Tag Archives: Zonde

Zondag 12 januari 2020, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede, zondag 26 januari 2020, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 2 februari 2020, De Wingerd Krimpen aan den IJssel, zondag 9 februari 2020, Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen Zwijndrecht, zondag 23 februari 2020, Protestantse Wijkgemeente Pauluskerk Breukelen, zondag 1 maart 2020, Protestantse Gemeente De Bron Amsterdam-Watergraafsmeer & zondag 8 maart 2020 10.00 uur Protestantse Kerk Egmond aan Zee

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 12 januari 2020 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 januari 2020 om 09.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de viering op zondag 2 februari 2020 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel, voor de viering op zondag 9 februari 2020 om 10.00 uur in de Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht, voor de viering op zondag 23 februari 2020 om 10.00 uur in de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk te Breukelen, voor de viering op zondag 1 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Bron te Amsterdam-Watergraafsmeer en voor de viering op zondag 8 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Kerk te Egmond aan Zee.

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een schok die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De zelfbezorging die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate een vreemde voor zichzelf.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een antischepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat onding ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende werking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette om hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belicht en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt om God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten.

Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Kerkelijk Centrum Zeist, 18 februari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op de eerste zondag van de veertigdagentijd op 18 februari 2018 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum van de Protestantse Wijkgemeente te Zeist-West

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een ‘schok’ die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets, waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen, lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De ‘zelfbezorging’ die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate voor zichzelf een vreemde.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een anti-schepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat ‘onding’ ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende uitwerking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door een nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belichten en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten. Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving  van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Novawhere Purmerend, 13 mei 2017 en De Oase Zoetermeer, 14 mei 2017

Preek naar aanleiding van Ezechiël 37:1-14 en Johannes 11:1-13 uit de Groene Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 13 mei 2017 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend en uit de Naardense Bijbel voor de vijfde zondag van Pasen Cantate op zondag 14 mei 2017 om 10.00 uur in De Oase te Zoetermeer

Gemeente,

Welkom in de catacomben van Ezechiëls geestelijk leven. Wie zich in de ouverture heeft laten overweldigen door een immens visioen, staat nu aan het bed van een man die kampt met een depressie die zijn weerga niet kent. Het zijn de religieuze overtuigingen van Ezechiël die hem blokkeren nog één stap te zetten. Van jongs af begrijpt Ezechiël zichzelf als een profeet die een nauw onderscheid maakt tussen het ontplooien van zijn eigen initiatieven en de opdrachten waaraan hij een goddelijk gezag verleent. In vergelijking met dat ‘spreken Gods’ waarbij hij de controle over zichzelf verliest en ‘buiten zinnen raakt’, komt dat spreken in eigen naam er bekaaid vanaf.

De communicatie met anderen over alledaagse zaken benoemt hij inmiddels als geleuter, koetjes en kalfjes, ditjes en datjes en gaat hem steeds moeilijker af. Hij kan er niet aan deelnemen, heeft er geen vocabulaire voor opgebouwd, begrijpt niet waarom mensen daar energie in steken. Het gesprek over ‘het alledaagse’ dooft zijn uitgebluste ziel. De herinnering aan die heldere momenten van ‘godsspraak’ wakkeren de heimwee van Ezechiël naar nieuwe piekmomenten aan. Hij beschikt als Gontsjarows Oblomow niet over het vermogen nog tot iets te komen. Lusteloos en bespiegelend wacht hij in bed totdat die stem van buiten hem weer in vuur en vlam zal zetten. Tot die tijd heeft Ezechiël zichzelf een spreekverbod opgelegd. Zolang hij niet zinvol kan spreken, dient hij te zwijgen. En de verstomming waarin Ezechiël verkeert, is de situatie waarin wij hem als lezer(es)s(en) ontmoeten.

Ezechiël weerspiegelt de tijd van de verstrooiing waarin de Joden in vele landen verspreid leefden. Die decentralisatie klinkt door in Ezechiëls betoog. Wij lezen een coherent betoog, maar Ezechiëls tekst bestaat oorspronkelijk uit losse flodders. Ezechiël denkt dat het mogelijk is objectief over God te spreken en grenst die opvatting nauw af van een subjectief spreken over God. Hij wil ‘wetenschappelijk’ integer optreden door zichzelf weg te cijferen achter een beroepsprofessie. Dat de ontwikkeling van een persoonlijke taal ernstig onder dat motief lijdt, daar heeft Ezechiël niet bij stil gestaan. U ziet het in de terugkerende formules die Ezechiël gebruikt.

Door die strikte scheiding is Ezechiël voor zichzelf een orakel geworden. Hij is verleerd een persoonlijke toon aan te slaan. Het woord God staat aan het begin van elke zin die Ezechiël over zijn lippen krijgt. Ezechiël is ‘slechts’ een ontvanger, een leeg vat dat bij tijd en wijle volloopt met ‘Gods water’ en dat hij als ‘bode’ doorgeeft aan derden. Het zijn de tekenen die aan Ezechiëls tekst een mystiek tintje geven.

Ezechiël heeft zichzelf klein gemaakt, zo klein dat er nog maar weinig van hem is overgebleven. Met een in onbruik geraakt woord noemen we de ‘mentaliteit’ te denken dat je weinig voorstelt, zonde. Een mens wil in die levenshouding zichzelf niet zijn, durft geen ruimte in te nemen, kruipt angstvallig weg en schuift haar of zijn zelf op een ander af. U kunt die attitude vandaag de dag vergelijken met een mens die haar of zijn eigen leven niet wil leiden en hoopt op vervulling door op te gaan in het leven van een ander. Een ‘verhaal’ dat niet mijn verhaal is, een ‘genre’ waar ik niet in thuis hoor.

Als de omlijsting en de ‘invulling’ van iemands persoonlijkheid op zich laat wachten, kan dat ervoor zorgen dat een mens in zichzelf verkromd raakt, zij of hij in zichzelf als een kurkentrekker in een kurk vastdraait. Die ‘hondsberoerde toestand’ van ontgoocheling heeft een merkwaardige dubbelheid in zich: religie is zowel de voorwaarde deze ‘ziekte’ op te lopen, als de remedie waardoor je er weer vanaf kunt komen.

Ezechiël gebruikt zijn religieuze voorstellingen als schild om zich te wapenen tegen het vermogen als zichzelf op te treden. Die ‘strategie’ maakt het er niet makkelijker op zijn existentiële pijn te verlichten. Ezechiël ligt weg te teren, verschrompeld, als een nietig wezen op zijn brits te wachten op de dag van zijn opstanding.

Ezechiëls ‘uur ik’ – het uur waarin hij ‘voor eens en voor al’ op eigen benen zal staan en zal inzien dat hijzelf altijd al het vertrekpunt is van waaruit hij de dingen benadert – dat uur staat nog uit. Ezechiël projecteert als zijn tekorten op godsbeelden die nu nog hemelhoog boven hem verheven staan. Er is een Copernicaanse wending voor nodig Ezechiël aan het verstand te brengen dat hij die tekorten kan opheffen daar ze zelf te belichamen.

In de twintigste eeuw is vaak een theologie van de transcendentie ‘gepropageerd’ waarin een totale verwaarlozing van het actieve individu plaatsvindt. Het choquerende relaas van Ezechiël vormt wellicht reden genoeg dit niet nog eens toe te passen. De verdroogde beenderen ten teken van wanhoop tonen een profeet die aan God ten onder gaat. U kunt die verhouding vergelijken met iemand die zegt zo ‘in Brahman’ te zijn, terwijl een torenhoge afwas zich opstapelt. Ik citeer in dit verband een gedicht van J.A. dèr Mouw dat begint met de regel: “k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.”

“‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.                                                                                            Ik doe in huis het een’ge, dat ik kan:                                                                                                                       ‘k gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;                                                                                                     maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zíj zegt, dat dat geen werk is voor een man.                                                                                                    En ‘k voel me hulploos en vol zelfverwijt,                                                                                                          als zij mijn lang verwende onpraktischheid,                                                                                                 verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt                                                                                               tot feeërie van wereld, kunst en weten:

als zij me geeft mijn bordje havermout,                                                                                                              en ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

dan voel ik éénzelfde adoratie branden                                                                                                         voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.”

Ezechiël neemt vooral geestelijk voedsel tot zich. Hij verslindt boekrollen, maar hij heeft ook suikers en vetten nodig om weer wat vlees op de botten te krijgen.

Ook Lazarus is meer dood dan levend. Typisch Johannes een hulpeloos geval te portretteren voor het christologische punt dat hij wil maken. De lezer(es) dient eerst getuige te zijn van een ‘horrorfilm’ voordat er een verlossend woord kan klinken. Johannes’ voorbeelden zijn te vergelijken met de uitgeprocedeerde asielzoekers, long stay patiënten en depressieve mensen in onze samenleving. Zielen die uitzichtloos in de wachtkamer van de geesteloosheid hun tijd uitzitten.

Lazarus is ‘bevangen’ door een ‘griep’ die niet uitloopt op de dood. En toch sterft Lazarus. Wat is dat voor ziekte die niet de dood tot gevolg heeft en in het evangelie toch ziekte wordt genoemd? En, waarom zou je iemand uit de doden opwekken als zij of hij vroeg of laat toch weer sterft?

Lazarus’ ziekte is een ziekte die wortelt in de geest, in het zelf van een mens en die verschillende verschijningsvormen kan aannemen. In Lazarus’ geval betekent het dat ‘alles in zijn hoofd potdicht zit’. Hij zit als het ware vastgeketend, heeft alle hoop te grave gedragen. Het is aardedonker in zijn bewustzijn, hij kan geen licht meer verdragen, zijn zenuwstelsel is hypergevoelig, elke prikkel doet zeer. Martha en Maria met wie hij ooit zo goed overweg kon, zijn hem gaan ergeren. Hij kan Maria’s tederheid en Martha’s zorg steeds moeilijker dulden. Tijdens zijn slechte buien duidt hij Maria’s houding als geflirt en die van Martha als activistisch en pragmatisch. Lazarus’ percepties verraden de grondstemming van zijn geestelijke conditie. Met moeite kan hij zich bedwingen niet in woede uit te barsten. Het minste of geringste is voldoende zich enorm op te winden. Maria en Marta’s welwillende gebaren vindt hij aanstootgevend.

Die ‘onhoudbare situatie’ heeft ertoe geleid dat Lazarus een tijd rust zocht in een sanatorium. Herstel bleef echter uit. De categorie van zijn ziekte is van ‘het zwaarste type denkbaar’ waar gezondheidsoorden maar nauwelijks op berekend zijn. De evangelist weet alles van ‘opgegeven gevallen’ en heeft nog een extra categorie voorradig waarmee hij de gesteldheid van Lazarus kan peilen. De zonde als geestelijke dood in het licht waarvan de lijfsdood een kleinigheid is. Johannes herkent de symptomen van dit ‘schrikbewind’ die als gemene deler een gebrek of een overschot aan zelfliefde hebben, uit duizenden.

Lazarus woont al het grootste gedeelte van zijn leven met twee zussen in huis. Hij heeft dat eerder niet bezwaarlijk gevonden, maar toen hij de leeftijdsgrens van veertig passeerde, begon er iets aan hem te knagen. Hij wil een leven opbouwen dat hij niet met zijn zussen hoeft te delen. In de leefomgeving waar hij deel van uitmaakt, zijn familierelaties van levensbelang en de bredere maatschappelijke context is ingericht op heteronomie. In dat verband heeft hij geen kans gezien het type leven gestalte te geven waar hij zielsgraag naar verlangde. Autonomie in Palestina? Geen schijn van kans. Sindsdien is hij een man zonder toekomst geworden. Reisde hij eerder veel voor zijn werk, inmiddels zit hij bij huis, struikelt over dingen en laat voorwerpen uit zijn handen vallen. Pasen laat op zich wachten.

Nu kan een mens juichen: “Christus is opgestaan. Halleluja!” Wel, kennelijk niet voor iedereen. Ezechiël en Lazarus liggen voor Pampus. Zij staan model voor al die mensen die zichzelf in de weg zitten, zichzelf teveel vinden en in het uiterste geval een poging tot suïcide doen.

In het medicijnkastje van de bijbel staan twee ‘receptenbriefjes’: een verhouding tot jezelf aangaan, dat wil zeggen, jezelf proportioneel liefhebben, en een geloofsbelijdenis waar een niet geringe hoeveelheid verbeelding voor nodig is, namelijk: dat met God voor ogen alles mogelijk is. Voor Lazarus houdt dat tegengif in dat hij zich dwars tegen de mores van zijn cultuur in, tot het uiterste zal inspannen zijn diepste verlangen te realiseren en een paar handige jongens uit zijn omgeving zal vragen hem een handje te helpen met zijn verhuizing. Zichzelf op die wijze terugbrengen naar het natuurlijke leven zal dé dag van zijn verrijzenis zijn.

Amen