Tag Archives: Schepping

Zondag 10 november 2019, Protestantse Kerk Castricum, zondag 17 november 2019, Gereformeerde kerk ‘De Ontmoeting’ Koog-Zaandijk, zondag 24 november 2019, Kerkelijk Centrum ‘Emmaüs’ Ede & woensdag 1 januari 2020, ‘Ontmoetingskerk’ Kamerik

Preek naar aanleiding van Genesis 2 en Marcus 10:35-40 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 10 november 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 17 november 2019 om 10.00 uur in De Ontmoeting te Koog-Zaandijk, uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 24 november 2019 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en voor de viering op woensdag 1 januari 2020 om 10.30 uur in de Ontmoetingskerk te Kamerik

Zeer gewaardeerde gemeente,

Heeft u ooit nagedacht over de verhouding tussen kunst, een relatiebreuk en het begin van een ander leven dan u tot nu toe heeft geleid? Is het mogelijk dat een mens in een voortgaand creatief proces zichzelf ontwerpt, bijschaaft en uitvindt zonder een voorgeschiedenis? Heeft het enigma van aanvangen of oorsprongen bij u ooit gezorgd voor perplexiteit, angst of een queeste naar kennis? Hoe kunnen wij als erfgenamen van de fysica van Galilei en Newton, Descartes’ mathematisering van de fysische realiteit, de Darwiniaanse evolutietheorie en onderzoek op het gebied van genetica vandaag de dag het bijbelse scheppingsverhaal uit Genesis 2 lezen? Heeft het begrip ‘schepping’ in Genesis 2 betrekking op realiteit? Is er een andere duiding mogelijk dan het tweede scheppingsverhaal te lezen als een mythe en haar af te grenzen van een historisch en wetenschappelijk gezichtspunt?

In de wereld van de kunsten worden werken geproduceerd waarbij wordt uitgegaan van één gelijksoortige tijd. Ook kosmologisch, biologisch en antropologisch onderzoek wordt verricht binnen tijdspannes die terugverwijzen naar een begin. De bijbelschrijvers in het scheppingsverhaal getuigen van de manier waarop discontinuïteit in het bestaan van een mens haar of hem herinnert aan de eigen existentiële naaktheid en op welke wijze dat moment de potentie heeft het eigen zelf anders vorm te geven.

Genesis 2 bevat een universele visie op de menselijke conditie. Als wij ons ontdoen van eigenschappen die binnen een beschaving een functie hebben dan stuiten we op het fundament van ons mens-zijn met al zijn ambiguïteiten. Zodra mensen een functie neerleggen, ontstaat er een openheid, een creatieve ruimte waarin je de ander kunt ontvangen. De gedeelde naaktheid is een bron van vreugde, een liefdevolle omhelzing waarin je elkaar wel de hele dag wilt verenigen. Een mens, zo is het beeld dat de auteurs schetsen, staat of valt niet met een functie-inhoud die haar of zijn wezen vastlegt. Het vermogen een afstand in te bouwen ten opzichte van de functies die wij bekleden, kan nieuwe ervaringen creëren.

Adam bevindt zich in de weidsheid van Eden waar hij zijn botanische en zoölogische buitenwereld ordent. Dat hij als een voorloper van Linnaeus in staat is de externe wereld te plaatsen door te categoriseren en zo een encyclopedische kennis op te bouwen, verheft hem al enigszins in de adelstand. De planten en de dieren doorbreken hun routines niet tenzij de omgeving hen hiertoe dwingt. Adam distantieert zich van zijn directe leefomgeving door via een systeem van klassen en het taxeren van eigenschappen flora en fauna thuis te brengen. De verschillen ten opzichte van de levende wezens in zijn omgeving stellen hem vooral in staat aan te geven wat hij niet is. Adam komt niet op een positieve formule voor het vinden van een persoonsnaam.

Nu kan iemand die zichzelf serieus neemt geheel opgaan in haar of zijn rol. Geabsorbeerd door verwachtingen en taken die met een functie meekomen, kan een mens samenvallen met hetgeen zij of hij aan het doen is, zoals een kind kan opgaan in de eigen bezigheden. Alsof er geen reflectie en relativeringsvermogen meer zit tussen jou en je performance. Adam, daarentegen, heeft nog niet een sterk ontwikkeld zelfbesef. Zijn taalontwikkeling staat nog in de kinderschoenen en hij is nog geen relatie aangegaan met een soortgenoot. Die ander stelt hem in staat een van de meest fundamentele condities voor de taal te scheppen, namelijk een vertrouwensrelatie. Zolang Adam niet door een partner wordt aangesproken, komt hij niet uit zichzelf ‘naar buiten’. Zijn zelfwording komt niet uit de verf; daar heeft hij een ander bij nodig. Op basis van de roep van een ander trekt hij uit zijn binnenwereld weg en wordt hij een uiterlijk persoon. Er is een scheppingsdaad voor nodig om hem van zijn eenzelvigheid te verlossen.

Wij zijn gewend historische gebeurtenissen in kaart te brengen met behulp van een chronologie. In menig inleidend boek wordt materie voorzien van een tijdbalk die voor overzicht zorgt. Ook levensgebeurtenissen hangen we op aan een tijdlijn die ons denken over tijd als een serie lineaire handelingen heeft beïnvloedt. De wereld waarin Adam leeft is niet lineair gestructureerd en heeft dus ook niet een begin, een vertrekpunt vanwaaruit je kunt spreken en verwijzingen kunt maken. Als wij elkaar verhalen vertellen dan geschiedt dat veelal door gebeurtenissen in een bepaalde volgorde te plaatsen. In onze beleving volgen ze elkaar op. De oerstaat van Adam wordt eerder geconstitueerd door een cyclus, een kringloop, dan door een rechte lijn.

Wat nu de voorwaarde blijkt voor schepping is dat de auteurs een element misten. Ze maken dat duidelijk door Adam neer te zetten als de protagonist wiens wereld geen ritmische eenheid vormt. Het traject dat hij tot dusver heeft afgelegd is onaf. De wereld van de enkele mens is geen totaliteit. Voor de auteurs is het verhaal de vorm om te vertellen wat er toen, eens, ooit voorviel waardoor zij pas echt mens werden. Schepping gaat over het begin in een al bestaand mensenleven. Het duidt het moment aan waarop een mens eindelijk arriveert in het bestaan, doordat zij of hij een gebeurtenis heeft meegemaakt die het effect heeft van een eyeopener. Dan loop je al enige tijd op aarde rond, je gaat al een tijdje mee en toch kun je door een incident of ingreep van buiten pas zeggen: ik ben er, nu leef ik volkomen! Het bijbelse begin staat voor ingrijpende gebeurtenissen die jou vormen tot wie jij bent. Het zijn aanzetten, vaak hoogtepunten, die vragen om het vertellen van een verhaal.

Over een verandering in de levensloop die een gelovige ‘bekering’, ‘omkering’ of ‘doop’ noemt, kan een ander zich verbazen: “Wat is er met jou gebeurd?”, waarop je bij dat ene begin als een verhaal begint te vertellen. Over dat existentiële begin en niet een historische aanvang in de zin van een feitelijke gebeurtenis, handelt Genesis. Het is een begin dat niet toebehoort aan de hervertelde volgorde waarin gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd initieert en grondvest het die loop der dingen. Begin en schepping zijn hier aan elkaar verwant, ze vormen synoniemen. Het denken over schepping is een genese: je vormt je een begrip van een nieuwe ordening.

In Genesis 2 krijgt een nieuwe vorm gestalte, doordat een mens iets fabriceert. De bijbelse betekenis van schepping wil zeggen: knutselen, fröbelen, formeren, van verschillende materialen een ding maken, uitvinden, construeren, arrangeren, demonteren en weer in elkaar zetten. Op andere plaatsen wordt er geschapen of moderner ‘ontworpen’ door het woord, het stellen van een vraag of didactisch onderricht als die tot gevolg hebben dat mensen daarmee uit hun gewone doen worden gehaald. Schepping doorbreekt routines en automatismen. Dat maakt dat schepping in een mensenleven vaak geen lolletje is. “‘Scheppen’, riep hij ‘gaat van Au! […]’” (Leo Vroman, H.U. Jessurun d’Oliveira). De geboorte van het zelf is ook in bijbels perspectief een drama, omdat soms alles van de wand wordt getrokken en je helemaal opnieuw moet beginnen, hoe je het begin ook vertelt of er verslag van doet. Het is een evenement om te vieren en tegelijkertijd een pijnlijk afscheidsproces, want aan het leven zoals je het tot dusver hebt geleefd en waaraan je gehecht was, komt een einde. Schepping lijkt op scheiden.

Als Marcus 10 vers 35 tot 40 een aanvulling kan zijn op Genesis 2, dan door het aspect van separatie te onderstrepen dat verbonden is aan de notie van het begin. Zoals de mens zich door classificatie onderscheidt van het dier, zo is er een onderscheid tussen de kunstena(a)r(es) en de kunst die zij of hij produceert. Wij mensen existeren op afstand van God als een werk waar hij afstand van heeft genomen. Er is verlies van nabijheid tussen eindige wezens en wat oneindig is. Er zijn wetten waar we ons aan houden, die ons wezen begrenzen. Kenmerkend voor God is grenzeloosheid. God stelt dat voor wat voorbij de grens ligt, het ontoegankelijke waar wij niet op eigen kracht naar binnen komen.

Ook een discipel hoeft niet te pretenderen zo gemakkelijk bij God te kunnen aanschuiven. De leerling staat niet op gelijke voet met de docent(e). Noem die distantie gevoel voor verhoudingen of een principe voor gezonde, professionele relaties. God is wat aan de mens een limiet stelt en zelf niet wordt beperkt door de inhoud van die limiet. Een mens kan proberen zelf haar of zijn tekorten te overwinnen in een poging alsmaar hoger te reiken, maar misschien is het wachten op een ingreep van buitenaf wel het startsein voor nieuwe ontwikkeling in een mensenleven. Dat is schepping in bijbelse zin ten voeten uit.

Amen

Buurtkerk Noordwijk, 4 juni 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 104 uit De Psalmen van Gabriël Smit en Handelingen 2:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Pinksteren op zondag 4 juni 2017 om 10.00 uur in de Buurtkerk van de Protestantse Gemeente te Noordwijk

Gemeente,

Het boek De handelingen van de apostelen mogen we lezen als een vervolg op het Lucasevangelie. De historie die de auteur van het boek Handelingen vertelt, begint waar het evangelie eindigt: met de laatste opdracht van Jezus en de beloften vlak voor zijn hemelvaart waarna de leerlingen van Jezus in Jeruzalem wachten op de dingen die komen.

De laatste instructies van de docent zijn gegeven, Jezus is in een hemelvaart naar God toegetrokken, en de eerste gelovigen wachten, biddend, op de geest. In het boek Handelingen wordt een verhaal verteld hoe het de leerlingen vergaat na Jezus’ verrijzenis. Het boek vertelt ons over de personen en gebeurtenissen die vorm gaven aan de jonge beweging van gelovigen en over wat het betekent om een door de Geest vervulde volgeling van Christus te zijn. In een opwindend verslag wordt een beeld geschetst van de eerste gemeente die een internationaal karakter had. Mensen met verschillende nationaliteiten namen deel aan de gemeente.

Het boek Handelingen is wel gemunt als de geschiedenis van het vroege christendom en een beschrijving van de levenswijze van de nieuwe christelijke gemeenschap die erop volgt. Ik denk dat we er goed aan doen Handelingen twee vers een tot elf niet historisch te lezen. De auteur van Handelingen die wij kennen onder de naam Lucas springt zo vrij met zijn bronnen om dat zijn boek eerder een roman is dan geschiedenis in de zin van een historiografie waarbij de auteur zo accuraat en neutraal mogelijk gebeurtenissen beschrijft. Lucas is meer een schilder dan een beschrijver van taferelen; hij was er meer op uit de betekenis van een gebeuren te belichten dan het gebeuren exact te reproduceren. Lucas’ roman heeft een theologische bedoeling. Hij wilde namelijk in zijn schildering tonen hoe de heilige geest op de leerlingen neerkwam waardoor zij in de wereld getuigen werden van een andere orde.

Wat is er met Pinksteren voorgevallen? Het pinkstergebeuren is een niet te voorzien taal- en hoorwonder. Een geheel onverwacht, eensklaps begrijpen in een ongelooflijke, universele verstaanbaarheid van de kosmos. De door het pinkstergebeuren getroffen mens, de mens die de geest is overkomen, die drukt zich niet uit in onbegrijpelijke taal, maar spreekt op een wijze van God die het begrip te boven gaat. Dit begrip is wat de omgeving van deze mens ten diepste verwart en schrik aanjaagt.

Om te begrijpen hoe een mens door de werking van de geest kan worden overvallen, veronderstellen we dat het leven van een mens een lijdensweg kan zijn. Op een lijdensweg van oost naar west kun je vervreemd raken van jezelf en van de ander. Het pinkstergebeuren is werkzaam in een ervaring van wederzijdse vreemdheid, objectieve onmacht, sprakeloosheid en onbekwaamheid. In die ervaring komt dan een andere op: een ervaring waarin ieder mens met een eigen oorsprong, taal en cultuur opgenomen is. Het verschil tussen de ervaring van ontoegankelijkheid voor elkaar en een blijvende onvertrouwdheid aan de ene kant, en een plotselinge gemeenschappelijkheid die zich uit in elkaar kunnen verstaan aan de andere kant, is het spectaculaire en shockerende gebeuren van Pinksteren.

In de culturele, historische en taalkundige veelvoud ontstaat een openheid waarin isolement, individuele vereenzaming en collectieve vervreemding worde opgeheven. Deze universele openheid ontstaat niet door een sensationele gebeurtenis, een catastrofe, vuurwerk of een vasten. Zij wordt overgebracht door een bruisen zoals een enorme, zich verplaatsende wind, waar mensen zich verzamelen en collectief geraakt worden door een idee.

Wind en vuur begeleiden de komst van de geest. Het spreken in tongen dat we kennen onder de naam ‘glossolalie’ als teken van de aanwezigheid van de geest, is nauw verwant met profetie, waarbij vaak extatisch gedrag voorkwam. Als je vanuit de rede naar tongentaal of profetie kijkt, dan klinkt het als wartaal, krankzinnigheid of dronkenschap. Als een mens in tongen spreekt dan toont dat aan dat Gods geest bezit van haar of hem heeft genomen. Door de geest gaat een mens spreken op een manier die niet betekenisloos is.

De door Gods geest gegrepen, bewogen en vernieuwde mens kan zich in een dynamisch krachtenveld gesteld weten waarvan zij of hij lid en drager is. Dit door de uitstorting bewerkte krachtenveld van de geest beeldt een gedifferentieerde en niet een homogene eenheid uit. Het krachtenveld van de geest kan een mens indrukwekkend, onoverzichtelijk en illusionair toeschijnen. Jood en heiden die de deelnemers aan de geest in het openbaar ontmoetten, konden verrast en geïrriteerd raken omdat zij de taal van de geest wilden begrijpen in de taal waarin zij volwassen zijn geworden.

Wat mogen we ons nu voorstellen bij de geest en op welke wijze kunnen wij de geest ervaren? Moet ik denken aan de verbinding tussen wetenschap en wijsheid, aan een levendmakend effect op mensenlevens, aan de vergoddelijking van de mens of de liefde van geliefden? Kan de Heilige Geest in een houding van geloof worden ervaren in haar werkingen alsof God zichzelf meedeelt in woorden die niet onmiddellijk worden begrepen? Om de geest te kenschetsen en op belevingsniveau te duiden, gaan wij allereerst terug naar het Oude Testament en in het bijzonder naar Psalm 104.

Psalm 104 wordt wel het majestueuze loflied van de schepping genoemd en we zouden het een van de meesterwerken van het psalter kunnen noemen. In de psalm is de act van schepping een centraal thema. Schepping heeft in Psalm 104 de betekenis van een overwinning op de wateren van de chaos. De chaos mogen we zien als een vorm van kwaad waardoor het leven op aarde contourloos blijft. De geest is ‘de instantie’ waardoor mensen in staat zijn aan het aardse leven vorm te geven en het kwaad kunnen uitbannen. Een voorbeeld daarvan is de instelling van tijd waardoor het dagelijks leven ritme krijgt. Een ander voorbeeld is dat je een samenhang in je leven ziet die je voorheen niet zag waardoor duidelijk wordt wat je moet doen. De komst van de geest kan een wet zijn die een nieuw tijdperk inluidt. De beschrijving echter van de geest die, broedend op een plan, in een begintijd de watervloed van de chaos intoomt, staat niet gelijk aan de collectieve ervaring van het borrelen van de heilige geest die de leerlingen op de dag van het wekenfeest hadden.

Ik denk dat heilige geest te herkennen is aan het stimuleren van de verbeelding en het denkvermogen van mensen dat een dynamisch effect op hun leven heeft. De heilige geest is zowel scheppend als levendmakend en laat vrijheid op een nieuwe manier ontstaan, doordat het zelfoverstijgend vermogen van mensen ten opzichte van God als voltooide toekomst, hun perspectief op de toekomende tijd opent. Heilige geest leeft van impulsen en uitbreidingen waardoor zij mensen opent voor een wereld van mogelijkheden en nieuwe zienswijzen ontsluit. De heilige geest is de kracht van de transfiguratie, de metamorfose, de gedaanteverandering die over de levens van levend doden heenreikt tot een opstanding en realisatie van schepping. De heilige geest is dan ook de tegenspeler van de wereld in negatieve zin: van de apathie, de zonde, het egocentrisme, van de vergelding en de verslaving. Haar stem is een appèl op het geweten dat we niet historisch moeten opvatten. Ze spreekt wervend, heeft een voorkeur voor vreemde talen, waait waarheen zij wil, zorgt voor opschudding, bevordert doorzettingsvermogen en menig mens wordt door haar overvallen.

De heilige geest is vaak te vinden bij evenementen waar uiteenlopende personen en groepen bij elkaar komen en zich laten verrassen en verwonderen door elkaars andersheid, om vervolgens een saamhorigheid te ervaren die een volledig onverwachte vertrouwdheid laat ontstaan. Dan kan het gebeuren dat die ander zulke onmetelijke woorden gaat spreken, dat het je als hoorder te machtig wordt en je geheel buiten jezelf geraakt. In die staat van vervoering is er geen onderscheid tussen lachen en huilen, je voelt je piepjong en stokoud tegelijk en weet, juist doordat dit geluid zo anders is dan je gewend bent, dat het de stem is van de God van de heilige geest die het waard is om gevolgd te worden.

Amen