Zondag 20 februari 2022, Gereformeerde Kerk ’s Gravenmoer, zondag 27 februari 2022, Bethlehemkerk Scharendijke en Pauluskerk Lisse, zondag 6 maart 2022, Vredeskerk Den Helder & zondag 13 maart 2022, Gereformeerde Kerk Woubrugge

Preek naar aanleiding van Genesis 12:10-13:11 en Filippenzen 2:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 20 februari 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te ’s Gravenmoer, op zondag 27 februari 2022 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk te Scharendijke van de Protestantse Gemeente Schouwen aan Zee en om 19.00 uur in de Pauluskerk te Lisse van de Protestantse Gemeente Lisse, op zondag 6 maart 2022 om 10.00 uur in de Vredeskerk te Den Helder en op zondag 13 maart 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge

Gemeente,

In de filosofie, de retorica en theorievorming over gespreksvoering is een ‘regel’ terug te vinden die lezer(e)s(sen) en sprekers kan helpen bij het interpreteren van een tekst of gesproken taal. Ik doel op het ‘liefdadigheidsprincipe’, waarbij je de statements van een spreker voor redelijk houdt en die je in de interpretatie ervan op hun best neemt en in geval van een argumentatie op hun sterkst ‘leest’. De interpreet weerspreekt een statement niet, gaat er niet over in discussie, valt het niet af, maar probeert het statement allereerst zo duidelijk mogelijk voor het voetlicht te brengen en bij te vallen. Op die liefdadige wijze gaan we ook de perikoop uit Genesis benaderen.

Hoofdstuk 12 van het boek Genesis begint met een familieportret, dat antwoord geeft op vragen van joodse kinderen naar hun specifieke voorgeslacht en meer in het algemeen op vragen naar de komaf van de mens, hoe zij is ontstaan en uitgegroeid tot een familie, stam, volk en mensheid. Voor de beschrijving van dat ontstaans- en groeiproces hadden de auteurs een oud en gewaardeerd mythologisch verslag in hun tekst verweven dat de status zou krijgen van een geliefd volksverhaal, waarin de algemene inzichten werden verwoord over menselijk gedrag in relatie tot God en diens vermeende bedoelingen met mens en wereld.

Abram doet een poging zijn toekomst veilig te stellen en illustreert in zijn handelwijze de tweeledige structuur van het mens-zijn. De Abramitische mens is een nomade die leeft in het heden, met z’n opgeslagen tent als bestaanszekerheid, en beweegt zich al reizende naar een toekomst die hij zelf al wel voorzien had, maar waarvan hij niet wist hoe die uit ging pakken. Sarai en Abram hebben de zegen ontvangen en zijn als aartsmoeder en aartsvader op weg naar een onbekend land, waar een vreemde koning de scepter zwaait. Abram heeft keuzes gemaakt, een onderneming in gang gezet, goedkeuring gekregen voor zijn ‘bedrijfsplan’ en gaat nu alles in het werk stellen om dat te realiseren. Hij gaat de zegen ‘uitwerken’, probeert de slagingskans ervan te vergroten. Het diepe vertrouwen waarmee hij zijn levensweg aanving en de stadia waarmee hij zijn leven doorliep, komen, nu hij met een andere cultuur kennismaakt, op losse schroeven te staan.

Oog in oog met andere denkwijzen en gebruiken is Abram uit z’n ‘comfortzone’ en gelooft hij niet meer zo rotsvast in de voorspoed die hem is toegezegd. In een act van ongeloof, een proeve van zwakheid wordt hij als door een tegenlicht verblind en brengt Sarai’s leven in gevaar. De patriarch van het Oude Testament wordt een bange man en in die angst neemt hij voorzorgsmaatregelen en is hij uit op eigen voordeel om zijn toekomst veilig te stellen.

Als je vanuit de 21e eeuw naar de schets van Abrams handelen kijkt, dan kan dat heel vanzelfsprekend en herkenbaar lijken. Op tal van terreinen – ik denk aan de psychologie, de hulpverlening en de levenskunst – wordt de gedachte van zelfcontrole gepromoot. Allerlei adviezen, initiatieven en interventies zijn erop gericht te stimuleren dat een mens ‘bewust’ leeft, zelf vorm geeft aan het leven, ‘erbij is’, zodat je eigen leven je niet door de vingers glipt. Die moderne westerse waarden van zelfaffirmatie en autonomie waren de gelovige, waar Abram model voor stond, in beginsel vreemd. Als er een boodschap is die dit verhaal wil uittekenen, dan is het het contrast tussen geloof en ongeloof of liever wat het betekent te geloven. Met een leugentje om bestwil wil Abram de kloof dichten tussen de tegenstellingen in het bestaan namelijk, die tussen leven en dood, de feminiene en masculiene kant van de mens, welvaart en tegenslag. Abram wil die tegenstellingen graag voor zijn.

Het gat tussen die polen echter, is precies het gat waarin de gelovige mag staan en waarin zij of hij het moet hebben van geloof. Als het een mens, zoals Abram in het verhaal, ontbreekt aan geloof kan zij in een soort paniekreactie allerlei uitspraken doen en activiteiten ondernemen om een verschil zo dicht te timmeren dat er niets meer kan doorkieren. Het idee van ‘alles onder controle hebben’, zou een gelovige Hebreeër doorgeslagen vinden, omdat een mens dan geen openingen meer biedt die vragen om een houding van geloof. In dit verband is er een belangrijk woordpaar dat het hele Oude Testament doortrekt en dat ook bepalend is voor het godsbeeld en het mensbeeld in onze tekst namelijk, dat van chesed en emed.

Het woord chesed betekent ‘genade’ of ‘bestendige liefde’ en duidt op stabiliteit en de verbondstrouw tussen mens en God. Emed staat voor waarheid. Zij vormen twee kanten van dezelfde medaille: het zijn eigenschappen die aan God worden toegekend en die moeten voorkomen dat de mens in een levenshouding van ongeloof haar of zijn toekomst zeker wil stellen.

Want, die toekomst zeker willen stellen, volstaat dat om als mens te leven? Een Jood zou die vraag negatief hebben beantwoord vanuit de overtuiging dat een mens een niet al te gevestigd bestaan leidt. Hij leeft van weinig, bouwt geen complete koninkrijken, staat klaar om zijn tent vandaag nog af te breken en weer verder te reizen. De gelovige jood verlaat zich op een oerintuïtie en leeft los. Je ziet die instelling terugkeren in de Joodse levensstijl die een antipathie heeft ten aanzien van ‘bewaren en oppotten’ en die leeg wil maken en ruimte scheppen. Ik denk in het bijzonder aan het vieren van Pesach, het Joodse paasfeest, dat symbool staat voor ‘het ongerezen, ongegiste leven’. Chesed en emed staan garant voor ‘een juist midden’, waarin je het als gelovige uithoudt met het streven naar autonomie, hartstochten die soms moeilijk te beheersen zijn, grenzen waar een gelovige tegenaan kan lopen en het voeren van competitie in haar verhouding tot de medemens.

Voor Abram hield geloof in dat hij niet kon terugvallen op eigen slimheid en zich ‘in den vreemde’ over diende te geven aan andermans leiding. Abram zal ‘de kunst van het loslaten’ uiteindelijk leren en Sarai door zijn vermetelheid toch niet tot een lotgeval maken. Want als hij op een tweesprong staat en groot profijt kan hebben door zelf het voortouw te nemen en zich als eerste een stuk land toe te eigenen, laat hij zijn eigen belangen varen. Lot als eerste te laten kiezen en hem voor te laten gaan kun je als een daad van geloof lezen. Nu Lot een rijke en vruchtbare vlakte uitzoekt, blijft voor Abram de westelijke helft van Palestina over: een bergrug en een zeekust. Later worden de verhoudingen weer omgedraaid. Lots toekomst ziet er veel minder rooskleurig uit dan op het eerste gezicht leek. Zijn eerste keus wordt in twijfel getrokken.

Het thema of liever ‘de religieuze moraal’ die in de eerste tekst centraal staat en ook doorklinkt in de brief van Paulus, is dat wie zich gelovig verhoudt tot een nieuwe werkelijkheid soms een stapje terug mag doen. De gemeente waartoe Paulus zich in de brief aan de Filippenzen richt, heeft een andere ordening dan de joodse geloofsgemeenschap en heeft daarom Paulus’ aansporingen nodig om de verhoudingen binnen de gemeente te herstellen. De brief is een proeve van gemeenteopbouw. De verhoudingen in Filippi waren scheefgegroeid, doordat te vaak een kleine kern het voortouw nam en bepaalde mensen niet uit de verf kwamen. Christus is voor Paulus het prototype van de ideale mens, zijn favoriete voorbeeld en rolmodel voor het mens-zijn. Die mens is een paspop waarnaar Paulus de gemeente modelleert en haar gewaad passend maakt. Hij beschrijft houdingen die deze godmens aanneemt, die in dienst staan van herstel. Een voorbeeld van een dergelijke houding is afstand te nemen van ‘succes’ en de weigering om van gunstige resultaten te profiteren. En in die act is een mens bijna goddelijk. Mens-zijn? Dan groots!

Paulus is zo in de wolken van die meesterlijke zet, dat hij haar bezingt in een christologische hymne die in twee coupletten uiteenvalt. In het eerste couplet heft hij een loflied aan op de ontlediging. Je ontdoet je van jezelf, doet afstand van invloed, bent afwezig, geeft iets op en dan kun je ‘werelds gezien’ flink omlaag kelderen. Dieper kun je soms niet zinken en lijkt alles voor je verloren. Een existentieel nulpunt is bereikt. En dan komt ‘hemels gesproken’ het tweede couplet: de verhoging. Want lang zal de mens leven in de gloria. Dit is precies de zet waardoor de mens op de religieuze ranglijst met stip stijgt naar nummer één.

De ideale mens is er voor Paulus één die de eigenschap en deugd van het opgeven van het eigen streven in praktijk brengt. Die mens verkrijgt een goddelijke status en beantwoordt aan haar twee naturen. Het is een neergaande en opgaande beweging, waarin een mens die haar of zijn eigen belangen goed kent en zichzelf weet te verkopen zich kan oefenen, om op die wijze ruimte te creëren voor een ander.

Amen

Zondag 2 september 2018, Ontmoetingskerk Kamerik & Adventskerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Exodus 3:1-6 en Johannes 3:1-16 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 2 september 2018 om 10.00 uur in de Ontmoetingskerk te Kamerik en om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Bij bijbelse auteurs en in de theologiegeschiedenis komen veel formuleringen voor die een tegenstelling uitdrukken. Drie voorbeelden van die tegenstellingen zijn ‘wet en evangelie’, ‘aarde en hemel’ en ‘vlees en geest’. De eerste tegenstelling ‘wet en evangelie’ kan letterlijk worden opgevat. De tweede tegenstelling ‘aarde en hemel’ kan bij een huidige lezer(es) aanleiding geven tot een ruimtelijke voorstelling, en de derde tegenstelling tussen ‘vlees en geest’ roept de betekenis op dat vlees zou staan voor het menselijk lichaam als tegenhanger van geest. Het verhaal over de ontmoeting tussen Nikodemus en Jezus, zoals Johannes die uittekent, laat zien dat een letterlijke, ruimtelijke en fysieke lezing van de genoemde tegenstellingen aanleiding geeft tot misverstanden.

Wie is Johannes? Johannes is een evangelist en geen geschiedschrijver. Hij beleeft het effect van concrete ervaringen die mondeling overgeleverde gebeurtenissen, voorstellingen en belevingen van derden bij hem oproepen. Dat effect zal hij tekst na tekst in een blijde boodschap verpakken, in de hoop dat zijn lezer(es) het uit zal pakken. Johannes is de evangelist van de geest en staat een geestelijke lezing van begrippenparen voor. Hij is een joods christen, die sterk beïnvloed is door het hellenistische denken en sterker dan zijn collega-evangelisten verhalen theologisch vertelt. Via het gesprek dat Johannes tussen een persoon met de Griekse naam Nikodemus, die uit de leidende kringen van de farizeeën afkomstig was, en Jezus arrangeert, reageert Johannes op de publieke opinie en religieuze leiders.

Nikodemus vertolkt de meningen van het volk en de ‘schriftkennis’ van de farizeeën. Dat Johannes hun gesprek onder vier ogen laat plaatsvinden, doet vermoeden dat Nikodemus zich in een loyaliteitsconflict bevond en zijn positie hem een censuur oplegde ten opzichte van zijn vrijheid van denken en expressie. Nikodemus was leider van een religieuze stroming die samenhing met de politieke constellatie van de tijd waarin Jezus van Nazareth leefde.

Het loyaliteitsconflict van Nikodemus bestond eruit dat na het verschil van inzicht over de functie van de tempel tussen Jezus en de religieuze leiding, Nikodemus zijn bewondering voor Jezus, in wie hij een meerdere leraar zag, niet openlijk kon laten blijken. Indien Nikodemus bij daglicht in het openbaar met Jezus werd gezien, zou dat minstens vragen oproepen bij de officiële representanten en wellicht het hoogste bestuursorgaan van het geïnstitutionaliseerde jodendom.

De Romeinen hebben de labiele macht van Syrië overgenomen en het land Palestina is geïncorporeerd in het Romeinse imperium. Politiek gezien was er veel onrust. Onder de Romeinse bezetter waren er veel groeperingen en ook in religieus opzicht was er sprake van pluriformiteit. Een voorbeeld van zo’n religieuze groepering is de farizeeën.

De farizeeën behartigen het belang van de joodse identiteit via wetten en voorschriften. Het zijn fijnzinnige godsdienstdocenten die denkbeelden over de Tora verspreiden en met gevoel voor nuance met de Tora leefden. Vanuit die denk- en leefwereld laat Johannes hen vragen stellen aan Jezus, die voor de farizeeën een religieus anarchist was en voor Johannes vooral de komst van de geestelijk denkende mens vertegenwoordigde. In het gesprek tussen Nikodemus en Jezus komt een spanning aan het licht die bij Johannes weerklank vindt, namelijk die tussen de professioneel opgeleide godsdienstdocent, waar Nikodemus symbool voor staat, en Jezus, de autodidact die door zelfstudie en ‘begeleiding van bovenaf’ zijn kennis heeft verkregen.

Die verhouding en de verontwaardiging van de farizeeën ten opzichte van Jezus als rondtrekkende lekenprediker is vandaag de dag te vergelijken met het verschil tussen professionals die hun diploma’s aan geaccrediteerde onderwijsinstanties hebben behaald en eventueel aangevuld met een registratie, en de leek die op eigen naam of onder de vlag van ‘godsopenbaring’ of charisma opereert.

Het zijn juist die officiële getuigschriften en registraties die de gekwalificeerde beroepsbeoefenaar beschermen, haar vak hooghouden en beroepsinflatie tegengaan. De frustratie van de farizeeër is dat hij wil redeneren op basis van geschreven wetsteksten en Jezus’ beroep op ‘de geest’ als criterium oncontroleerbaar is. Met de wetsteksten benadert de farizeeër de dingen van onderaf. Hij is geen uitvinder of ontwerper, geen schepper of beleidsmaker, maar een ‘opvolger’, iemand die goed gedijt bij het uitvoeren van instructies. De farizeeër heeft ontzag voor gedachten en structuren die ooit in een wet vlees en bloed zijn geworden en waaraan hij ook in zijn tijd gevolg wil geven.

Het is voor de professionele beroepsbeoefenaar, de farizeeër, lastig in dialoog te treden met iemand die geen bevoegdheidspapieren kan overleggen, zijn autoriteit zegt te ontlenen aan ‘God’ of geest, en niet bereid is verantwoording af te leggen over zijn optreden. Kortom, we kunnen proberen de kritiek van de farizeeërs aan het adres van Jezus serieus te nemen en als je de farizeeër de credits kunt geven dat voor hem wetsteksten de neerslag vormen van de geest, daar ook schoonheid in te ontdekken valt.

We staan nu stil bij het woord ‘geest’, waarmee we de denkwereld van de auteur die zich Johannes noemt, verkennen en een voor hem centraal begrip nader onderzoeken. Johannes denkt volgens ‘hemelse maatstaven’ die hij inzet tegen het vleselijke denken. Het Nieuwtestamentisch Griekse woord voor vlees, ‘sarx‘, heeft niet de betekenis van ‘menselijk lichaam’, maar heeft betrekking op het driftleven, het ‘jagen’ van de mens, diens lijden, zwaktes en dood. ‘Gods geest’ is voor Johannes een bron die de mens van al die affecten geneest.

Zolang de mens zich tegen die ‘genadegave’ verzet, weigert er zich van te laten doordringen, is zij of hij in negatieve zin met de wereld verbonden. In dat geval betekent ‘vlees’ niet alleen dat wat verloren gaat, maar ook een bewust verzet tegen dat wat jou als mens goed doet. Nikodemus kan deze begrippen niet zien als ‘danspartners’. Ze komen hem voor als dualismen.

In het Oude Testament gebruiken auteurs veelal het Hebreeuwse woordje ruach, wanneer zij uitspraken doen over de geest. Ruach brengt het ademen onder woorden. Het spreken over ruach vormt een ode aan de longfunctie en duidt vooral op de levenskracht en de bekwaamheid tot dynamiek die er het gevolg van zijn. U kunt de ruach vergelijken met een hardloper die energie opdoet, terwijl zij of hij kilometers maakt.

Als er over de geest van God wordt gesproken, gebeurt dat vaak in concrete taal. Voor de Hebreeër is de mens als ziel bepaald en hij beschrijft de werking van de geest aan de hand van emotionele ervaringen. Het is een creatief, cruciaal moment, waarin de veelzijdigheid van de menselijke geest begiftigd wordt met kwaliteiten als wijsheid, inzicht, advies geven, sterk zijn en kennismaken. Bijbels gesproken gaat de geest dan over alle vlees.

Johannes laat de oudtestamentische opvatting van geest in zijn evangelie doorwerken, en breidt de betekenis van het woord geest uit. Hij legt namelijk het accent op het bewustzijn van de menselijke geest die existeert en handelingsbekwaam is en zichzelf daarin overstijgt op basis van een grond, een ‘waarvandaan’, dat hij niet begrijpt en ook niet kan verhelderen. Gemakshalve zal hij het “de geboorte uit de geest” noemen en het leven uit de geest komt hem vanuit zijn bekendheid met het weten als categorie uit de Griekse filosofie voor als een raadsel of geheim. Hij kan er moeilijk de vinger op leggen.

Uitgerekend deze figuur die uit het vat van de onbepaaldheid put, is in gesprek met mensen die precies oorzaken kunnen aanwijzen, verbanden benoemen, standpunten innemen en wetten weten te herleiden, uit te leggen en toe te passen. Voor Johannes zijn mensen tot die cognitieve handelingen in staat, doordat zij betrokken zijn op ‘het feitelijke’. De ziel is wat een mens bindt aan ruimte en tijd. De menselijke geest die zichzelf als ziel en daarmee als eindig ervaart, zal zich vanwege de binding aan het lichaam zelf proberen te bestemmen. Het is door die binding aan het lichaam dat er in de christelijke systematiek onderscheid wordt gemaakt tussen de menselijke geest en ‘Gods geest’. De menselijke geest is niet puur geest.

Voor Johannes, en dat is een nieuw element, hebben de bindingen aan het lichaam en de poging van mensen om zichzelf uit te denken een keerzijde. Die bindingen en het begrijpen van een eigen uitgedacht zelf kunnen een mens onvrij maken. Het is met name de farizeeër die in Johannes’ optiek het risico liep op te gaan in ‘de weetjes van de wet’ en het vermogen verloor open en ontwerpend in de werkelijkheid te staan. Johannes’ evangelie bestaat eruit de mens van die onvrijheid te verlossen door de term geest opnieuw in te voeren.

De bepaling van de ervaring en de kennis van het eindige is volgens Johannes de toegang tot de menselijke geest, die als zodanig onbegrensd is en die nimmer geheel begrijpelijk is. Dit ongrijpbare vertrekpunt is het ‘waarvandaan’ van waaruit de mens in beweging komt en de bestemming in relatie waartoe de menselijke geest met tussenpozen werkt, actief is, aan zichzelf sleutelt en de eigen vrijheid ervaart. In die ‘beweging’ leer je als mens zien dat je niet primair door ‘het feitelijke’ bent bepaald, en dat is precies wat Johannes zowel de ‘kerkgangers als theologen’ van zijn tijd duidelijk wil maken. Zolang de mens op dat ‘geheim’ betrokken blijft, staat de menselijke geest open naar de toekomst.

Amen

De Ark Amsterdam, 23 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 51:1-6 en Matteüs 16:21-27 uit de Naardense Bijbel voor de viering van de tweede zondag van Pasen op zondag 23 april 2017 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse gemeente te Amsterdam

Gemeente,

Sion is de hipster van Israël en Jesaja is met Sion in gesprek. De hipster is volgens Jesaja oké, maar loopt het gevaar van een algeheel en langdurig relativisme. Jesaja treedt op als Sions correctief.

Het is markt in Amsterdam-West. Op de Local Goods Weekend Market stallen mondiale Nederlanders in alle vroegte hun kraampjes uit. Er lopen mensen rond die je ook kunt treffen bij biologische markten zoals in Park Frankendael in stadsdeel Oost. Het zijn linksgeoriënteerde idealisten, jonge mensen van tussen de twintig en vijfenveertig jaar die in ieder geval één gemene deler hebben: een duurzame levensstijl. Vrouwen naaien hun eigen kleding van soms gerecyclede stoffen. Mannen hebben verzorgde baarden, puntbaardjes, knotjes in het haar en dragen een muts, pofbroek en sandalen. Veel van de producten die te koop worden aangeboden komen uit eigen moestuin of zijn eigenhandig verbouwd, geoogst, gebrouwen, gebakken of geperst.

Het is de nadruk op het ‘zelf’ dat bijdraagt aan een alternatieve sfeer van authenticiteit en menswaardigheid. De maker heeft op eigen initiatief iets in het leven geroepen, is van A tot Z bij het totstandkomingsproces betrokken en biedt haar of zijn product zo belangeloos mogelijk aan. Aardbeien, vegetarische hapjes, biologische wijn worden aangeboden in voorwerpen die van natuurlijke materialen zijn gemaakt. Veel hout, draad en linnen, liever geen kunststof, laat staan plastic. Mannen zitten achter mobiele naaimachines en verstellen oude jeans of lappen schoudertassen op. De kinderen die hier rondlopen zijn zo vrij als vogels. Ze zingen, rennen op blote voeten rond of werken aan creatieve opdrachten.

Ook hipsters bezoeken de markt in Amsterdam-West. Hipsters zijn tieners tot dertigers die deel uitmaken van een internationale subcultuur, zogenaamde ‘Millenials’ die leven in stedelijke gebieden. Het zijn bohemiens uit de middenklasse die in de betere buurten socializen. Ze zijn hoogopgeleid, goed thuis in de wereld van wiskunde, natuurwetenschap, vrije of grafische kunst, eten graag fruit, kunnen goed koken, houden van filosofie, obscure bandjes en lezen veel boeken en gedichten. De cultuur van de hipster is er één van verandering, een trans-Atlantische smeltkroes van stijlen, smaken en gedrag. Onafhankelijke muziek, dat wil zeggen zelf geproduceerd en gepubliceerd, een gevarieerde modegevoeligheid met een voorkeur voor vintage, dat is tweedehands kleding, progressieve politieke opvattingen en organisch voedsel kenmerkt de hipster.

Ze dragen skinny jeans en een T-shirt of cowboy blouse, een oversizede bril, hoofdbanden, nagellak, piercings en een koerierstas voor de IPhone. De kledingstijl van de hipster is een combinatie van diverse invloeden. In de levensstijl van de hipster is soberheid verweven, een terugkeer van elementen uit het verleden die zij of hij kan waarderen en een selectieve keur van nieuwe technologische gadgets. De hipster heeft weet van ‘tegenstellingen’ en kan die als zodanig accepteren. Zij of hij is niet opgegroeid en gelooft niet in een eenduidig mens- en wereldbeeld, maakt wat oud is weer nieuw, heeft een afkeer van blind consumentisme en maakt autonome keuzes.

Sion is de hipster van Israël. Ze heeft al heel wat levensbeschouwingen, programma’s en partijen zien komen en gaan. Zodra een publieke figuur moord en brand begint te schreeuwen, haalt ze haar schouders op. De lancering van ‘nieuwe ideeën’ bekijkt ze met argusogen. Ze ziet veel herhaling, oude wijn in nieuwe zakken en houdt noch van volgen noch van leiden. Jesaja, een profetisch taalkundige uit Sions vriendenkring, had haar tijdens een neerslachtige, prozaïsche bui bedolven onder een lawine van spirituele termen en imperativi. Hij sprak haar toe vanuit een wereld die zij al lang achter zich had gelaten.

Jesaja was veel rechtser in zijn manier van denken dan Sion: hij dacht contextueel, benadrukte het belang van familierelaties en opeenvolgende generaties, zag in het verleden een spoor van welzijn, geloofde in de ontwikkeling van de mens – een links trekje –, drukte zich poëtisch uit en nam grote termen in de mond als ‘gerechtigheid’ en ‘heil’.

Jesaja duidt vanuit zijn Joodse denken de levenshouding van Sion als onverschillig, onbepaald, gefragmentariseerd, een syncretistische melange, een wanhopige strategie om sympathiek te staan tegenover diverse levensovertuigingen. Sions attitude zou een leven representeren dat ‘in puin’ lag en Jesaja probeert uit alle macht van haar weer een vrouw uit één stuk te maken. Jesaja is een nostalgicus die een herstel van vervlogen betekenissen voorstaat.

De situatie echter waarop Sion met haar gelatenheid, terughoudendheid en geconstrueerde hipster-leefstijl op reageert is het verliezen van een geloof in het realiteitsgehalte van abstracte termen, grote, coherente verhalen en de nadruk op een uitgesproken voorkeur voor één traditie, tekst of religie. Zou Sion in de jaren tachtig van de twintigste eeuw hebben geleefd dan had je haar een postmodernist kunnen noemen. Sion dacht ruim, circulair, mild en had weinig op met lineaire constructies. Haar hipster-stijl vormde een modus waarin ze openstond voor verandering en uit was op menselijk begrip.

Het kiezen voor slechts één type gedachtegoed vond ze een soort almachtsfantasie, een poging om de werkelijkheid te beheersen, een product van totaliteitsdenken waarvan ze vaak had gezien hoe het kon domineren en zich tussen intersubjectieve relaties en samenlevingen wrong. Ze had ervoor gekozen dat centrale, harde denken af te zwakken en los te leven. Want wie haar ziel wil redden, zal haar verliezen en vice versa. Maar Sion wilde haar ziel verliezen vanwege de medemenselijkheid, en, zo merkte ze in de praktijk, vond die ook. Noem die keuze de manier waarop ze zichzelf prijsgeeft, haar offer, het geschenk van iets waardevols dat ze weggeeft in de hoop op een herschepping van bestaansstructuren.

De reactie van Petrus vertoont veel van ‘stelligheidsdenken’, ergens heilig van overtuigd zijn en doen voorkomen alsof dat het enige perspectief is van waaruit je naar een mens, kwestie of ding kunt kijken. Hij verzet zich tegen andermans visie en probeert een ander te verleiden, over te halen tot ‘zijn gelijk’. En dan is Petrus niet langer een rotsblok waar je een gemeente op kunt bouwen, maar een struikelblok. Die mens krijgt van de evangelist een reprimande. Petrus staat symbool voor de mens die niet begrijpt wat het betekent een offer te brengen om een persoonlijke onderneming te laten slagen.

Matteüs was een Joods christen die in zijn polemiek tegen exponenten van het Jodendom – de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden in de tekst – de christelijke identiteit steeds verder laat uitkristalliseren. Je zou zijn tekst kunnen lezen als de neerslag van een midlifecrisis waarin hij, Matteüs, een mens op middelbare leeftijd zich geconfronteerd weet met zingevingsvraagstukken. Hij beseft dat zijn leven voor een groot deel voorbij is en die gewaarwording leidt tot bezinning en zelfreflectie over de wijze waarop hij tot dusver zijn leven heeft ingericht. Gevoelens van verveling, afstomping en geroutineerdheid zijn hem niet vreemd. Hij start een zoektocht naar een niet nader bepaald levensdoel en voelt de drang ingrijpende wijzigingen aan te brengen op zijn religieuze levensgebied. Matteüs lost die existentiële onrust niet op met een sportwagen of een verjongingskuur en gaat ook niet op de versiertoer, maar hij lost die op door in grote mate afstand te nemen van het Joodse erfgoed en wil doorstoten naar een nieuw stadium. Daarvoor zet Matteüs veel op het spel. Zijn vertrouwde Joodse omgeving, zijn baan als tollenaar en vrienden onder wie de persoon Petrus.

Als religieuze gelovige kun je je afvragen: waar hangt de messias uit? Op welke plaatsen gebeurt ‘het nieuwe denken’? Dat ‘rijk’ waar menig evangelist over schrijft, wat is daarvan terechtgekomen en hoe krijgt het, indien al, vandaag de dag gestalte?

De ongeorganiseerde, internationale Occupybeweging die in 2011 protesteerde tegen economische en sociale ongelijkheid is te duiden als zo’n nieuwe denkwijze. Ook de hipster, de Sion van vandaag, vertegenwoordigt een levensstijl die buiten de gebaande paden loopt en oude manieren van denken opgeeft. Het is niet gemakkelijk als hipster alle ballen tegelijk de lucht in te houden. Je versterft aan het idee van één project.

Op het moment dat je een keuze maakt voor bijvoorbeeld één vorm van denken of leven, dan selecteer je uit een variëteit aan mogelijkheden, discrimineert en houdt een paar of één optie over waar je je dan aan kunt committeren. De hipster in de huidige derde generatie doet iets waarvan ik vermoed dat haar of zijn voorgangers er nauwelijks toe in staat waren. De hipster stelt zich permanent in op verandering en gaat telkens heel flexibel en diplomatiek om met een groot scala aan zienswijzen.

De hipster heeft met eenheidsdenken gebroken, neemt ‘het kruis’ van caleidoscopisch leven op zich en is op die manier zichzelf. Het is de remedie voor veel gewelddadige structuren die via generaties in geschiedenissen terug te lezen is. De schaduwzijde van de taak van een hipster is dat zij door menig hedendaagse Jesaja en Jezus wordt berispt en de vervulling van de opstanding die zij heeft geïnitieerd mogelijk niet gaat meemaken. Het hart van de hipster is een huis met veel woningen. Op die wijze gunt ze anderen leefruimte.

Amen