaar tegengestelde manieren waarop je je leven kunt leiden. Paulus ziet de negatieve daden uit vers 19 tot en met 21 als bewust gekozen handelingen van het vlees, of, moderner uitgedrukt, als beoogde gedragingen van wilsbekwame mensen, en de positieve handelingen uit vers 22 en 23 als aantoonbare gevolgen van een leven in de geest. Paulus stelling is, dat, als je voor je gedrag niet je psyche, maar je geest volgt, deze de invloed van het vlees zal overtreffen. Voor Paulus vormt die stelling een indirecte aansporing, een advies aan de gemeenteleden uit Galatië, die niet alleen onder de druk en dwang van de wet leden, maar ook het risico liepen hun vrijheid te verliezen door te handelen conform het vlees ten gevolge van de conflictueuze situaties waarin zij zich bevinden. Paulus treedt in die situaties op als conflictmanager die de Galaten zowel verlost van de wet, als hen verlost van de boze. Het paulinische christendom uit de Galatenbrief houdt de christenen van zijn tijd voor boven de wet te staan in de zin van er niet aan gebonden te zijn en boven de negatieve emoties en gedrag van de psyche te staan door je er niet aan te onderwerpen. Dat zijn bekwaamheden ten gevolge van de geest, waardoor een nieuw leven mogelijk wordt en je kunt leven in vrijheid. Het zijn ook noodzakelijke voorwaarden voor geestelijke ontwikkeling.

Amen 

Zondag 14 juli 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 28 juli 2019 ‘Nederlands Hervormde Kerk’ Herveld

Preek naar aanleiding van Psalm 63 en 1 Korintiërs 6:11b-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 14 juli 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en uit De Psalmen van Gabriël Smit en de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 28 juli 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Herveld en Slijk-Ewijk

Zeer gewaardeerde gemeente,

In 2013 werd de Deense film Nymphomaniac uitgebracht. Nymphomaniac vormt het slotakkoord van Lars von Triers’ depressietrilogie, waarvan de twee eerdere delen Antichrist en Melancholia zijn. In de film verhaalt de protagonist Joe van haar lustvolle levensverhaal aan de belezen vrijgezel Seligman. Hij luistert naar de neerslag van haar erotische ervaringen en verbindt en analyseert ze met zijn kennis van de wereldliteratuur. Zoals voor Seligman boeken de prikkel tot het leven zelf waren, zo vormde voor Joe de seksualiteit de impuls tot het leven. Het stelde haar in staat ‘in touch te zijn’ met het menselijk leven zelf. Zodra ze probeert ‘af te kicken’ van haar neigingen, verliest ze haar smaak voor het leven en raakt ze gedesoriënteerd. Seligman probeert de betekenis van Joe’s situatie te vertalen door zich voor te stellen wat het voor hem zou betekenen zonder literatuur te leven. Hij zou duizelig worden en zich verloren voelen.

Ook de psalmist weet wat het betekent ‘zijn God’ kwijt te zijn. Als dichter uit het Oude Nabije Oosten liep hij soms dagen in de woestijn, kwam geen mens tegen, geen berg, boom of plant stak boven die onherbergzame zandvlakte uit. Hij nam er slechts vaag zijn eigen schaduw waar. Ondanks de getroffen maatregelen voor de aan te vangen reis raakten zijn waterbronnen uitgeput. Het duurde lang eer hij z’n dorst kon lessen. Die lijfelijke ervaring van ‘grote dorst’ en de mentale strijd die hij leverde om zich in dat dorre, droge gebied, waarin geen druppel regen valt, als mens staande te houden, gebruikt hij als metaforen om de afwezigheid van God te beschrijven.

De psalmist verlangt intens naar nauw contact met God. Gods presentie is voor hem even fundamenteel als voedsel en water voor de instandhouding van het leven. Zonder God is hij nergens. Hij ervaart zijn lijf als een klomp klei, contourloos en slap, een homp lichaam, waarin gen schijn van bezieling te bekennen is, geen zweem van hoop het opricht en in beweging zet. Het leven verliest z’n kleur, structuur, ‘volume’ en expressie, wordt schaars en armetierig. Naarmate zijn beeld van God zwakker wordt, des te minder kracht hij ervaart van de waarde van het leven zelf en wie hij daarin voorstelde of oorspronkelijk was.

De absentie van God kan voor een filmmaker of auteur haar of zijn grootste angst vormen; voor de psalmist is die absentie even levensbedreigend als vijanden die vluchtelingen in zijn tijd vervolgden en opjoegen. De uitdrukking “dat God niet thuis geeft”, staat symbool voor een periode waarin een kunstenaar – zo ook de psalmist en een ieder die uit is op schepping – geen inspiratie heeft.

Het is in een ‘mager jaar’ dat wij de psalmist ontmoeten, zijn beste productie is een kort lieddicht van drie strofen, waarin hij vertelt hoe zwaar het hem valt z’n bed uit te komen. Hij hunkert naar ‘de aanraking van God’, het enige gebaar waarvan hij weet dat het hem doet opvlammen. De tijd verstrijkt, roepen, bidden en smeken halen weinig uit.

Onze opvatting dat de activiteit van een taalkunstenaar niet uit eigen beweging ontstaat, maar door God wordt ingegeven, verraadt een Griekse trek. In het oude Griekse denken werd de dichter wel gezien als het doorgeefluik van de goden. Zo is de dithyrambe, de aanduiding voor een extatisch lofdicht in de vorm van een beurtzang op Dionysos, de god van de wijn. Wie door de goden werd aangeraakt, in dit goddelijke ritme kwam, vierde de vruchtbaarheid van de eigen productiviteit. Het is geen ‘aanraking’ waarvoor de dichter open hoeft te staan, niet een ‘gebeuren’ dat hij zelf kan afroepen.

‘De komst van God’ kan ook joods en christelijk gesproken door een mens niet worden bespoedigd. In een act van ongeduld of ongeloof kan een mens allerlei religieuze activiteiten ontwikkelen, die beogen God ‘op afroep’ in het eigen bestaan zijn intrede te laten doen. De psalmist is doordrongen van het besef dat hij zijn God niet op eigen initiatief ‘tevoorschijn kan toveren’. Het is wellicht een geloofsdaad naar die levensaanraking uit te zien, er vurig naar te verlangen – om het wat archaïsch uit te drukken: ‘Gods komst te verbeiden’ -, zonder via het eigen handelen te evoceren dat God gebeurt.

De wereld van de erotiek en de religie delen een overeenkomst: het verlangen van de mens zich te openen voor, te delen met en te schenken aan de ander. Het contrast tussen de psalmist die smoorverliefd op God wacht op diens beroering en de apostel Paulus die een man adviseert geen vrouw aan te raken en daarmee een pleidooi voor ascetisme voert, is groot. In welke context deed Paulus zijn uitspraken? Paulus vangt aan met een fictieve dialoog en geeft met de zinnen “Alles is mij geoorloofd” en “Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel” antwoord op ‘stellingen’, waarmee tijdgenoten in Korinthe Paulus’ opvattingen bestreden.

Als wij kijken naar wat Paulus in de tekst doet, dan komen we drie taalhandelingen op het spoor: een ontkenning, een verheldering en een aansporing. De zinspeling op de doop en de beelden van “gewassen worden en heilig worden” roepen een reinheidscultus in herinnering, die hij inzet als remedie voor ontucht. In het Korinthe waarin Paulus zich bevindt, ontmoet hij religieus gelovigen die in hun levensstijl twee uitersten vertegenwoordigen. Aan de ene kant mensen die ongebonden, losbandig leven, en aan de andere kant religiosi die vanuit een soort puriteinse strengheid alle smaakmakers van het leven hebben afgezworen. Waar in het Nieuwe Testament de term voor ‘lichaam’ veelal een symbolische betekenis heeft en voor een bepaalde manier van denken staat, heeft ‘het lichaam’ in dit verband de betekenis van de fysieke gestalte van de mens met al haar noden en behoeften. Volgens Paulus maakt de omgang met de lichamelijke behoeften van de mens, door de twee groepen met wie hij in gesprek is, hen onvrij. Voor de ‘losbandigen’ enerzijds, omdat zij volgens Paulus overhellen naar de zeggenschap van de seksualiteit en de eetlust over het eigen zelf. Wat betreft de asceten anderzijds, omdat zij wensen ontkennen en zozeer disciplineren dat zij, ongewild, niet boven lichamelijke begeerten staan, maar er juist klein door worden gehouden. Voor Paulus representeert de religieus gelovige een positie die gepaard gaat met een houding die ervan getuigd volledig vrij te zijn van een overheersende invloed van het lichaam.

Aan het thema van de schadelijke effecten die een te sterke nadruk op het lichaam kan hebben, zoals overeten en ontucht, die in het uiterste geval tot zelfvernietiging en ontaarding leiden, wordt vaak gerefereerd in de Joodse wijsheidsliteratuur. Paulus doet een voorstel, waarvan hij hoopt dat het beide gesprekspartners helpt zich wat meer naar het midden te bewegen. Hij vergelijkt het lichaam met een tempel, een gebedshuis, waarin een god wordt vereerd – voor de Israëliet een heiligdom. Zoals een tempelbezoeker zich kan voorstellen dat God in een tempel ‘woont’, zo stelt Paulus zich voor dat de geest, die het eigen leven onder de invloed van God heeft gesteld, in de mens woont. De religieus gelovige wil zich verenigen met God, één zijn met Gods geest. Wat er in die eenwording gebeurt, is de totstandkoming van een verscherpt besef van dat wat vergankelijk is en ‘het verrezene’.

In die ‘conditie’ kan een mens niet tolereren dat ‘andere vrijheden’ dan God naar de hand van de mens dingen en zich met haar of hem ‘vermengen’. Paulus gaat zover te stellen dat wie niet langer gedreven wordt door lichamelijke driften geen heer en meester meer is over het eigen lichaam. Het lichaam dat binnen het religieuze domein niet langer door biologische en fysiologische kenmerken wordt bepaald, komt in het bezit van de geest. De god van de buik heeft het nakijken en door een spiritualisering krijgt het erotische iets komisch – het vormt een achter te laten stadium van het menszijn waar je om kunt lachen. God heeft als het ware al zijn kaarten op het lichaam gezet, het lichaam van de mens gereserveerd en de religieus gelovige verlangt ernaar God met het lichaam te ‘eren’. Het paulinische christendom waarvan de tekst getuigt, vormt een kritiek op de uitlevering aan ‘het fysieke’, zoals Paulus die waarnam in zijn tijdsgewricht. Paulus keert de biologie om, die nu als een handrem fungeert om de mens weer te bepalen bij haar of zijn pact met God.

Aan het positieve van Paulus’ inzet is toch ook een bezwaar verbonden. De hoofdgedachte van Paulus’ betoog staat haaks op initiatieven die na het einde van de achttiende eeuw in de politieke filosofie zijn ontwikkeld om mensenrechten te formuleren, waaronder het idee dat alleen het individu soeverein is over het eigen lichaam. Met name voor minderheidsgroepen en in het kader van de emancipatie van vrouwen is de nadruk op het recht van het eigen lichaam een belangrijke stap in de mensengeschiedenis.

Waar bovendien een vergeestelijking van de mens, die nu eenmaal ook uit een lichaam bestaat, op haar beurt de boventoon gaat voeren, daar zal vroeg of laat het lichaam aandacht opeisen. Op die wijze zou je bijvoorbeeld naar de populariteit van de hardloopcultuur kunnen kijken. Vandaag de dag zijn veel mensen cognitief actief en omringen zich met techniek. Het lichaam ‘met haar fijnste tonen’ vraagt om beweging – pezen en spieren verschrompelen als je ze niet frequent traint. Ook binnen de religie is een terugkeer van het lichaam te bespeuren. Een mens heeft tast nodig voor zelfbesef en oriëntatie. Als ik denk, dan doe ik dat belichaamd, via de zintuigen. Indien ik de geestelijke conditie van een persoon wil peilen, dan observeer ik eerst haar of zijn lichaamshoudingen, omdat die indicaties vormen voor iemands geestelijke gesteldheid.

Een manier om vandaag de dag nog overweg te kunnen met Paulus’ tekst is het fragment te gebruiken als een graadmeter. Uit de tekst zijn vragen op het gebied van sociale omgang en interpsychologische processen te formuleren zoals met wie ga ik om, en waarom met deze mensen, door wie laat ik mij beïnvloeden en wat probeer ik te onderdrukken? Met wie of wat ervaar ik eenwording? Wat – om het bijbels uit te drukken – kleeft mij aan? Zijn er relaties in mijn leven die me te klef worden en andere die meer voeding nodig hebben? Het is die bepaling bij ‘middens’ die Paulus’ betoog tijdloos maakt.

Amen

Zondag 5 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Zandvoort, zondag 12 mei 2019, ‘Ontmoetingskerk’ Melissant, zondag 19 mei 2019, ‘Het Trefpunt’ Bennebroek & zondag 26 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 33:7-11 en Romeinen 12:9-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de derde zondag van Pasen op 5 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Zandvoort, voor de viering op de vierde zondag van Pasen op 12 mei  2019 om 09.30 uur in de Ontmoetingskerk te Melissant, voor de JOOST-viering in het teken van Tolerantie in perspectief op 19 mei 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Het Trefpunt te Bennebroek en uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op de zesde zondag van Pasen op 26 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

Wie een bijbelse tekst leest, doet er goed aan zich de vragen te stellen: wie spreekt hier? En, wie zegt wat tegen wie? Dergelijke vragen maken je als lezer(es) gevoelig voor context en de betekenis van taal in een specifieke setting. De tekst uit Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is onbegrijpelijk zonder kennis te nemen van de historische situatie die aanleiding gaf tot dit schrijven. Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is een zelfvisiedocument, waarin Ezechiël, via een omweg, God, tot klaarheid komt over zijn functioneren en identiteit, na een ingrijpende gebeurtenis.

In de tekst fungeert God als de spiegel waartegenover Ezechiël zichzelf plaatst. Nadat hij er goed is voor gaan zitten, ontspint zich een innerlijk gesprek, dat enkel tot stand kan komen, doordat Ezechiël zichzelf in gesprek brengt met ‘een tegenover’. De profielschets die hij maakt, komt tot stand, nadat zich in zijn omgeving een ramp voltrekt. In zijn optreden vóór die ramp, had Ezechiël zijn persoonlijke gevoelens en gedachten voor zichzelf gehouden. Zijn gereserveerde attitude en teruggetrokken levensstijl gaven blijk van een bescheidenheid en gepaste afstand ten aanzien van de medemens. Die medemens was hem heilig en Ezechiël had vrees de ander te direct te benaderen en haar of hem in haar of zijn andersheid té na te komen. Nu is hij van inzicht veranderd.

De val van een stad had een grote storing in Ezechiëls leven teweeggebracht of liever, betekende dé coming out van Ezechiël. Want, in en na zijn optreden, is Ezechiël gedwongen zichzelf bloot te geven, en vergaart hij zich een veel grotere vrijheid van expressie dan voorheen. En misschien kun je zijn daad van mensenliefde eraan herkennen, dat hij tijdens dat stedelijke drama in Jeruzalem gaat doen, wat hij van huis uit liever uit de weg zou gaan of achterwege zou laten: alarm slaan, de aandacht op zich vestigen en de profeet van de dwaze en onredelijke hoop spelen.

In Castricum, Leiden en andere dorpen en steden in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, en op plaatsen in geheel Nederland, klinkt op de eerste maandag van de maand een luchtalarm. Het is een geluidssignaal dat wordt getest om de bevolking bij mogelijk gevaar te waarschuwen en zichzelf in veiligheid te laten brengen. Over een dergelijk alarmsysteem beschikten Ezechiël en zijn tijdgenoten niet. Ook bestond er niet zoiets als een rampenwet met een rampenplan, waarbij met een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines en met behulp van hulpmiddelen, een situatie te beëindigen is.

Ezechiël is Israëls sirene en die taak neemt hij op zich op basis van een intuïtie, een innerlijke noodzaak, een onweerstaanbare drang, vanwege een zaak die als een klap zal aankomen bij de ethisch en orthodox denkende jood. De jood namelijk die denkt dat hij verloren is vanwege misstappen, én de jood met een zondebesef, voor wie het leven zijn glans heeft verloren en die in zichzelf verkromd dreigt te raken, krijgen van Ezechiël woorden aangereikt, waardoor zij een nieuwe visie op de werkelijkheid ontwikkelen. De joden die na de instorting van de tempel zijn achtergebleven, de overlevenden, verkeren in een omstandigheid, waarin ze zich nog beroepen op een oude orde. Dat beroep laat zien dat de gebeurtenis zelf nog helemaal niet aan hun referentiekaders en schemata heeft geschud.

Ezechiël moet wel een drempel over en vindt daartoe de kracht, doordat hij onaangenaam getroffen is door de ravage die de verwoesting van de tempel heeft aangericht. Het is de liefde, waardoor hij het in zich heeft het kwaad te verafschuwen en zich vastklampt aan ‘het goede’. Hij probeert de gedeprimeerde jood, die stem krijgt in vers tien vanuit zijn situatie te begrijpen en vanuit dat begrip aan te raken. In de bittere en wanhopige noodklacht van de jood: “Voor ons is er geen sprake van leven”, hoor je de existentiële pijn van ieder mens voor wie leven en dood op het spel staan. Deze jammerklacht is de collectieve reactie van een volk op een toestand, waarin mens- en wereldbeeld in duigen zijn gevallen, en er behoefte is aan een stem die van binnenuit en van buitenaf betekenis gaat verlenen aan dat grootschalige drama.

In het Oude Testament zie je vaak een profeet opduiken bij situaties die een spoedeisend karakter hebben. Ezechiël gaat de liefde, waar de jood op wacht, in praktijk brengen, protest aantekenen tegen de zelfondermijnende denkbeelden van de getraumatiseerde en depressieve jood, en zal pogen een weg te wijzen. Hij is de wachter en waker van Israël en zal, al spiedend, de gebeurtenissen in zijn tijd in het oog houden, om dan, als er gevaar dreigt, groot alarm te slaan.

Het sleutelwoord dat de parabel uit Ezechiël verbindt met de tekst uit de brief aan de Romeinen is: bekering. Het Nieuwe Testament gebruikt er het Griekse woord metanoia voor. Bekering is een religieus begrip, dat zoveel betekent als ‘tot inkeer brengen’. In een act van bekering ontzegt een mens zich iets, en wordt tot een nieuw inzicht gebracht, waardoor zij of hij zich tot een andere levensrichting wendt. Vaak gaat er een sterke religieuze ervaring aan die nieuwe oriëntatie vooraf. Bekering is niet een eenmalige act, maar een levenslang aanhoudend proces. Als je theologisch over ‘bekering’ wilt spreken, dan zeg je dat bekering niet het gevolg is van menselijke inspanning of prestatie, maar dat ze is bewerkt door de genade van God.

Wat een bekering doet, is een mens helpen af te zien van bepaalde prioriteiten in het leven, deze af te gelasten, af te zeggen en het leven in te richten naar een hoop en levensvervulling in een toekomst die wortelt ‘in God’, dat wil zeggen dat wat je zelf niet bent en hebt kunnen uitdenken. Een bekering is te vergelijken met een TomTom die een uitgestippelde route herberekend en een alternatief parcours voorstelt. Het autonavigatiesysteem, waarbij je een koers hebt bepaald, blijkt tijdens het volgen van de aanwijzingen namelijk niet berekend te zijn op lokale wijzigingen, en ziet af van de ingeslagen weg, gaat terug naar het vertrekpunt en stelt alles in werking te anticiperen op een onvoorzien voorland.

De tekst uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen beschrijft hoe ‘bekering’ eruit kan zien door concrete invullingen van de liefde, de agapè, als een groot contrast neer te zetten ten opzichte van de begeerte, de eros. Eros is in de Griekse mythologie de god van de liefde en heeft als kind van poros – het opportunisme – en penia – de armoede – altijd honger. Eros is onverzadigbaar, permanent ontevreden, rusteloos en is continu bezig vervulling na te jagen. Eros heeft een biologische functie. Een mens houdt met eros de soort in leven. Paulus kende de werking van eros en zijn bezwaar is dat eros momentaan en onkritisch is, doordat eros alleen zichzelf in de ander ziet. Paulus gaat eros overrulen door eros te onderscheiden van een niet-zinnelijke en onzelfzuchtig begrip van liefde: de agapè.

Agapè is niet kortstondig, houdt niet op, omdat ze deel heeft aan de eeuwigheid. Agapè is het protest tegen de stroom waar de mens in drijft en zichzelf in mee laat voeren. Agapè is de uitwerplijn die de mens, die horig is aan haar of zijn driften, en daardoor onvrij is, vanaf de kade wordt toegeworpen. Agapè steekt als het ware een stokje voor de ‘automatische’ opvolging van begeertes en leert een mens daarboven te staan. Ze is waardig, belichaamt een positief ethos en hult zich in een gedaante, waarin ze zich van huis uit niet zou hullen. Agapè is een tegennatuurlijk soort liefde. Het druist in tegen biologie en treedt op als een grote stoorzender van de psychologie, omdat ze pneumatologisch dat wil zeggen, geestelijk van aard is. Agapè is een bereflecteerd soort liefde. Ze haalt je uit de flow van het leven, maakt daar inbreuk op, is een interruptie, een onderbreking die je in staat stelt vanuit een beschouwelijke optiek naar je eigen verlangens en handelen te kijken. Ze ziet af van haar eigen eerste neigingen en belangen, omdat zij, bijvoorbeeld in het geval van Ezechiël, een groep joden uit het slop wil trekken, en in het geval van Paulus, geen wij-zij-cultuur wil scheppen, en de geest een stap verder wil helpen.

Paulus had gezien hoe in een Grieks-Romeinse stad waar een christenbeweging leefde, aan beide kanten groepsdenken vijandbeelden kan creëren, en hoe funest dat kan zijn voor een vreedzame, pluriforme samenleving. Paulus betoont zich in Romeinen twaalf vers negen tot eenentwintig een iconoclast dat wil zeggen een beeldenstormer avant la lettre. Paulus had voor die stedelijke problematiek geen oplossing gevonden binnen de ethiek, omdat ethiek volgens hem geen positieve, nieuwe mogelijkheden schept. De ethiek leert je vooral wat je níet moet doen en volgens haar heb je het altijd bij het verkeerde eind.

Sterker nog, ethiek was voor Paulus een sta in de weg, doordat veel moraal denkwijzen verried die teruggingen op een economie van wederkerigheid. Dat wil zeggen, calculaties als ‘ik verleen jou wat jij wilt en jij geeft mij wat ik beoog’ en, ‘ik geef, opdat u geeft’. Van die principes was het recht en de religie van de Romeinen doortrokken. In dat geval wordt in de jaarrekening van een cultuur evenveel uitgegeven als dat er aan inkomsten wordt gegenereerd, en kan een samenleving niet een volgende stap zetten. Ze blijft bij het oude.

Agapè is niet ethisch, ze is een onlogische, ondenkbare liefde die daar plaatsvindt waar het leven van de mens in haar normale gang wordt verstoord, en die een nieuwe mogelijkheid voorstelt. Die liefde kan een mens onaangenaam verrassen, ze kan onverbiddelijk zijn en de strijd aanbinden met bestaande structuren, juist, omdat ze geen genoegen kan nemen met de status quo, en een hartstochtelijke afkeer heeft van het kwaad en wat daarop kan volgen. Die liefde kan worden aangezwengeld, doordat een concrete medemens mijn pad kruist, die de grondslagen van mijn denken opnieuw gaat bestraten door mij anders te leren denken. Het is een plaveisel dat telkens weer dient te worden gelegd. De bereidheid de eigen denkkaders te herzien in de relatie die ik met de ander aanga, kun je kwalificeren als een offer dat agapè onderscheidt van eros.

Tot slot, als je die paulinische opvatting van agapè doortrekt naar het eigen leven, dan kan dat betekenen dat je kritisch gaat kijken naar criteria en beoordelingsinstrumenten aan de hand waarvan een gebeurtenis, proces of ontwikkeling wordt geëvalueerd. Zo kan, ik noem maar een voorbeeld, de levenskwaliteit van een religieuze geloofsgemeenschap of cultuur worden afgemeten aan de mogelijkheden die zij individuen te bieden heeft, in plaats van naar ledenaantallen of het nationaal bruto product te kijken. Vragen als: wat kan ik in deze omgeving doen? Hoe kan ik er zijn? En, welke mogelijkheden staan op deze plaats voor mij open? kunnen aan die kwaliteit bijdragen. Agapè is dan een wijze van in de wereld zijn, waarbij je een omslag in een manier van denken maakt.

Amen

Zondag 28 oktober 2018, ‘Oude Kerk’ Heemstede

Preek naar aanleiding van Baruch 5:1-9 uit Buiten de vesting en Romeinen 8:18-25 uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 28 oktober 2018 om 10.00 uur in de Oude Kerk van de protestantse gemeente te Heemstede

Gemeente,

Wie het vak logica volgt, wordt getraind haar of zijn perspectief op taal te verschuiven. Een logicastudent(e) kijkt niet zozeer naar de inhoud en betekenis van zinnen, zij of hij is veeleer geïnteresseerd in de vorm van een reeks woorden, die een samenstel vormen om uiteindelijk premissen, argumenten en redeneerschema’s op het spoor te komen en de geldigheid ervan te beoordelen. Het verband tussen deze inleiding en de tekst uit Baruch is dat de tekst uit dit deuterocanonieke boek het karakter heeft van de omlijsting van een schilderij. De lezer(es) wordt uitgenodigd even niet naar het doek te kijken, maar naar de omranding die het kunstwerk inkadert en dat een decoratieve functie heeft.

Baruch vijf vers een tot negen is een bloemlezing over de denkbeelden en gevoelswereld van de joden over de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap die erop volgde. De tekst leest als een gedicht en kan als speech op een feestdag in een religieuze ruimte worden voorgedragen. Het is een hooglied van troost en hoop met profetische allure. Na een periode van rouw port Baruch de gedeporteerde joden op om te kijken of zij, na zich enigszins te hebben aangepast aan een nieuwe situatie, klaar zijn voor een nieuw perspectief.

Baruch is een modestylist, iemand die een intrinsiek verband ziet tussen menselijk gedrag en kledingstijl. In zijn verbeelding gebruikt hij dan ook beelden uit de wereld van kleding en textiel, die als metaforen nieuwe betekenissen moeten scheppen in Israëls ervaringen en interpretaties. Dit Joodse volk gaat al geruime tijd gekleed in het zwarte gewaad van boete en gebed, en wat Baruch betreft is het de hoogste tijd het rouwkleed te verruilen voor een kostuum van stralende schoonheid en gerechtigheid. De dresscode die Baruch voorschrijft is wit en feestelijk.

Die gedeprimeerde joden vormden een groep en versterkten elkaar in hun treurstemming en lijden. Het bleek voor de individuele, goedgemutste jood moeilijk zich los te maken uit ‘een weeklachtcultuur’. Het is uitgerekend Baruch die als secretaris werkzaam was en op enige afstand van het joods collectief stond, die in staat zal zijn de in een escorte weggevoerde joden op te beuren en te bemoedigen. Hoe troost hij?

Door de aandacht van zijn lezer(es) te richten op verandering en een nieuw perspectief te schetsen. Of liever, door een oud geloof in een nieuw jasje te steken. De joden in den vreemde dienen hun blik te richten op het oosten, de band met Jeruzalem te onderhouden en mogen er vanuit gaan dat ze, thuisgebracht door ‘die grote gemene deler’, weer samenkomen en zich opnieuw organiseren in een bezielend verband. Baruch mikt op een groot weerzien.

Hij gaat voor zijn belofte van herstel te rade bij Jesaja, die hij via de priester Jeremia, zijn werkgever voor wie hij veel brieven schreef, had leren kennen. Baruch neemt uitdrukkingen van hem over om de joden toe te spreken en aan te sporen vreugdevol uit te kijken naar wat er volgens hem voor hen in het verschiet ligt. Tot het zover was, zouden de joden in de diaspora als toeristen tijdens ‘een vakantie’ hun rituelen blijven herhalen om de gedachtenis aan hun thuisland levend te houden. Als lezer(es) kun je zijn schrijfstrategie vergelijken met een ouder die al een tijdje op het schoolplein staat te wachten, totdat de bel gaat en het kind, dat die dag voor het eerst naar school ging, ophaalt. Zodra het kind de ouder tussen een menigte van ouders heeft ontdekt, rent het op de ouder, die inmiddels in gebukte en open houding het kind begroet, af en vliegt het in de armen. Een ander voorbeeld is het gevoel ontroostbaar te zijn na een relatie die op de klippen loopt en na verloop van tijd zien hoe door die situatie nu ook ruimte vrijkomt voor andere levensinvullingen.

Paulus en Baruch delen eenzelfde mensvisie namelijk, dat de mens geroepen is tot heerlijkheid, in wat voor hachelijke toestand zij of hij zich ook bevindt. Ook Paulus stelt een omgang met lijden voor door via overbrugging alvast vooruit te lopen op de toekomst. En er is meer dat hen bindt. Paulus bevindt zich in een soort spagaat nu hij de drang voelt te benadrukken dat hij zijn religieuze levenservaring moeilijk aan zijn omgeving kan aanpassen. Dat milieu, ons materiële universum, is ingebed in eindigheidsstructuren, en volgens Paulus is het rabbijnse onderwijs dat hem ter beschikking stond onvoldoende in staat de effecten van al wat van voorbijgaande aard is, op een zinvolle manier te plaatsen. De wet, primair opgevat als ritueel en ceremoniële aangelegenheden, was niet in staat de neergang en de dood, waar het menselijk leven en al wat er mee samenhangt in de kosmos op uitloopt, tegen te houden. Geen enkel theologisch systeem of religieuze constructie is bestand tegen de tand des tijds.

Paulus is op zoek naar een duurzaamheidsvisie. Hij zet een persoonlijke spiritualiteit, of liever, zijn levenservaring in die het euvel van de vergankelijkheid het hoofd moet bieden. Met zijn voorstel strooit hij zand in de raderen van de zandloper van de tijd. Hij gebruikt de metaforen van zwangerschap en bevalling om heel affectief en aanschouwelijk lijdenssituaties te illustreren. Woorden als “kreunen”, “barensweeën”, “zuchten”, “verlossing”, “zwakheid” en “verzuchtingen” roepen die lijdensbeelden en connotaties op. En als Baruch zet Paulus al zijn kaarten op de categorie van de hoop. Lijden ontstaat veelal door een gebrek of gemis. Uit dat tekort valt veelal ook een voorwerp van verlangen af te leiden, te benoemen en te projecteren in de toekomst. Naar de verwerkelijking van de inhoud van dat verlangen kan een mens reikhalzend uitzien.

Paulus hoopt dat die hoop aanstekelijk werkt en als een lopend vuurtje rondgaat. Sterker nog, mens en wereld dragen zelf het zaad van verlossing en vereeuwiging in zich, zo is zijn overtuiging. Wat zouden die termen ‘verlossing’ en ‘vereeuwiging’ voor een mens in de eenentwintigste eeuw kunnen betekenen? Voor iemand die erg assertief is, is een suggestie los, receptief in het leven te gaan staan, de eigen denkbeelden af te zwakken en belangen te laten varen om ruimte te scheppen voor de inbreng en initiatieven van de ander. Voor een mens die haar of zijn voorstellingsvermogen vooral voedt met externe stimuli of veel digitale overuren maakt, kan het inhouden zich te oefenen in dagdromen en mijmeringen, de fantasie in werking te stellen door minder te letten op wat er in de buitenwereld gebeurt.

Het ‘project’ van Paulus kan de vraag oproepen of het de gevolgen die meekomen met de eindigheidsstructuren van ruimte en tijd, waarin de mens zich bevindt, teniet gedaan zijn door metafysisch denken. Paulus wil iets absoluuts en relativeert vanuit die wens de feitelijke werkelijkheid.

Ten opzichte van Baruch vindt bij Paulus een omkering plaats. Als een rode draad loopt door het Oude Testament dat de Israëlieten moeite hebben met de onzichtbaarheid van God, en als oudtestamentische auteurs over God spreken, dan doen ze dat in concrete taal. Paulus situeert de manifestatie van God langs de weg van de hoop in ‘het onzichtbare’, dat wat je al wel met je geestesoog kunt waarnemen, maar wat nog niet praktisch is vormgegeven.

Transcendentie dat wil zeggen, ‘dat wat de eigen denkcategorieën en ervaring te buiten of te boven gaat’, kan niet voorkomen dat ik mijzelf zolang ik leef telkens in een fysische werkelijkheid beweeg. Naast Baruch die oproept terug te keren naar een wereld die achter de joden ligt en naast Paulus die inzet bij een leven voorbij de horizon kunnen wij, als wij ons willen verzoenen met de huidige leefwereld, lerend van Baruch en Paulus, proberen er ook voor te kiezen een eigen leven op te bouwen. En onderweg af en toe terugblikken, het verleden present stellen en kijken hoe een ieder zich daartoe verhoudt, en in verwachting van gewenste, mogelijke en haalbare gebeurtenissen. Dan houd ik mijn leven op peil en het lijden daarin binnen de perken.

Amen

Gereformeerde kerk Waarder, 18 juni 2017 en Marktpleinkerk Hoofddorp, 25 juni 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 55:6-13 en Romeinen 7:14-25a uit de Naardense Bijbel
voor de viering op de eerste zondag na Trinitatis op 18 juni 2017 om 18.30 uur in de Gereformeerde kerk te Waarder en op de eerste zondag van de zomer op 25 juni 2017 om 09.30 uur in de Marktpleinkerk te Hoofddorp

Gemeente,

Een mens kan in haar of zijn leven meerdere aspiraties koesteren die onderling onverzoenbaar zijn. Het haken naar de verwezenlijking van verschillende verlangens kan een bron van conflict zijn. Als een dergelijk conflict op de lange termijn onopgelost blijft, kan het tot chronische stress lijden. Een mentale strategie om een dilemma op te lossen, is te discrimineren met behulp van een toegevoegd criterium. In dat geval wordt niet langer gekeken naar de inhouden, het object van naast elkaar staande en even hevige verlangens, maar vormt bijvoorbeeld tijdsduur de doorslaggevende standaard voor het maken van een keuze voor een van beide innerlijke behoeften.

Op die wijze kun je Jesaja vijfenvijftig vers zes tot dertien lezen, namelijk als een conflicthanteringsdocument. Sion is gedwongen uit Jeruzalem vertrokken, als balling weggevoerd naar een ander land. Ze ging er vanuit dat haar verblijf tijdelijk was, een soort lange logeerpartij, maar naarmate de jaren verstreken, leek een terugkeer naar Jeruzalem haar steeds onwaarschijnlijker. Ze zocht toenadering tot mensen in haar nieuwe woonomgeving, bouwde netwerken op, had een baan gevonden, een partner versierd en was actief op het gebied van cultuur en religie. Ze was geïntegreerd, voelde zich thuis op haar huidige adres en had haar oude leefstijl inclusief godsdienst achter zich gelaten.

Op een dag ontving Sion een oproep of ze zich niet verkiesbaar wilde stellen voor het Israëlische parlement. Ze had daar wel oren naar, al was het maar omdat de feminisering van de Joodse politiek wat haar betreft een volgende stap mocht zetten. Ze wist ook direct dat ze werkgelegenheid als speerpunt op het politieke programma zou zetten. Sion voelde zich heen en weer geslingerd tussen een oude wereld waarvan ze dacht dat die ‘niet meer was’ en haar recentelijk opgebouwde leven in Europa. Ze had ruggespraak gehouden met een vriendin die in het verleden naar Afrika was geëmigreerd, daar een koffieplantage was gestart, een mede door de Afrikaanse orale vertelcultuur gevierd auteur van verhalenbundels was en zitting had genomen in de gemeenteraad van haar geboortestad. Hoewel die vriendin de nadruk legde op haar eigen, singuliere ervaringen die niet als uitgangspunt konden fungeren voor een advies aan Sion, klonk in haar betoog wel door dat ze terughoudend was in haar enthousiasme voor een terugkeer naar oude geloofswortels en de oprichting van een liberaal jodendom dat integratie met een seculiere maatschappij voorstond.

Sion hinkte op twee gedachten, maar helde na dit gesprek toch over naar de optie vooral te blijven zitten waar ze zat. Totdat er een brief, Jesaja’s epiloog, bij haar op de deurmat viel, er opnieuw tweespalt werd gezaaid en Sion weer terug bij af was. In zijn openingsvers had Jesaja de kreet van een straatventer nagebootst en in z’n gehele nawoord zou hij dat karakter van een marktkoopman die zijn waar probeert te verkopen, blijven behouden.

Sion kende Jesaja nog uit haar jeugd en herinnerde zich hem als een figuur die nogal profetisch uit de hoek kon komen en overliep van originele gedachten en invalshoeken. Veel van zijn stijl en betoogtrant was onveranderd gebleven.

Jesaja had vernomen dat op Sion een beroep was uitgebracht deel te nemen in de lokale politiek en was in jubel uitgebarsten. Hij had z’n mantel omgegord, was naar buiten gerend en had in het wilde weg Eureka! geroepen. Hij zag het helemaal voor zich: Sion in de regering, dat zou de wederopbouw van een land en een gouden eeuw voor het joods-zijn betekenen. In zijn hallelujastemming leken de bewegende boomtakken op in elkaar klappende handen. De doorns, obstakels die hij eerder zag, leken nu op groeiende cipressen. De distels, ingediende bezwaren van menigeen tegen Sions benoeming, Jesaja deed ze in al z’n lyriek van de hand. Er groeide een mirtenboom voor in de plaats. Hij had Sion leren kennen als een zelfstandige vrouw die overwegend autonoom opereerde. Ook in deze kwestie zou ze mans genoeg zijn haar eigen beslissingen te nemen.

Jesaja handelde soms een beetje dwangmatig en schreef, door hartstocht gedreven, een onwetenschappelijk naschrift waarin hij als een traditionele godsdienstwijsgeer sprak en Sion ongevraagde adviezen meegaf. Hij zou het document later als slothoofdstuk in zijn boek opnemen. Jesaja kon zich het dilemma waarin Sion mogelijk verkeerde, een dubbele onzekerheid, goed voorstellen en hoopte dat ze geen overhaaste besluiten zou nemen. Het woord dat Jesaja tot Sion richt, vormt een ongehoorde oproep dat hij met veel uitroeptekens lardeert. Hij vat er nog eens zijn kerngedachte samen en beseft hoe sterk die afwijkt van de teneur van de Umwelt dat wil zeggen het milieu waarin Sion zich beweegt. Dat milieu roept Sion in supermarkttaal op vooral haar leven in eigen hand te nemen, in balans te zijn en grip op haar eigen leven te hebben.

Jesaja heeft een wat roekelozer, heteronomer mensbeeld dan naar voren komt in die slogans en rebelleert tegen levensvisies waarin de mens wordt voorgesteld als de regisseur van het eigen leven. Hij acht die antropologie te contextloos en te optimistisch. Het zou de mens loszingen van haar of zijn relationaliteit en de grenzen die meekomen met haar of zijn eindigheid, miskennen. Jesaja had zich ook afgevraagd of zelfcontrole volstond voor zelfwording en had die vraag negatief beantwoord. Jesaja belichaamt een theïstische positie die ertoe moet leiden dat het vinden van een oplossing voor tweestrijd niet voortkomt uit de eigen inschattingen en oordelen en die ‘de menselijke logica’ voorbijstreeft. Hij ziet in dat de mens in tegenspraak met zichzelf, zichzelf kan overstijgen. Hij roept die tegenspraak in het leven door als alternatief voor zelfmanagementtaal reclame te maken voor een maatstaf die anders is dan het zelf en die door die alteriteit een eis aan Sions leven stelt die ze er zelf niet aan kan stellen. Die eis van datgene dat boven Sion uitwijst, dringt haar terug binnen haar grenzen en zou haar op een punt brengen waarop ze uit de moeilijkheid komt twee conflicterende wensen te willen verenigen.

Hoe komt Jesaja op dit welhaast bovenaardse idee? Wel, door om zich heen te kijken op zoek naar algemene inzichten over menselijk gedrag in de hoop dat hij die langs de weg van deductie zou kunnen reduceren tot steekhoudende uitspraken over de mens. Jesaja had de vraag ‘Wat is de mens?’ uiteindelijk beantwoord vanuit de observatie dat de mens een strevend wezen is. Zij of hij beweegt zich permanent naar een plaats met mogelijk andere personen waar zij of hij een bepaalde activiteit ontwikkelt. Dat strevende karakter van de mens leek hem nu juist de aanleiding te zijn dat een mens niet uit zichzelf in balans kan komen.

De mens, zo zag hij om zich heen, die zichzelf zelfstandig, van God los in het bestaan handhaafde en louter op eigen kracht het meervoud in haar of zijn bestaan probeerde op te heffen, die slaagde er niet in rust te vinden en kon voor de ander een brokkenpiloot worden. Het laatste fundament voor besluitvorming had hij dan ook niet gezocht in de mens zelf, maar in het andere buiten haar of hem. Hoofdstuk na hoofdstuk zou hij zijn lezer(es) oproepen zichzelf met die goddelijke grond te verbinden. In de relatie met een transcendente partner, dat criterium van boven, leunt de mens in de schommelstoel van haar of zijn ideaal achterover. Kortom, Jesaja huldigt het standpunt dat de mens zich God voor ogen dient te stellen, zichzelf ten overstaan van God dient te plaatsen zodat zij of hij een eigen standaard ontdekt en een vaste grond vindt voor een persoonlijk, ondubbelzinnig besluit.

En toen verscheen Paulus op het wereldtoneel. Wie dacht met Jesaja’s theologische antropologie een richtsnoer voor menselijk handelen en in het bijzonder voor besluitvormingsprocessen in handen te hebben, ontmoet in Paulus een criticus van de bewering van het jodendom dat de verhouding van de mens tot God een voldoende voorwaarde is voor de bevrijding van de mens uit haar of zijn innerlijke verdeeldheid. Voor Paulus is de reflectie op de oorsprong van de wil die in zichzelf verdeeld is en daardoor niet langer vrij en de oplossing die Jesaja voor dit probleem voorstelt, onbevredigend. Daarbij zij opgemerkt dat de vertreksituaties voor beide figuren verschilt. Voor Jesaja is de vraag “Hoe kan ik kiezen uit twee mogelijkheden waarin de een geen voorrang heeft op de ander?” terwijl voor Paulus twee vragen fundamenteler zijn, namelijk “Wie is het subject van mijn handelen?” en “Wat kan ik doen als ik mij volstrekt machteloos voel?”

Wat zijn nu Paulus’ argumenten? En, wat zijn de vooronderstellingen in dit brieffragment uit de apostolische periode? God is voor Paulus een bron van problemen, een vat vol tegenstrijdigheden. Zit de mens eenmaal op het terras van de oneindigheid, die schommelstoel waarin zij of hij zo heerlijk achterover kan leunen, dan wordt een mens in de ogen van Paulus een tamme gans of een mak schaap. Paulus vindt Jesaja’s voorstel op twee punten problematisch. Jesaja komt tot algemene uitspraken over de mens en tot een principe dat geen oog heeft voor de actualiteit van gebeurtenissen. Paulus is een verschildenker die let op het specifieke van elke unieke situatie die, als het aan hem ligt, om een bijzondere benadering vraagt. Hij zal zijn voorbeelden uit de gedachtenwereld van heidense denkers kiezen om te laten zien dat Jesaja’s voorstel tot een situatie van geestelijke dood leidt.

Bij Paulus betekent leven passie, onrust. De ethische vraag “Wat zal ik doen?” kan volgens hem niet worden beantwoord met een algemene uitspraak die voor eens en voor al staat als een huis. Dit is Paulus veel te wettisch! Het tweede bezwaar is dat het heden van de mens, het nu, de tegenwoordige tijd waarin zij of hij leeft, met Jesaja’s ‘eis van godswege’ telkens door het verleden wordt ingehaald. Dat heden mag door een doop heen waarin een mens telkens weer een houding van geloof wordt aangezegd. Dat kan betekenen dat die ene mens met wie ik spreek mij zo aanspreekt, dat ik er een vorm van herkenning in vind waarvoor ik buig.

Amen

Protestantse kerk Heesselt, 5 februari 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 96 uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft en Romeinen 4:19-24 uit de Willibrordvertaling voor de viering op 5 februari 2017 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente van Varik en Heesselt

Gemeente,

In 1912 schilderde de Duits-Deense kunstenaar Emil Nolde met expressieve roze, oranje en gele kleuren in olie- en waterverf De kaarsendanseressen. Op het schilderij, waarvan u een afbeelding op de liturgie ziet, beeldt Nolde twee dansende vrouwen uit een natuurvolk af. Nolde observeerde graag de uitdrukkingsvormen van vreugde en levendigheid van uitheemse, exotische volkeren.

Ook de psalmist was een mens uit een natuurvolk. Hij groeide op in een agrarisch milieu en was vertrouwd met de woestijn en bossen in het Oude Nabije Oosten. Hij werd opgeleid tot ambachtsman, bewerkte hout en vond als adolescent werk in de meubelmakerij. In de jaren dat hij als meubelmaker werkzaam was, breidde hij zijn repertoire uit en vervaardigde nu ook beeldjes en juwelen die bij toeristen zeer in trek waren. In zijn jeugd las de psalmist de oude profeten en raakte bekend met de joodse liederencultuur. Waar zijn hart uiteindelijk echt naar uitging was dan ook niet de kunst van het houtsnijwerk, maar de muziekwereld. Hoe meer hij zich ging verdiepen in de muziek hoe minder geschikt hij gaandeweg leek te worden voor de meubelmakerij, het beeldhouwwerk en het boerenmilieu waar hij vanaf stamde.

Als de psalmist ter orde komt dat er in Israël een conservatorium wordt geopend, twijfelt hij geen moment. Hij laat zijn oude metier achter zich en schrijft zich in voor een muziekopleiding aan de academie in Jeruzalem waar hij zich zal specialiseren in lied en volksdansen van religieuze stromingen uit de zevende eeuw voor Christus. De lofzang die wij lezen in Psalm 96 is geschreven door deze volleerde beroepsmusicus die in zijn gezang de overgang bejubelt tussen een eerdere en een latere bestaanswijze. Hij componeert een cantate waarin hij ‘het volmaakte leven’ bezingt en zowel fragmenten uit oude liedteksten als nieuwe elementen verwerkt. Hij is zo vol van zijn nieuwe leven dat hij welhaast uitbarst in een kosmische koorzang en dans. Zee en aarde, de tot cultuur omgevormde natuur van open veld en wild woud, hij prijst ze de hemel in. De psalmist is een extaticus die een uitbundige hymne schrijft waarin al het zijnde naar een hoger plan wordt getild. Zijn gloria laat zich vergelijken met de dynamiek, de levenslust en de wil tot scheppen die Nolde in zijn De kaarsendanseressen zo expressief tot uitdrukking brengt.

Voor het maken van de overstap van meubelmaker naar beroepsmusicus had de psalmist in de eerste plaats verbeeldingskracht nodig. Hij diende met zijn voorstellingsvermogen eerst voor zich te zien dat die in bijbelse taal ‘nieuwe aarde’ oftewel nieuwe levensinvulling een werkelijkheid kan worden. Je zou het vermogen je ‘de dingen die nog niet zijn’ voor te stellen een voorportaal kunnen noemen. Een weg naar ‘God’. En de psalmist die een flinke dosis geloof nodig had om dat wat hij voor zich had gezien gestalte te geven en ten uitvoer te brengen, naderde in die realisatie ‘God’. Hij kwam tot God en werd zijn wereld aan zich gewaar.

Ook voor Paulus is aan een daad het geloof van een mens af te lezen. Wie wil begrijpen wat en hoe iemand gelooft, kan kijken naar iemands bestaan en haar of zijn handelen daarvoor als richtpunt nemen. Zoals de uiterlijke mens je veel kan vertellen over diens ‘innerlijke gesteldheid’, zo kan de wijze waarop een mens er is zichtbaar maken hoe zij of hij gelooft. Wat een mens over zichzelf, de ander en van de wereld gelooft, toont zich in haar of zijn lef, de activiteiten die zij of hij ontplooit.

Wat Paulus in zijn brief aan de Romeinen doet is ‘het historische geloof’ ter discussie stellen en zijn geloofsvisie introduceren. De geadresseerden van zijn brief bestaan vooral uit Joden en Grieken aan wie hij in een uitvoerige correspondentie probeert uit te leggen hoe een mens zich verhoudt tot God namelijk via geloof. Voor hem is de existentie en de geloofsdaad van een mens bepalend voor de wijze waarop een mens haar of zijn relaties tot de overige componenten in het leven vormgeeft.

Het voorwerp van geloof is een ideaal waar een gelovige zich naartoe beweegt en waar vertrouwen voor nodig is dat ideaal tot stand te brengen. Als voorbeeldfiguur kiest Paulus Abraham en wijst op zijn attitude, niet op zijn leeftijd, etniciteit of lichamelijke gezondheid om het hart van geloof te illustreren. Een mens kan, zoals Abraham, de honderd jaar passeren en nog steeds manieren vinden om aan het eigen leven zin te geven. Er is geen enkele reden voor een oudere op haar of zijn ‘oude dag’ niet nog een nieuw project te beginnen of zich in een nieuwe hobby te storten. Zolang een mens leeft staat de toekomst nog uit en kun je de belofte afleggen ‘meer te worden’, anders te zijn dan je al was. Op die wijze had ook Abraham, de patriarch van de ouderdom, zijn geloof laten groeien. Biologisch gezien konden hij en Sara, die onvruchtbaar was, geen kinderen krijgen: de andro- en menopauze hadden hun intrede gedaan. Maar geestelijk gesproken konden Abraham en Sara nog best een kind baren, zoals je wel ziet dat gepensioneerde stellen na hun arbeidsleven een enorme vitaliteit aan de dag kunnen leggen door veel te reizen, nog een studie te volgen, een huis te gaan bouwen of een bedrijfje op te starten.

Een religieus gelovige, zo willen de auteur uit Genesis met Abraham en de apostel Paulus duidelijk maken, ‘doet iets’ dat zich niet binnen de grenzen van geijkte verwachtingspatronen of algemene normen bevindt. Als je vanuit het domein van de rede een gelovige ‘bestudeert’ dan kun je oordelen dat het object van geloof vrij absurd is, een waanzinnig idee, een ‘ongehoorde belofte’, onbestaanbaar, maar een gelovige is helemaal zeker van haar of zijn zaak. Honderd en nog dromen genoeg, daar doet een tanend lijf geen afbreuk aan. Ook Abraham had van jongs af aan de smaak van geloof te pakken en grossierde erdoor in ‘nageslacht’.

Voor Paulus hoeft de historische dimensie, dat wat gekoppeld is aan de wetten van ruimte en tijd en het empirische, dat wil zeggen ‘dat wat zintuiglijk waarneembaar is’, helemaal geen stokje te steken voor de verwezenlijking van een doel waartoe een mens zich gelovig verhoudt. Het probleem van de geschiedenis is dat het een versteende zekerheid kan vormen die een mens ervan weerhoudt om op weg te gaan. De greep van het verleden, zo zag ook Paulus in, kan een mens achterhalen en stil doen staan. De historie kan nogal dwingend zijn, een mens ‘gijzelen’, vastpinnen op een plaats, een denkraam vormen dat een mens klein houdt. Een geschiedenis daagt niet uit om ‘voorwaarts’ te leven en geloof is het medium dat een mens ertoe brengt naar een toekomst toe te leven. Paulus wil de gelovige uitbeelden en doet dat door haar als een correctie op de geschiedenis en het zichtbare te presenteren. En des te groter het bewustzijn van God dat een mens kan hebben, des te groter zij of hij droomt en hoe ambitieuzer de gelovige wordt.

Paulus roept zijn lezer(es)s(en) op zich over te geven aan ‘die grote droom’ – noem het een goddelijk woord – en daar werk van te maken. De droom laat vaak iets zien van het diepste verlangen dat in een mens kan huizen en dat zich soms op hele onverwachte momenten als een ‘popupschermpje’ in je bewustzijn aandient. ‘Iets’, een inzicht kan je dan ineens heel helder voor ogen staan. Paulus brengt het belang van levenskeuzes in herinnering, roept op te luisteren naar wat je wil, nieuwe perspectieven te aanvaarden en je er ‘afhankelijk’ van te weten. Wie naar die ‘stem’ luistert, haar verstaat en volgt, kiest voor het leven zoals alleen een mens zelf het eigen leven kan leiden, het eigen leven waaraan je verknocht kunt raken. Het persoonlijk leven is als een ‘project’ waar een mens hartstochtelijk van mag houden, een examen waar geloof voor nodig is om aan te tonen dat je ten volle leven kunt. Voor Paulus is die ‘proef’ het enige wat voor God telt. Met zijn uiteenzetting haalt hij een streep door een beroep op etnische identiteit en markeert het belang van de religieuze identiteit.

Vragen die in het kader van die religieuze identiteit een rol spelen zijn: hoe getuigen de daden van een mens van geloof? Ben ik in mijn leven mijzelf geworden? Heb ik mijn dromen nagejaagd en grenzen verlegd? Is mijn levensproject gelukt en zo niet, houd ik er dan toch aan vast dat ik er ooit wel in ga slagen? Hoe heb ik geprobeerd moeilijkheden te overwinnen en problemen opgelost? Hoe ben ik omgegaan met mogelijkheden die een ander mij aanreikte? In hoeverre ben ik trouw gebleven aan mijn verlangens en ambities? Als een mens in staat is dergelijke vragen positief te beantwoorden, te ‘beamen’ dan kan dat aanleiding geven tot een groot halleluja. Je kunt dan ‘in de gloria’ zijn, in alle staten.

Door geloof haalde Abraham de honderd. Een mens, een eeuw oud, een eeuwigheid en nog altijd veerkrachtig. Het is als met Noldes De kaarsendanseressen. Er kan door zelftrouw in alle levendigheid en losheid ‘uitzinnig’ worden gedanst, als de psalmist uit volle borst worden gezongen en, als door Paulus, naar onbekende plaatsen worden gereisd om er onbekende mensen te ontmoeten en er mee te converseren en te disputeren.

Amen