Tag Archives: Recht

Zondag 17 februari 2019, ‘Gereformeerde kerk Zaandijk’ & zondag 24 februari 2019, Hervormde Gemeente Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Jesaja 56:1-7 en Matteüs 15:21-28 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 17 februari 2019 om 10.00 uur in de ‘Gereformeerde kerk’ te Zaandijk en uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 24 februari 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente Zevenbergen

Gemeente,

Daar zit hij dan, Jesaja, tussen de brokstukken van zijn geloof. Om zich heen liggen flarden tekst als puzzelstukken op de grond: perkament met historische beschrijvingen, een bundeltje geloofslessen, pamfletten met beloftes, delen van een roman, waarin de auteur gewag maakt van zijn visionaire gedachten, een huwelijksakte, een paar belijdenissen en vellen met redactionele correcties. Jesaja zoekt naar een manier waarop hij deze verzameling van uiteenlopende en uit elkaar gevallen documenten zal rangschikken. Hij had op een tweesprong gestaan: of ieder residu apart behandelen en reconstrueren of alle overblijfselen tot een eenheid te smeden. Hij koos voor de laatste optie en gaat verschillende schriftelijke informatiebronnen met hun eigen patronen, kleur en motieven aan elkaar naaien als tot een lappendeken. Op die manier zorgt hij voor theologische continuïteit in de verbrokkelde teksten van de joodse religiegeschiedenis.

Van de beloften die door zijn voorgangers waren gedaan, was weinig terecht gekomen. Het leven in een metropool met zoveel mensen en functies was weerbarstig en kon de plaats van belofte en haar vervulling niet moeiteloos overbruggen. Uit eerbied en collegialiteit had Jesaja ze als een appendix aan zijn tekst toegevoegd. Hij zet ze achteraan, laat ze niet achterwege, maar moffelt ze wel een beetje weg. Jeruzalem, de stad die symbool staat voor het welslagen van ieders levensproject, ligt namelijk in puin. Het is nu niet de tijd voor formele toezeggingen.

Jesaja zal een prominente plaats toekennen aan de ethiek, de enige aangewezen weg om de miljoenenstad weer op te bouwen en de godsdienst nieuw leven in te blazen. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem had haar stedelingen opgeschrikt. Mensen waren in rep en roer. U kunt de impact van die gebeurtenis vergelijken met de watersnood van 1953, waarbij de dijken in het deltagebied braken en grote delen van de provincie Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden onder water liepen, de cafébrand in Volendam of de terroristische aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Dan ligt het leven in een stad overhoop, chaos alom, buitenstaanders zitten aan de buis gekluisterd en een land houdt zijn adem in. Het zijn van die schaarse momenten waarop ‘de loop der dingen’ wordt verstoord, er een knik komt in de flow van het menselijk leven zelf.

Jesaja had verwacht dat de ruïne waarin de tempel – lees het godsdienstige leven – verkeerde in het leven van mensen zo’n breuk tot gevolg zou hebben, dat het leven na die tijd niet meer zou zijn wat het voor die tijd was geweest. Alsof de wrakstukken van de tempel zo tot godsvereerders zou spreken, dat zij zouden stilstaan, zich verbijsterd afvragen wat de oorzaken van deze historische gebeurtenis waren en tot de conclusie komen dat het roer van het eigen leven om moest.

Dit proces van bezinning, berouw en verandering van levenswijze noemen we met een religieuze term ‘bekering’. Jesaja’s hoop op het tot stand komen van om- en inkeer bleek ijdel. De gebeurtenis leek eerder aanleiding te geven tot praktijken in een toestand van buiten de orde. Het stedelijk en religieus verval ging gepaard met een morele crisis. Het handjevol mensen dat een beschaving probeert te redden, voelt zich ontmoedigd door de aanhoudende stroom van berichten over plunderingen en rooftochten door de stad. En op de plaats waar ooit hun gebedshuis stond, zijn een paar totempalen neergezet.

Jesaja had in boekrollen gelezen hoe velen voor hem op een vergelijkbare situatie reageerden. Dan werd er in crisistijd of achteraf een profetie geschreven, waarin de ondergang van een tempel deel uitmaakte van een plan, waarin de dingen op een einde liepen en een nieuwe schepping aanstaande was. Of men voorspelde een duizendjarig vrederijk of een paradijs op aarde. In een derde geval zag een auteur kans een messiaanse tekst te produceren: het verdwijnen van de tempel en de periode van destructie die erop volgde had betrekking op de komst van een bevrijdingsfiguur.

Voor Jesaja werken die strategieën niet meer: hij had ze doorzien, ontmaskerd als wanhopige reddingspogingen of als toekomstvisies na periodes van vergane glorie. Bij Jesaja was het stil geworden, hij had in een impasse verkeerd en verlangde terug te gaan naar het begin, waarin God nog door niemand werd herkend en, ooit eenzaam en onzichtbaar, door Hebreeërs via richtlijnen in stukjes werd geknipt.

Na verloop van tijd had Jesaja besloten terug te gaan naar oude, tijdloze teksten. In een paar weken tijd had hij de hele klassieke Wereldbibliotheek herlezen en de religieuze teksten onder het stof vandaan gehaald, apart gelegd en opnieuw ingedronken. Tijdens het herlezen van die oude teksten viel het Jesaja op dat de zwaartepunten van Israëls vroomheid bij het recht en de ethiek lagen. Beide disciplines leken voorwaarden te formuleren en bouwstenen aan te dragen voor de religie.

Die volgorde zou vandaag kunnen betekenen dat je, ik noem maar een paar voorbeelden, eerst met een menswaardig vreemdelingenbeleid voor de dag komt, voldoende arbeidsplaatsen creëert en duurzame contracten aanbiedt, sleutelt aan wetten en wetswijzigingen doorvoert die het niet langer mogelijk maken docenten op grond van hun seksuele oriëntatie te ontslaan en op die wijze geloofwaardigheid schept, en dan kunnen we het daarna over de vormgeving en nadere invulling van religieus leven hebben. Jesaja had die oude teksten bijgeschaafd en herschreven: de wet voorop, met in zijn kielzog de profetie.

En toen ontmoette Jesaja ‘de Kananese vrouw’, die zijn wettisch denken buiten spel zet. Ze waardeerde het ordenende effect van die wet en begreep hoezeer Jesaja de wet als middel nodig had om bakens op te richten in zijn leven dat in duigen lag. Ze had er ook een kanttekening bij geplaatst: ze vond de herhaling die doorklonk in de wet en het universele karakter ervan getuigen van een gebrek aan geloof. Die wet waarin Israëls leefregels stonden geformuleerd, spreidde hij als een koepeldak uit over het hele mensdom, terwijl die ene, concrete andere mens daar wellicht helemaal geen boodschap aan had. Jesaja had van Israëls kruimels levensgrote broden gebakken en die goed geconserveerd, terwijl het leven zelf en de eigen existentie daarin telkens opnieuw vanuit actuele termen om doordenking en aanpassing vroeg.

Matteüs laat ‘de Kananese vrouw’ de rol spelen van het grote contrast. Waar Jesaja houvast ontleent aan twee stenen tafelen die hij eigenhandig heeft gerenoveerd, houdt de Kananese vrouw de fakkel van het geloof in haar handen. De term ‘Kananees’ is een scheldwoord, waarmee een Jood zijn verachting uitdrukt voor de Griekse handelaar die er, volgens de morele schema’s van de Jood, onethische handelspraktijken op nahield. De Griek leefde in een hele andere denk- en belevingswereld, namelijk in die van weemoedige, erotische vrolijkheid, die zich niet via bijvoorbeeld een wet laat verwerven. Hij is een zakenman, leeft in een snelle wereld, heeft handigheid verworven in het sluiten van deals, waarin een regel de praktijk volgt en niet andersom.

Matteüs zet die laatdunkende term ‘Kananees’ in om de tegenstelling tussen religieuze leiders die zich vastklampen aan de wet en deze buitenlandse vrouw te vergroten. Met haar belijdenis, die het product vormde van haar passie, zou ze inbreuk maken op de gevestigde orde van religieuze machtsbolwerken – en, niet te vergeten, op Jesaja’s denkkaders.

Jesaja is een profeet, bevindt zich vaak in afzondering in de woestijn, leest veel, studeert graag en is overwegend melancholisch gestemd. Indien hij vandaag de dag zou leven, dan zou hij te vinden zijn in een minimalistisch ingericht kamertje van een contemplatieve kloosterorde waar hij een ora et labora, bid en werk, -leven leidt. In tijden van depressie kijkt hij met een droevige blik om zich heen, naar het verleden en al wat daarin onvervuld is. Het zijn die momenten waarop Jesaja’s hart niet meer gelooft, en de bronnen van zijn hoop zijn opgedroogd, dat hij zich op wetten verlaat, en het is de vrolijkheid van de Kananese of liever Griekse vrouw die zijn ongeloof te hulp komt. Zij is opgeruimd, onstuimig, enthousiast en heeft gevoel voor drama en het zijn uitgerekend deze kwaliteiten die Jesaja’s neigingen op de proef stellen.

Jesaja is het verloren schaap van het huis van Israël, waar Matteüs haar als een messiaanse naartoe stuurt. Deze Griekse gaat Jesaja, die het idee van een huwelijk voor zichzelf nooit serieus heeft overwogen, verleiden tot een verbond, waarin zij zo met hem samenleeft, dat het licht in zijn ogen nooit meer dooft. Zij zou spreken, hij luisteren. Zij zou bij hem intrekken en een dochter die ziekelijk was uit een eerder huwelijk meenemen. De zorg die zij samen voor dat zieke kind op zich zouden nemen, zou Jesaja voorgoed van zijn Weltschmerz genezen. Hij zou zijn handen vol hebben haar zijn aandacht te schenken en had niet verwacht dat hij zoveel voldoening uit het ouderschap zou halen. Dit is de handreiking die Matteüs vanuit zijn joodse milieu en christelijk denken aan de Griekse wereld doet. ‘De Kananese vrouw’ doet alle stigma’s, vooroordelen, vijandbeelden, wij-zij-cultuurindelingen en smetvrees teniet. Zij is de messias en marathonloper die met de toorts van het geloof de afstand tussen Athene en Jeruzalem aflegt en Jesaja’s wereld alsnog binnenstebuiten keert.

Amen

Adventskerk Aerdenhout, 5 maart 2017

Preek naar aanleiding van Maleachi 2:10-16 uit de Naardense Bijbel en Marcus 10:1-16 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering op zondag 5 maart 2017 om 10.00 uur in de Adventskerk van de Protestantse gemeente te Aerdenhout

Gemeente,

Heeft u, bijvoorbeeld toen u studeerde, ooit deel uitgemaakt van een dispuut of debating-club? Heeft u ooit bewezen in staat te zijn een standpunt waar u zelf niet achter stond zo sterk mogelijk te laten uitkomen en zo uw rol als discussievoerder en advocaat met verve te spelen? Hebben retorische technieken waarmee je een betoog en de voordracht ervan vormgeeft voor u ooit geleid tot toelating tot een bepaalde wereld?

Maleachi is het nakomertje van de profeten. Om zich een plaats te verwerven binnen het profetendom was hij door enkele dispuutleden uitgenodigd voor een ontgroening. De sociale test van de kennismakingsborrels was hij gepasseerd: hij had een driedelig pak van Dior gedragen, een postmoderne bril opgezet, zijn haar zat goed in het vet en uit een broekzak stak een koker met sigaren. Hij had op die avonden zijn Perzisch accent bijgeschaafd en netwerkte veel. Hij schudde handen, wist een gesprek te openen en te onderhouden, maakte grappen, haalde actualiteiten aan, spreidde zijn kennis tentoon, deelde sigaren uit en hief het glas terwijl hij de slogan van de vereniging uitsprak. Door jaarleden werd hij gezien als een geestig en aimabel jongeman. Na een periode van borrelen zou hij worden getest op zijn welsprekendheid en vermogen een theoretische discussie te voeren. Indien hij ook deze beproeving zou doorstaan dan stond hem een inauguratie te wachten en kon de novice zich scharen in de rij van kleine profeten zoals Hosea, Amos, Micha, Habakuk, Haggai en Zacharia.

De enkele teksten die wij in het boek Maleachi lezen, vormen de disputen die hij tijdens zijn kennismakingsperiode voerde en die in literair bewerkte vorm als dialogen bij elkaar zijn gezet. In totaal zijn het zes theologische disputen waarin de vaardigheid van het debatteren werd beoefend. Niet alleen de inhoud van beweringen en argumentatietechnieken stonden bij het debat centraal, ook een eloquente stijl deed een nieuwkomer in de achting van studiegenoten stijgen. Maleachi twee vers tien tot zestien vormt Maleachi’s derde dispuut waarin hij de bewering verdedigt dat gemengde huwelijken en echtscheidingen verboden dienen te zijn.

In zijn tijd was een deel van de disputen gemengd, maar het dispuut waar Maleachi lid van was, beschouwde gemengde disputen als een ondermijning van de masculiene cultuur van het dispuut. Het derde dispuut vormde voor de auteur een uitgelezen kans om bij monde van Maleachi de identiteit van de vereniging in het openbaar en in het bijzijn van opponenten te markeren. De vragen uit het publiek droegen bij aan de didactische structuur van het dispuut. Ze hielpen hem zijn vaardigheden op het punt van uitleg, redenatie, klachtformulering, bewijsvoering, oordeelsvorming, overtuigingskracht en bezwarenanticipatie te laten zien. De belangrijkste troef die Maleachi in handen had, was het behoud van de huidige identiteit van de vereniging.

Aan het slot van de enscenering zou vrijwel iedere toehoorder beseffen dat Maleachi, die beschikte over een grondige kennis van de geschiedenis van de dispuutvereniging en de kwaliteiten van de stijlleer beheerste, een onhoudbare stellingname verdedigde. Maleachi slaagde daarmee voor zijn debatersexamen en getuigde van profetisch pastoraal optreden. Hij ontketende namelijk een discussie over de uitgangspunten van de vereniging die zouden leiden tot een hervorming van haar beleid. Na 515 waren ook vrouwen gerechtigd toe te treden tot het dispuut, indien ze dat al ambieerden. De viriele, gender discriminerende vereniging werd alsnog een gemengde vereniging. Het was het laatste obstakel dat overwonnen moest worden om te zorgen voor meer horizontale structuren in Maleachi’s wereld. Vandaar dat hij wel de hekkensluiter van de profeten wordt genoemd. Na hem zou er binnen het jodendom niet nog een profeet komen die groter was dan hij. Met zes disputen was hij weliswaar kort van stof, maar als je kijkt naar de reformatie die het effectueerde dan kun je hem gerust naast Jesaja, Jeremia en Ezechiël plaatsen. In al zijn bescheidenheid zou hij niet zijn eigen naam aan het dispuut toeschrijven, maar cijferde zichzelf weg door als aanhef boven het dispuut te zetten: “Een woord van de Ene.”

De auteur van het Marcusevangelie is zowel een politiek als een theologisch debater. Op vergelijkbare wijze als Maleachi zal ook hij om veiligheidsredenen zijn gezichtspunten indirect naar buiten brengen. Je leert hem kennen via de discussies die hij opzet tussen Jezus en de farizeeën. Evenals ‘Maleachi’ is ook ‘Marcus’ geen pleitbezorger van homogeen samengestelde groepen. Zij zagen niets in het scheiden van verschillende mensen die samen goed gedijen. Het evangelie werd geschreven in Italië. De overlevering noemt Rome als de plaats waar het Marcusevangelie is ontstaan. De toehoorders van de auteur waren joodse en heidense christenen die vervolgd dreigden te worden en hun toekomst niet zeker waren. Deze mensen liepen gevaar in het Romeinse Rijk terecht te staan voor autoriteiten die vrijheid van spreken en denken niet gunstig gezind waren. De autoriteiten legden voorgeleiden censuur op in het gebruik van religieuze bronnen; een teken van totalitair recht.

Het is die vrijheidsbeperking die ‘Marcus’ in hoofdstuk tien vers één tot zestien aan de kaak stelt. Na de proloog en enkele verhalen staan wij middenin de argumentatiestijl van Marcus’ evangelie. Hij zet Jezus en de leerlingen in als spreekbuizen van een open, democratische samenleving en laat hen in gesprek gaan met representanten van het farizese jodendom. Let op waar en hoe Marcus zijn protagonist opstelt: als een reiziger die onderweg mensen onderwijst en met farizeeën in debat treedt. De debater staat hier niet in een auditorium of arena, loopt niet door een zuilengalerij en zit niet in het café. Hij is iemand die zich per voet of per schip van herkomst naar bestemming verplaatst. Een reiziger en in het bijzonder een persoon die veel pendelt tussen verschillende samenlevingen, religieuze groeperingen en staatsvormen zal oog hebben voor de condities waaronder haar leden hun handelingen verrichten. De functie van de debater is niet de gebruiken en routines van de samenleving waarin zij of hij zich beweegt te bevestigen en de redeneertrant van gesprekspartners te onderschrijven. Dat zou aan het opvoeren van de rede snel een einde maken.

Als je als reiziger die van woord(en)wisselingen houdt op de plaats van bestemming bent en eventueel tussenstops maakt, kun je vragen naar actuele discussies. Wanneer Jezus in Judea arriveert is er een openbaar debat gaande over de kwestie van echtscheiding. Voor het jodendom van de eerste eeuw en de vroege kerk had die zaak ook een juridische kant. De farizese joden met wie de auteur van het Marcusevangelie via Jezus in gesprek is, stelden zich de vraag onder welke condities echtscheiding wettig was. Voor de farizese joden was die wet heilig, het vormde hun meetpunt en schermmiddel. Zij beriepen zich daarbij op de schrift. Wat Marcus nu doet is hun methode kritisch tegen het licht te houden door hun schriftgebruik met diezelfde schrift te bekritiseren. Hij toont daarmee het failliet aan van de gronden van hun redeneersysteem.

De discussie zou volgens mij nog veel scherper gevoerd kunnen worden door te vragen hoe de destijds geldende wetten tot stand waren gekomen en waarom de farizese joden daar zoveel waarde aan hechtten. Die wetten vormden het terrein van mannelijke privileges. Vrouwen waren niet betrokken geweest bij de wetsontwerpen. En laat dit nu een cruciaal punt zijn: het huwelijk is voor Marcus, als het goed zit, het voor- en toonbeeld van een structuur waarin beiden evenveel invloed hebben. Uit de reactie van Jezus kunnen wij de stellingname van de auteur, als vingen wij een glimp van hem op, afleiden. Hij kent aan pastoraat een groter belang toe dan aan wetten en regelgeving.

De discussie verschuift daarmee van de politieke en juridische naar een geestelijke sfeer. En dat is het nieuwe punt: bij Maleachi is sprake van een verschuiving, maar die blijft binnen het wettische. Bij Marcus heeft de accentverschuiving betrekking op een verplaatsing van het domein van staat en recht naar het geestelijke. Het recht houdt zich bezig met de gevolgen van een echtscheiding voor de rechtspositie van personen die een huwelijk ontbinden. Marcus echter wil niet nadenken over de mogelijkheid en implicaties van scheiding binnen een wettisch kader. Hij wil het thema echtscheiding behandelen als kunst. Marcus’ strategie is vraagstukken in een andere sfeer te trekken.

Het discours over scheiding wijzigt en met die wijziging komen een aantal aspecten van scheiding naar voren die de ‘wetsdenkers’ van zijn tijd niet belichten. Dat in de rechtszaal een decorum wordt hooggehouden terwijl achter de schermen een scheiding vaak als complex en pijnlijk wordt ervaren. Wat een levenslange eenheid had moeten zijn die voor beiden een bron van creativiteit betekende is uitgelopen op een breuk. De vraag die de formele, zakelijke kant van een relatie accentueert namelijk: hoe zijn huwelijk en echtscheiding bij de wet geregeld? komt bij Marcus te vervallen.

De vragen die hij thematiseert zijn: hoe is het huwelijk te bezien als een vorm van kunst en scheiding als een vorm van anti-schepping? Wat staat centraal in het huwelijk tussen twee personen? Wat stond mensen in den beginne voor ogen toen zij besloten met die ene andere persoon een duurzame relatie aan te gaan? Het huwelijk gaf volgens Marcus uitdrukking aan een wederkerige, pluriforme band tussen twee mensen die samen meer voorstelden dan wanneer zij als individu existeerden. Binnen het recht is er een winnaar en een verliezer. Voor Marcus die met een pastorale blik naar de praktijk van echtscheiding kijkt, wordt hier door beide partners verlies geleden. Het is om die reden dat hij de discussie die hij hier voert niet de status verleend van een gewonnen debat in een eregalerij, maar het karakter meegeeft van een annonce die hij een plaats geeft in een lijdensverhaal.

Amen